102

Tijdens één van de laatste lezingen hebben wij met u gesproken over de koagulatie van Paracelsus, de zesde fase in zijn zevenvoudige omzettingsproces. 

Flegmatische naturen, zo zegt Paracelsus, zijn niet om te zetten, want zij kunnen noch door het vuur, noch door het water worden aangegrepen. Men moet òf tot het koude element, òf tot het warme element behoren, wil er een begin gemaakt kunnen worden met een transmutatio. 

Zodra men echter koaguleert, d.w.z. stolt tot degene die men was voordat de disharmonie storing veroorzaakte, herkrijgt men de kleur, de uitstraling die men van oorsprong bezeten heeft. 

Paracelsus noemt dit de zevende graad of het kleuren. 

Hetgeen betekent dat het aurische veld van de kandidaat de kleur aanneemt van het innerlijke wezen. 

Alle kleuren veranderen, al die tinten die door emoties en bewogenheden ontstaan, die door ziekten en onreinheid in het aurische veld worden geprojecteerd, veranderen zich, zij worden tot één. Al de kleuren die corresponderen, met de zes metalen vloeien ineen in de kleur van het hoogste metaal, het edelste metaal. 

De mens is tot dit metaal geworden, hij is samengesmolten met zijn ingeboren adeldom, zijn gouden zielekracht.  

Paracelsus noemt het "kleuren" ook wel het "tincturen", alles wat een andere materie doordringt, en kleurt, verandert van wezen, is een tinctuur, zo zegt hij. 

Deze tinctuur is dus eigenlijk een trilling, kleur is trilling, vorm is trilling. 

Wanneer men de tinctuur van de zevende graad bezit, kan men alle andere dingen naar hun wezen kleuren en tincturen. Iemand die over het edele ziele-goud beschikt is in staat deze trilling daarvan over te brengen op anderen en hun individuele kleur te veranderen. 

Zulk een mens doet de onreinheid van anderen uit, zonder dat hij daarvoor moeite doet, zijn tinctuur-uitstraling omvat de andere kleuren, zij gaan daarin onder, omdat zij een lagere trillingssnelheid hebben. 

Het goud, de adeldom overheerst in straling en trilling alle kleuren en trillingsvelden. Dit is de edele vorm van koninklijk leiderschap, waarvan de autoritaire hoogmoed een karikatuur geworden is. 

Goud, ziele-trilling, dwingt nooit, is nimmer heerszuchtig, maar is door zijn aanwezigheid alléén reeds het middelpunt, omdat het goud, de edele ziel, God in zichzelf bergt, en naar deze God zoeken allen, richten zich àlle kleuren, alle trillingen op hem.  

Wanneer een tinctuur werkzaam zijn kan, moet allereerst het lichaam of de materie, die men kleuren wil, opengemaakt worden, zegt Paracelsus. Om een tinctuur op te nemen moet de mens, de ziel, het hart ontvankelijk zijn, kleur moet in de materie doordringen, zoals trillingen iemand moeten doordringen, om hem te kunnen veranderen.  

Een verharde materie, zelfs een gesloten flegmatische materie neemt de kleur en de trilling niet op. Aan deze bewerking moet een voorbereidende arbeid zijn voorafgaan.  

En deze voorbereiding is het proces zoals Paracelsus voorheen besproken heeft: ver-assen, sublimeren, oplossen, verrotten, destilleren, koaguleren. 

Een materie die aan deze voorbereiding heeft deelgenomen bezit juist die openheid die de tinctuur opneemt en daardoor heel het wezen verandert. 

De kleur moet samensmelten met de te kleuren materie, zij worden tot één. 

Zo verstaat Paracelsus het opgaan van het ego in de ziel. 

Het ego geeft zijn aard prijs, het lààt zich door de ziel kleuren, overheersen en van aard veranderen. 

Men kan nu niet meer spreken van ego en zielewerkingen, er is slechts één wezen: een veranderd mens, een oorspronkelijk Hemels mens, die aan het begin van zijn wereld-omvattende opgave staat. 

Om aan deze wezensverandering mee te werken, moet iedere trilling, ieder metaal, iedere fout, iedere karaktertrek allereerst van zijn koagulatie worden ontdaan. 

De positieve koagulatie-kracht moet zich niet verhard hebben tot een steen, een ondoordringbare materie; er moet slechts sprake zijn van een harmonische koagulatie-stolling, waarbij er een harmonie tussen de metalen, de trillingen, de eigenschappen is bereikt. 

Alles wat tè veel is, moet afvloeien, door middel van het vuur, zegt Paracelsus. 

Hitte is de beste methode om een overmatige stolling te breken. Voor de zevende maal wordt dan deze kandidaat aan het vuur toevertrouwd, nu slechts om het evenwicht te bereiken, ook de goede hoedanigheden moeten leren terug te treden voor de stralingskracht van de ziel.  

Vlak voor de zevende fase staande, zoals wij in alle literatuur kunnen lezen, wordt de kandidaat afgeremd, hij ontvangt een doodsteek voor zijn eigenwaan. Er mag geen sprankje hoogmoed meer in hem zijn voordat de hoogste tinctuur hem doortrillen zal. 

Het vuur voor het "kleuren" bevrijdt hem van de eigen kleuren, de eigen waan, de eigen ego-waarde. 

Deze trilling van de zevende graad, deze tinctuur moet alle metalen van de mens wit of rood kleuren. 

Deze hoogste trilling moet het wezen van de mens scheiden in zilver en goud, water en vuur, maan en zon en hen dan als één samenvoegen, tot die éne onaardse materia: het water-vuur, het hemelse Zout, in zijn hoogste vorm.  

Hart en hoofd moeten door deze tinctuur gereinigd worden als een gouden- en zilveren werkzaamheid, als een edele negatieve en een edele positieve werking, en dan vloeien zij ineen tot de ware Materia, waaruit de Hemelse mens opstaat. 

De zevende graad is dus het in het vuur beproeven van de kandidaat, het aan het vuur toevertrouwen van hart en hoofd en pas wanneer daaruit de reine, hoge twee werkingen voortkomen is de tinctuur juist bevonden.  

De zevende graad is hier dus ook, zoals in het Scheikundig Huwelijk: een ondergaan en bewijzen of de toebereiding zijn arbeid heeft gedaan. 

Een juiste koagulatie of stolling bewerkt een evenredige macht tussen alle krachten in de mens. Hij staat daardoor voor zijn beslissing, of hij het vuur van de zevende graad ontvangen wil of niet. In de werkelijke kandidaat is er geen tegenwerking meer, geen enkele kleur of trilling stijgt boven de anderen uit: hij is gereed voor de komende beproeving. 

Iedere kandidaat moet allereerst door de verkalking of ver-assing tot een alcohol worden, zegt Paracelsus, een water waarin vuur brandt. Men noemt alcohol ook wel eens: levend water. Water waarin het vuur-element broeit. 

Dan moet de sublimatie deze alcohol van zijn onzuiverheid bevrijden en het maken tot een lichte, spirituele stroom. 

Paracelsus duidt hier duidelijk op het begin van het proces, waarbij het hart - de wateren des mensen - moeten worden tot een bezielde materie, waardoor de Geest ingang kan vinden. 

Deze bezielde materie moet door de verrotting en de destillatie tot een onbrandbare en onverwoestbare materie worden, wiens tinctuur nimmer meer haar kleur verliest en zodra dan het "kleuren" begint, doordringt zij zèlf, in het vuur, haar eigen materia. 

Uit de kandidaat zelf moet dus de kleur komen die uiteindelijk de verandering van zijn wezen zal bewerken. 

Zoals gezegd: dit goud, deze gouden kleur, is ingeboren. 

Vanuit het innerlijk van de mens moet het goud opstaan, levend worden om hem geheel en al te doorstralen. 

En dit kan slechts gebeuren wanneer de kandidaat zich overgeeft aan het zesvoudige voorbereidende werk. 

Het is vanzelfsprekend dat slechts een individuele werkzaamheid zulk een ingrijpend proces kan bewerken, want WIE zou voor de ander al deze handelingen kunnen verrichten? 

Het is echter wel noodzakelijk om te onderzoeken wààr we zijn gearriveerd in zulk een proces: is er een innerlijke beroering in ons, zijn wij reeds geworden tot alcohol, dat mercuriaanse, vurige water, dat begin van het Hemelse Zout? 

Zonder dat opbrekende, vurige element in zijn innerlijk wordt de kandidaat nimmer een aangeraakte, een door de Geest bezielde. Waarmee zou de Geest in contact moeten komen? 

Is de Geest niet als een alomvattend vuur? 

Maar vuur grijpt het water niet aan, zegt Paracelsus, zij grijpt slechts dat vurige atoom in de wateren aan. 

Wij zijn als mensen van water en vuur, zwart vuur, donkere wateren. Het vuur moet doven, de wateren moeten de vurige oorspronkelijke atoom van het Heilige Vuur opnemen om van daaruit verder te kunnen arbeiden. 

Het gaat weer om dat ondefinieerbare HET, hier is het een spiritueel HET, een spirituele drijfveer, die de kandidaat bemoedigt om over de berg der belemmeringen héén te klimmen. 

Zonder deze spirituele bezieling bereikt geen enkele kandidaat de overkant van de Jordaan! 

Alle kennis, alle ijver, alle arbeid zullen voor niets blijken te zijn wanneer de Geest geen binding heeft kunnen verkrijgen met het atoom des geestes in de gemoeds-wateren des mensen. 

Een negatief gepolariseerd mens kan daarom direct een bevoorrechte worden zodra hij dit atoom des geestes opgraaft uit zijn gemoed. Het hart is de poort des Heren. Vanuit dit hart begint alles, de negativiteit, de bezetenheid van het fanatisme, maar ook die machtige bezieling, waar geen begrip voor is bij de massa-mens. 

Een on-geestelijk, onbezield mens verstaat de bewogenheid van de Geest-mens niet. De bewogenheid van zijn gemoeds-kracht komt niet voort uit emotionele aandoeningen, maar uit de Geest die zijn wateren beroert. Hij wordt als een Bethesda: een Boodschapper Gods raakt zijn innerlijke wateren aan en daardoor kan hij spiritueel helen, heiligen. 

Deze ondefinieerbare geestkracht, dit atoom Gods is als het goud, zij is ingeboren in de wateren van de spirituele mens. 

Geen enkele Lichtzoon kan menen dat hij zulk een atoom niet bezit, want hij getuigt daarvan door zijn leven: zijn onrust, zijn zoeken, zijn strijd bewijzen het. Hij gunt zich echter maar al te dikwijls niet de tijd om stil te staan bij een juiste aanwending van de macht van dit atoom des geestes! 

Het zoeken in literatuur, in leringen, in bewegingen naar een antwoord op die innerlijke beroering heeft geen enkele zin zolang de pelgrim dat atoom niet heeft herkend en zijn werking bepaald.  

Men moet stil worden, nà de ver-assing, of de herkenning van deze geestatoom-werking moet de kandidaat tot sublimatie komen, hij moet zichzelf tot de orde roepen, zichzelf voorhouden dat hij in dit leven is geplaatst alléén om dat atoom tot activiteit en vorm te brengen. 

De meeste mensen gààn aan de beroering van dat atoom voorbij, zij willen zijn aanraking NIET erkennen, omdat zij WETEN wat er op volgt. 

Intuïtief wéét de Lichtzoon immers wat hem te wachten staat?  

Niemand ontkomt aan de opgave van zijn Hemelse Vader! 

En zij, die dit wonderbare atoom in hun gemoed meedragen, zij zullen verontrust, en gepijnigd worden, totdat zij luisteren willen. 

Het gaat er nu maar om, in hoeverre u bereid bent uw eigen staat van gevallen Lichtzoon te erkennen. Uw innerlijke goud is u ingeschapen. 

U nam het mee uit uw oorspronkelijke Rijk! 

U kunt het bezoedelen, bedekken, maar ééns zult u gehoor moeten geven aan die sterke trillingskracht! 

Want het goud kleurt u van binnenuit. Als een proces, als een heilig moeten, en hij, die de werking van dit goud-atoom in zich gevoelt, wéét dat hij de vuren niet ontlopen kan.  

Hij, die het proces van Paracelsus wil opvolgen, en dat willen wij allen, anders hadden wij ons nooit tot een transmutatio-leer gewend, zal niet meer op de vlucht kunnen gaan voor zichzelf. Indien het goed is volgt die opbrekende brand van dat minimale atoom u tot aan het einde der wereld, opdat u zich omwenden ZULT. 

Hij, die zo opgebroken wordt, gezegend is hij. 

Moge zijn werken voor hem getuigen!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene