101

De alchemische werkwijze van Paracelsus heeft heel wat geleerden problemen gegeven. 

Al-chemie betekent niets anders dan het omzettingsproces binnen het universum. Het natuurlijke proces dezer omzetting voltrekt zich zonder toevoeging van het hemelse zout, dat speciaal toegevoerd wordt tot omzetting in een hemels Lichaam.  

De ego-omzetting voltrekt zich zodra dit de reine natuurwetten volgt en zich niet langer verlaagt tot een degeneratie. Het zichzelf voeden met de levens-elementen van mede-schepselen bevordert deze degeneratie en vuur brengt de mens onder de grens van de natuurlijke adeldom. 

De natuur is - als eerste schepping - edel, in haar is het zonnebeginsel besloten, waaruit de koninklijkheid, de adeldom wordt voortgebracht.  

Deze adeldom is nooit een kwestie van geld, noch van opvoeding, maar zij is ingeboren. Innerlijke adeldom is het zich in meerdere of mindere mate bewust zijn van de oorspronkelijke wetten en zich daar intuïtief aan binden. 

De gehele procesmatige transmutatio van Paracelsus is gebaseerd op deze natuurlijke adeldom van het ego, en zij die deze ingeboren adel niet bezitten kunnen de kern van Paracelsus' betoog niet vatten. 

De leringen die nog niet bestemd zijn voor het onreine ego blijven automatisch toegesloten, omdat het ego hun sleutel niet bezit. Iemand die ParaceIsus' uitleggingen onverteerbare kost vindt, is nog niet aan zijn verborgen leringen toe. Alle graden en alchemische methoden hebben betrekking op de herschepping van ego èn ziel. 

Innerlijk edele mensen zoeken intuïtief de weg terug tot hun oorsprong. Zij houden zich intuïtief afzijdig van degenererende experimenten, maar de neergang dezer natuur kan wel van invloed zijn op hun levens-instelling; men wordt - of men wil of niet - geïnjecteerd door de degeneratie. 

Ieder mens is afhankelijk van de samenstelling dezer noodorde, men kan zijn levens-omstandigheden wijzigen, men kan de meest gunstige voorwaarden zoeken, maar men blijft gebonden aan de wetten dezer natuur. 

Wij kunnen niet voorkomen dat een zonsverduistering ons aurisch licht verzwakt, noch dat zonnevlekken irritaties in onze aurische trillingen oproep, wij reageren daarop zonder ons ervan bewust te zijn. 

Vandaar dat een algehele milieu-vervuiling invloed heeft op onze levenshouding; ons denken, geïnspireerd door de aurische trillingen wordt dus geremd door gedegenereerde natuurlijke omstandigheden.  


Wanneer u in de pers gelezen hebt dat het Rijnwater bloed bevat van miljoenen geslachte koeien en varkens, dan moet u direct begrepen hebben dat ook van deze zijde de mens, via zijn drinkwater, gedwongen meedoet aan een degeneratie-proces. De wil tot ziele-verlossing of innerlijke adeldom wordt ons ontnomen, omdat wij opgeslokt worden door het logge dier van de massa. Deze massa wordt noodgedwongen steeds groter, omdat aan de individuen op zeer geraffineerde wijze de vrije wil wordt ontnomen. 

En indien het individu zijn vrije wil op het blok van deze maatschappij legt, behoeft hij niet eens meer aan een proces van omzetting te beginnen. 

Zowel het ego als de ziel zijn afhankelijk van de individuele vrijheid. Het ego is onderworpen aan de noodorde, omdat het daarin van Godswege werd geplaatst, en het daarin al zijn mogelijkheden verborgen vindt. De ziel is afhankelijk van de toevoer van het Hemelse Zout dat nederdaalt op de roep van een reine natuur. 

Het bezingen van de dauw door de middeleeuwse alchemisten heeft een zeer diepe betekenis. 

Reine dauw is een gave des Hemels. Maar een onreine natuur ontsteelt deze dauw haar weldadige werking. 

Een onrein ego verstaat niets van ziele-Ieringen hij reageert niet op de hemelse dauw, het hemelse zout, dat in zulk een lering besloten ligt. Met een onrein ego kan men allerlei leringen bestuderen, het intellect overladen, het sentiment laten wegzwijmelen, maar men dringt nooit tot de kern van het universele alchemische geheim door. 

Daarom behoeft men een mens nooit iets te verbieden, het bewustzijn van zijn ego en de levensgradatie van zijn ziel leggen hem reeds verboden op, dan wel ontheffen hem daarvan. Maar de huidige degeneratie der natuur trekken instinct, intuïtie en geweten uit hun balans.  

Het is niet meer zo vanzelfsprekend dat de hoogstaande mens direct gevolg geeft aan zijn intuïtie en zijn geweten, hij zal dingen gaan doen die hem eigenlijk tegenstaan en waarvan hij niet begrijpt HOE hij ze doen kan, toch doet hij ze. Dit is een verschijnsel dat wij in de toekomst steeds sterker op de voorgrond zullen zien gaan treden, de mens krijgt injecties toegediend, via zijn voedsel, via zijn ademhaling, via zijn aurische veld, die hem vreemde, d.w.z. buiten hemzelf ontstane, beelden opdringt. 

Een mens kan een principiële levenshouding voeren, zonder zijn medeweten worden zijn principes van een andere zijde ondermijn, met alle gevolgen daaraan verbonden. 

U zult begrijpen dat de hedendaagse publiciteitsmedia een ideaal materiaal zijn in de handen en hoofden van de mentale en natuurlijke vervuilings-moloch. 

Wij raden u daarom aan altijd zéér selectief, en zeer streng met dit medium om te gaan. Het oog is een magneet en zuigt dus instinctief de trillingskracht der beelden op, daarom is beelden-reclame zeer effectief, vooral wanneer zij samengaat met een klank. 

Zij worden in ons aurische veld geëtst en wel op zodanige wijze dat wij deze pas weer kwijt raken wanneer het doel van het beeld door ons verwerkt, uitgedragen is.  

Hetgeen wij aurisch opnemen, moet verwerkt worden in hoofd en hart. 

Terwijl wij intensief luisteren of kijken is onze wil ingeslapen, vandaar dat wij een gewillig medium worden voor alles wat ons wordt overgedragen, zelfs onbewust.  

Innerlijke adeldom kan een bescherming zijn, mits zij vergezeld gaat van een bewustzijn en een wil. 

_______________


Aan al deze dingen dachten wij toen wij ons verdiepten in de zesde graad van Paracelsus: de koagulatie of de stolling. 

Er zijn twee vormen van stolling: door de koude of door de hitte. 

Al deze zielloze d.w.z. koude koagulatie-methoden, gelegen in de gedegenereerde natuur, ontneemt ons de zielvolle of warmte-koagulatie. 

Dit koagulatie-proces zien wij in de aarde, waar steen, kiezel, ijzer en andere mineralen het gevolg zijn van een koagulatie in de aarde. Sneeuw, ijs, hagel zijn het gevolg van koagulatie-processen in de lucht. In ons individuele alchemische laboratorium kunnen wij dezelfde processen terugvinden. 

Alle verhardingen zijn het gevolg van koagulatie. 

Iedere verstening, - zoals de parel in de oester - is een ziekte, zo deze een vreemd lichaam vormt in het organisme. 

De verharding onder invloed van de koude of de zielloosheid, zal voor de spirituele mens een waarschuwing betekenen. 

De koagulatie van Paracelsus, zoals men eveneens in de verborgen Tarot-symboliek herkent, brengt een keuze: of men koaguleert door het innerlijke vuur, het hemelse zout der alchemisten waardoor een vuurprincipe ontstaat dat nooit meer vergaat, of men koaguleert door de koude van een uiterlijk, een zielloos vuur, waardoor het ontstane lichaam niet onvergankelijk wordt, maar wederom uiteen kan vallen. 

Paracelsus zegt: dat water geen vuur kan koaguleren en vuur geen water. Beide moeten eerst een overgangsstadium bezitten, en dat betekent altijd dat het vuur een waterprincipe moet bevatten en het water een vuurprincipe. 

Een ziele-mens beantwoordt aan deze voorwaarden: het is niet belangrijk of hij een negatief type dan wel een positief type is. Als hij maar dàt onontbeerlijke water-vuur element der ziel bezit. 

Hierdoor kàn hij koaguleren, stollen tot een vast hemels lichaam. Het is met de oplossing - de derde graad - hetzelfde als met de stolling of koagulatie,  beide werkingen kunnen pas plaatsvinden zo het materiaal of, zoals bij de oplossing, water is geweest, zoals bij de stolling, ééns vaste materie is geweest. 

Dit klinkt misschien ingewikkeld, doch het is het niet. 

Deze woorden bevestigen slechts hetgeen wij zeiden van de herinnering der metalen: niets en niemand kan worden tot hetgeen hij nimmer is geweest. 

Er moet altijd een herinnering, een oer-element aanwezig zijn, wil men tot een oorspronkelijke vorm terug kunnen keren. 

Hetgeen van de aarde is keert terug tot de aarde, hetgeen van de hemelen is verheft zijn vleugels tot de hemelen.  

Maar al deze uitspraken zijn gebaseerd op een wet van de reine natuur, en kunnen niet meer van toepassing worden op een natuur die onder de scheppingsvoorwaarden uitgezakt is. Het "zo boven zo beneden", geldt ook in deze betekenis. Degeneratie der natuur brengt degeneratie van het organisme. Waardoor de menselijke zintuigen hun scherpte zullen gaan verliezen: zijn reuk, zijn smaak, zijn gezicht, zijn gehoor en zijn gevoel worden grover, vandaar dat hoge geestelijke trillingen steeds moeilijker ingang zullen vinden. 

Onze aardse zintuigen zijn onvolkomen, omdat zij van de natuur zijn, maar daarom zijn zij wel kundig, ingesteld op een natuurlijk waarnemingsvermogen.  En alle begin ligt in de natuur, in het zo veelomvattende ego met zijn natuurlijke organisme. 

Men kan nooit iets loochenen, men kan hoogstens iets verfijnen. Deze verfijning van het ego heeft niets met cultuur te maken, maar wij menen hiermee: het ego beslist NIET laten koaguleren door de ziel-loze trillingen der materie, want bij de ziele-mens moet de ZIEL koaguleren tot een hemels lichaam. 

Flegmatische mensen, trage naturen, zegt Paracelsus, kunnen niet koaguleren, tenzij zij eerst materie worden. Anders gezegd: " Zo gij lauw zijt, zal Ik u uit Mijnen Mond uitspuwen." 

Men moet òf heet òf koud zijn. 

Mensen die door niets worden beroerd noch door de hitte noch door de koude, zijn niet spiritueel, maar LAUW.  

Dit is de degeneratie van de neutraliteit. 

Men kan zich neutraal opstellen tegenover de inwerkingen der degeneratie, maar deze neutraliteit moet altijd zijn als een koude, een muur waarop alles afspringt.  Terwijl men tegenover de spirituele werkingen warm, geïnspireerd moet staan. 

Denkt u eraan dat uw neutraliteit niet ontaardt in lauwheid, onberoerdheid in de zin van onverschilligheid.  

Òf men wordt aangeraakt, geïnspireerd, door dè Geest, òf men wordt geïnspireerd door de materie. Een tussenweg bestaat er niet, hetzij dan dat men lauw is, een verwerpelijke toestand, die niet kan meewerken aan enig omzettingsproces. 

Hoeveel mensen onder invloed van deze degeneratie der natuur zijn heden lauw geworden?  

Lauw kan men worden uit angst, uit zelfbescherming, maar dit is een misvorming, een ziekte-toestand die de ziekelijke verstening wil vóórkomen.  

Lauwe mensen zijn zelden ziek en hebben zeker geen verhardingsziekten. Een verharding is de koagulatie van de reactie op de omstandigheden. 

Vergiftiging is een vuur-koagulatie, verstening is een water-koagulatie. Doch beide koagulaties zijn voltrokken door middel van een trilling, een vuur-inwerking. Beide verschijnselen zijn òf te danken aan de vuurwerking van het denken, òf de vuurwerking van het hart. 

Ieder mens neemt - bewust of onbewust - deel aan het zevenvoudige ego-proces van Paracelsus, waarbij het ego verziekt, dan wel veredeld wordt. 

Alle tegennatuurlijke vormen in het lichaam, in het organisme, in denken en gevoelen zijn het gevolg van een mislukking binnen dit zevenvoudige proces. 

Een verhard ego, een keiharde materialist, die in zijn ikzucht de Goddelijke Bron vergeet, is een verziekt mens, een misvorming. De aanbidding, en verbondenheid met de Bron is de natuur ingeschapen. Verliest men deze dan is men een gedegenereerd mens. 

Religie in de vorm van verbondenheid met den Schepper moet in de mens aanwezig zijn, wil hij succes hebben met een ziele-omzetting. Ontvalt de mens deze ingeschapen gave dan verzandt zijn denken en gevoelen in de begrenzing der intellectualiteit. Hij gelooft niets meer, omdat de bron die zulk een geloof schept niet meer actief in hem aanwezig is. 

Ontaarding van deze ingeschapen geloofsbron brengt misvorming van de hart-werking, men gelooft om het geloven zelf. 

Beide uitingen, de intellectualiteit zowel als de overdreven mystiek, zijn ziekelijke aandoeningen. En juist omdat de natuur dermate vervuild en onevenwichtig is, komen deze beide storingen zo veelvuldig voor. 

Het overgrote deel der mensheid is onbewust ziek. 

En zieke mensen zijn gemakkelijk te regeren, hetzij door dwang, hetzij door sentiment, hetzij door de karwats. Er is slechts een kundig, intelligent arts nodig om een methode uit te vinden. 

Maar mensen met een vrije wil, en met een rein, gezond ego, geïnspireerd door ziele-impulsen, zijn niet zo gemakkelijk te regeren, omdat zij geleid worden door de Geest.  

Uit dezulken komen maar al te dikwijls martelaren voort, niet omwille van het martelaarschap, maar omwille van hun ingeboren adeldom, die slechts de innerlijke wet van Gerechtigheid - Waarheid - Liefde en Wijsheid, erkent. 

Zo deze mens zich niet laat misleiden door de pijn van zijn ego, maar hij zich overgeeft aan de intelligentie van zijn ingeboren adel, zijn ziele-goud, zal zijn Weg hem toebereid worden. 

Onthoudt deze woorden en ga met God, koninklijke mens!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene