5 - Prometheus

Wij zouden met u wat dieper in willen gaan op het doel van de gemeenschappelijke arbeid, dat wil zeggen: wij zouden u graag uit willen leggen waarom wij juist een Gemeenschap gevormd hebben en geen school, vereniging of groep. 

Dit funderen van een Gemeenschap heeft een vooropgezette bedoeling. 

De meesten van ons hebben een School achter zich waarin hen de leringen van Transfiguratie onderwezen werden, zij doorliepen binnen die School diverse klassen, en na elke bevordering werd verondersteld dat de leerling meer zou weten omtrent de leerstof. 


–––––––––– 


Vanuit die verschillende klassen werd nu de gemeenschapsgroep gevormd, en er werd de leerling niet gevraagd uit welke klas hij kwam, en of hij bevorderd was of niet, neen, in de Gemeenschap heeft elk lid zijn eigen plaats. Die plaats komt hem toe wegens zijn innerlijke bewustzijnsstaat en zijn spirituele mogelijkheden.  

Men kan een gemeenschap zien als een Lichaam, waaraan de leden hun eigen plaats en hun eigen werk zoeken. Wanneer er geen leden zijn is het Lichaam een nutteloze romp die geen taak verrichten kan. 

En het is niet meer zo, dat de Leden verantwoordelijk zijn voor het Lichaam, neen, de zaak is nu omgekeerd: het lichaam is verantwoordelijk voor zijn leden. 

Het moet voeding toevoeren, opdat de leden werkzaam kunnen zijn. En mèt het toedienen van het geestelijk voedsel, deelt het Lichaam zijn eigen Kracht, zijn eigen Gedachten en zijn eigen Opdracht mee aan de leden. 

Vroeger werd u gezegd: uw staat-van-zijn is verantwoordelijk voor het Krachtveld, waarmee de voornaamste taak van het Lichaam afgewenteld werd. 

Vormen wij tezamen als Gemeenschap echter het Lichaam, dan is niet het individu langer verantwoordelijk, maar de som van onze gezamenlijke Arbeid.  Kijk eens, wij dragen geen van allen schuld aan de onvolmaaktheden van onze huidige persoonlijkheid. 

Wij zijn in dit leven geboren omdat wij er een arbeid, een taak te vervullen hadden, dat werk voeren wij uit in aansluiting op de microkosmische erfenis die in ons achtergelaten is. 

Die microkosmische erfenis, aangevuld met huidige levenservaringen dreef ons tot een Gnostiek Bewustzijn. 

Maar dat wil niet zeggen dat wij de verantwoording op ons kunnen nemen voor een spiritueel Krachtveld, dat zou het degraderen worden van het spirituele Veld, want wij allen falen van keer op keer, en elke keer àls wij falen zou het Krachtveld schade berokkend worden! 

Dit willen wij voorkomen!  

En daarom zeggen wij u: Onze gezamenlijke spirituele uitkomst bepaalt ons Krachtveld. En deze steun schenkt ons de mogelijkheid der Liefde-wet, waarin elk Lid onbewust wel eens falen màg! 

Ons gezamenlijke werk moet zo hecht en lichtend zijn, dat wij het falen en de tekortkomingen van onze leden kunnen opvangen. Dat Krachtveld van ons moet zijn als een rubber bal die steeds weer de oude vorm hervindt. 

Wij moeten niet het verborgen Pad van Wijsheid bewandelen met in ons die spanning van de angst: zou ik het Krachtveld mogelijk schade berokkenen? 

Zulk een suggestie werpt ons terug op ons zelf, bepaalt ons bij ons eigen ik, bij onze eigen tekortkomingen en zo wordt de mens zichzelf-zoekend, en dus middelpunt-zoekend. 

In deze Gemeenschap willen wij uw blik slechts bij bepaalde omstandigheden naar binnen richten, wanneer uw innerlijke Kracht gevraagd wordt, wanneer u uzelf schouwen moet! 

In alle andere omstandigheden trachten wij uw blik omhoog te trekken naar de Top der Bergen, trachten wij uw interesse voor de mensheid rondom u voor dat grote onzichtbare en zichtbare Leven rondom u op te wekken, en u dus middelpunt-vliedend te maken. 

Het Lichaam, de Gemeenschap , vult zichzelf met Kracht uit de Lichtbron, zij ademt die Kracht in, maar de leden ademen die Kracht wederom uit! 

Door elk onderdeel van de Gemeenschap, door elk lid stroomt die Kracht naar buiten en als het lid zo intens op zichzelf gericht is, kan hij niet op de juiste wijze uitademen. 

En daarom zeiden wij dat allen, alle leden, de onzelfzuchtige hoop moeten bezitten om uit dat Lichaam een Ridder Roseae Crucis te zien opstaan. 

Men kan niet meer tegen een lid zeggen: u bent ikcentraal, u moet zich veranderen. 

Als de voeding goed uitgebalanceerd is zal het lid zijn werk doen op de wijze die hem aangeboren is. Men zegt niet tegen de voet: verander en wordt een hand! Het Lichaam is gelukkig wanneer alle leden hun eigen werk verrichten zoals zij het verrichten kunnen. 

En dan zal het Lichaam zich harmonisch bewegen en gezond blijven en zo Licht en Kracht kunnen opnemen ten bate van allen. 


–––––––––– 


Als het lid, de kandidaat dan zijn blik van zichzelf af trekt, en zijn zintuigen, door middel van de voeding-uit-het-Lichaam, ontwaken, ziet hij een nieuwe wereld voor zich. 

Het is als het uitzien uit het venster van een gevangenis: opgesloten in het eigen zelf, druk doende het Pad te gaan, aldoor bezig zijnde om de obstakels te omzeilen, verloor de kandidaat de zin voor de realiteit. Hij bouwde zich een eigen realiteit waarin geen plaats was voor de andere mensen, "de minder bevoordeelden!" 

Maar nu, in een Gemeenschap opgenomen, gaat zijn houding veranderen: hij wil uitdragen, handelen, het Lichaam van dienst zijn. Die plotselinge expansie beneemt hem de adem, al de zo lang gebonden innerlijke Kracht welt in hem op en vertelt hem hoe te doen, hoe te reageren. De ikversterving is voor hem geen probleem meer, de vreugde om de innerlijke kracht die plotseling als een bron in hem opwelt, maakt hem los van dat ik, werpt dat oude gewaad van hem af, en hij ziet er op neer en lacht erom!  Want nu zijn er weer wijdse verten, nu is daar weer het verlangen om opwaarts te klimmen, nu is daar wederom die toevoer van Lichtkracht, waarmee hij arbeiden kan. En dat is het ogenblik waarop deze mens zich bewust wordt van een opdracht; hij heeft nu duidelijk ervaren dat het Licht hem aanraakt, dat het door hem heenstroomt als bij een waardevol lid, en nu wil hij die krachtbron gebruiken!  

En dit is nu juist de Prometheus-gedachte! 

Een Prometheus ziet niet op zichzelf, hij ziet naar zijn naasten en wil zich offeren terwille van hen. Omdat hij weet dat hij het Licht bezit, al is het maar een vonkje, en omdat hij weet dat hij de innerlijke Kracht ontvangt om het Vuur te benaderen, wil hij omhoogklimmen en dat Vuur gaan halen! 

Hij is uit zichzelf losgerukt, en dan zegt men: Prometheus is opgestaan!  Dat wil zeggen: de kandidaat is ontwaakt uit zijn geestelijke ikgerichtheid en hij ziet de nieuwe wereld.  

Zijn blik gaat dwalen over de landen, op zoek naar de Heilige Top waarop het Vuur brandt. Zijn handen gaan het gevest van het zwaard-kruis omklemmen en door heel zijn wezen tintelt die onaardse Kracht, die hem bezielt tot zijn daad. 

Dat is Prometheus, de vooruit-ziende. En hij weet dat hij - door dit Vuur te gaan halen - geketend zal worden aan de rots, maar het deert hem niet!  

Hij leeft in de onzelfzuchtige Hoop, en in de onzelfzuchtige Vreugde en in de onzelfzuchtige Liefde. De tijd van het met zichzelf bezig zijn, ligt achter hem, nu treedt hij de wereld, de belemmeringen en de vreugden tegen. Hij roept niet: Heer, geef méér Licht, want ik ben blind! Neen, hij is het volwaardige lid dat tegelijk met het Lichaam alle sappen indrinkt, en hij is de reflex, het spiegelbeeld van het Lichaam, van de Gemeenschap.  

Alle kracht die zich uitstort in de Gemeenschap wordt via hem naar buiten gedragen, en hoe intensiever de gemeenschappelijke Arbeid wordt, des te krachtiger het Licht en des te helender, productiever de werkzaamheid in alle leden zijn zal. 

Dan kan het niet meer gebeuren dat een lid zegt: ik ben vermoeid van het Licht uitdragen, ik gevoel mij innerlijk verstopt, verhard, wààr is mijn innerlijke Bron? 

Als een machtige stuwkracht stroomt dan bij bepaalde gelegenheden die kracht door de weifelende leden heen en ziet: zij ontwaken in de Nieuwe Morgen. Heel hun wezen wordt omgekeerd; als een energiestroom van hoog voltage wordt het Licht door hun wezen gevoerd en zij worden open gebrand!  

Daarna weet de kandidaat weer wàt te doen, daarna is hij opnieuw verbonden met het Licht der Lichten en wordt heel zijn denken, gevoelen en willen naar buiten gericht. 

Het verstikkende gevoel van vastgelopen te zijn in de complicaties van leer en leven is weggenomen. 

De leer is het Leven geworden, en hoofd en hart strijden niet meer om de eerste plaats. Het harnas van Prometheus wordt dan omgord, het zwaard wordt in de hand genomen, er wordt in de etherische velden van het spirituele Leven naar de Olympus, de Mont Salvat gezocht, en - met zijn medebroeders en zusters - met al die anderen die Prometheus genoemd worden, bouwt deze mens aan de verwerkelijking in het astrale veld. Hij bouwt in de wereld der Hoge Verbeelding aan het Pad dat hij gaan moet! 

Als een vooruitziende meet hij de belemmeringen, als een realist wapent hij zich daartegen in het gewone levensveld. 

Want datgene dat hij ziet in het onzichtbare zal straks in het zichtbare geboren worden. Dan moet hij kláár zijn, dan moet hij voldoende spankracht bezitten om het Vuur in al zijn aanzichten tegen te treden.  

Op dezelfde wijze gaat het nu met de Gemeenschap als geheel. Zij is geboren uit de Prometheus-gedachte: de berg beklimmen - het Vuur halen -, en daarna geketend worden aan de rots, het zij zo! 

Daarom ook is het dat elk lid zelfstandig moet handelen, zelfstandig moet denken uit de voeding die hem via het Lichaam wordt toegevoerd. En toch zijn al die denkwerelden, zoals wij u zeiden, één in harmonie, want elk lid vond vrijwillig, uit innerlijke hunkering en behoefte de plaats die hem toekwam! En op die plaats behoren zij en arbeiden zij, die plaats heeft hun gehele liefde en zij doen slechts datgene wat binnen hun vermogen ligt. 

En zij kijken niet naar de andere leden en denken: ik ben de voet, maar ik zou liever de arm zijn! 

Neen, zij zien allen op naar de top van het Lichaam in de onzelfzuchtige hoop dat uit de Graal de Ridder Roseae Crucis zal opstaan tot het eeuwig heil van allen! 

En die top van het Lichaam is geen persoon, geen autoriteit, o neen, die top wordt gevormd door de som van ons aller inspanning! Die top bestaat uit het innerlijke werk van u en van wij!  En daarom hebben wij daar allen een binding mee, die top, die kroon wordt gevormd door de offering van ons aller Liefde, door die intense samenbundeling van onze eigen innerlijke Lichtkracht en dat omhoog en verder stuwen van die trillingen. 

Wij zijn niet langer scheidbaar, wij zijn nu waarlijk te samen opgenomen in het spirituele bouwwerk, en bovendien leven wij daar zèlf uit! 

Mèt dat optrekken van het Bouwwerk groeien wij allen spiritueel, zou het Bouwwerk instorten, wel, versta dat toch! dan stort ons Leven, ons innerlijke Leven tevens ineen! Het is niet meer zo dat als u of enkelen van ons falen het Krachtveld verzwákt! 

Neen, zeker niet, in die tussentijd zijn anderen zo gerijpt dat zij hun zwakke broeders kunnen opvangen, hen desnoods doen herstellen of hun falen teniet doen. 

Dat wil nu zeggen: de sterken helpen de zwakken! 

Maar bouwen wij tezamen, als een groep van zelfstandig denkenden en scheppenden niet meer, dan gaat ons de leegte aanstaren en zullen wij zelf ledig zijn.  

Daarom kunnen wij met vreugde zeggen: wees gerust en blijmoedig, zolang de Kracht zich, door onze gezamenlijke inspanning, aan ons bekend maakt, zolang deze kleine Tempel zich vult met de gloed van het Licht-der-Lichten, dan behoeven u geen gevaren te deren, dan zal de afgrond u geen schrik kunnen aanjagen, dan zal - ten allen tijde - dit Licht en deze Kracht door het Lichaam stromen tot in zijn leden, àllen zullen hun taak verrichten en niemand zal onwetend blijven. En de zieke ledematen zullen gezond worden, en de verlamden nieuwe energie ontvangen en de doven zullen plotseling het ruisen van de nieuwe melodie vernemen en de blinden zullen de Berg Mont Salvat uit de nevelen zien omhoog rijzen! 

Dàt kan het resultaat van een gemeenschappelijke arbeid zijn!  Niet langer ploeteren en wachten op het vónkje hoop in de eigen vorderingen, niet langer gevangen zitten in het eigen wezen en uitzien naar verlossing! 

Neen! Tezamen arbeiden wij voor één verlossing ten bate van ons allen!  En niemand zal naar namen vragen, want binnen het Lichaam verliest elk lid zijn naam om er die éne, grootse naam voor in de plaats te ontvangen: Prometheus!  

En de hand zal niet zeggen: zie, wat ik doe en de voet zal niet zeggen: zie mijn werk, dat is belangrijker! 

Zij dienen allen het Lichaam, zij ontvangen allen hun leven en hun mogelijkheden uit dat Lichaam en daarom zal de geboorte van de Ridder Roseae Crucis een aangelegenheid zijn vàn dat Lichaam. 

Het Lichaam is van allen. en allen zijn van het Lichaam. 

En de Kracht stroomt in en stroomt uit, als een leven schenkende ademhaling. 

Vraagt een mens wáárom hij ademt? 

Neen, hij moet, terwille van zijn leven. 

Wel, zo is het ook bij het Lichaam en de leden.  

Zij ademen in en zij ademen uit en gelukzalig hij die binnen hun ademveld vertoeven mag! 

Zo zullen de mensen over u gaan spreken, Prometheus! 

Zoon van het Vuur! 

Breng uw Liefde-offerande en haal het Vuur! 

De sterren zullen u een loflied zingen en de bergen zullen voor u neerknielen, maar gij zult het niet zien, want het Aurora strijkt juist over de top van de Olympus en toont zijn pracht: 

Welaan dan, kandidaat, Prometheus, de handeling is aan u!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene