Het onsterfelijke vermogen

Het onsterfelijke vermogen is een bezit waarop die mensen kunnen bogen, die beschikken over een Sophia- en/of een Pistisziel.

Het is een onsterfelijke energie die de gehele kosmos bijeenhoudt en die dus werkelijk alle tegenstanden, alle afbraak kan overwinnen.

Het heeft te maken met licht. Elke god, van de hoogste tot de laagste, is een lichtconcentratie en het zijn de kwaliteiten en de kwantiteiten van dit licht, die de macht en de kwaliteiten van de godheid bepalen. Elke zichtbare schepping is een materialisatie van zulk een lichtkracht of godheid.

Zoals de mens iets kan materialiseren en deze materialisatie afhankelijk is van zijn lichtkracht. Niet de hoeveelheid, maar de intensiteit van dat licht geldt.

Als we dus zeggen dat b.v. Heermoes een Saturnusplant is, dan wil dit zeggen dat de lichtkracht van Saturnus, de godheid, niet de planeet (die op zichzelf een materialisatie is), de plant heeft geschapen. 

Elke schepping is dus een gedeeltelijk gematerialiseerde godheid en dat is nu precies wat de mens ook is: hij is een gedeeltelijk gematerialiseerde schepping van zijn godheid.

Uit die schepping komen aldus de kracht, de trillingen of stralingen van die betreffende godheid en het zijn deze trillingen die onsterfelijk zijn. Alle onsterfelijke trillingen zijn 'goed', dus heilzaam; alles wat 'kwaad' is, is vergankelijk.

Als we b.v. zeggen: "hij kan niet over zijn schaduw heenspringen", dan bedoelen we eigenlijk: 'hij kan zijn eigen godheid nooit verloochenen' en dit is waar.

Het is uiteindelijk deze inwonende godheid die we zg. bevrijden willen. Bij de Sophia-ziel is hij gedeeltelijk, bij de Pistis-Sophia-ziel is hij totaal.

Het is dus begrijpelijk dat bij de Sophia-ziel, de vermogens en de kracht minder zijn dan bij de Pistis-Sophia-ziel, maar daarom niet minder onsterfelijk.

Ons onsterfelijke vermogen is een goddelijke gave, maar aangezien er vele godheden zijn, is de kwaliteit onderling verschillend. Elke schepping heeft een immanente godheid en de schepping die zich het sterkste en frequentste naar het licht keert, heeft de machtigste immanente godheid.

De oude uitspraak 'God is Licht' is een onsterfelijke waarheid; alle goddelijke wezens worden in lichtkracht onderverdeeld.

Hoe minder licht iemand bezit, des te stoffelijker, gematerialiseerde is hij. Dit behoeft niet slecht te zijn, maar kan met zijn functie op aarde samenhangen.

Spirituele kwaliteiten bezit hij echter ook minder. 

Hoe sterker de stof, des te minder deze licht doorlaat.

Als Saturnus in de alchemie klaagt dat hij minderwaardig is, wil dit zeggen, dat hij van alle goden de minste lichtkracht bezit; vergeten wordt echter dat er nog een lagere godheid is en dat is de immanente god van het aluminium.

De alchemie zou eigenlijk moeten beginnen bij het aluminium, inplaats van bij het lood. Aluminium behoort sterker bij de aarde dan lood, het Saturnus-materiaal; aluminium en kiezelzuur zijn grotendeels met elkander verbonden.

Aluminium is een medicijn voor onze darmen, ons meest aan de aarde gebonden orgaan. Het werkt zeer aards en werkt dus niet op ons zenuwstelsel. Terwijl lood dit wel doet.

Vandaar dat de immanente godheid van aluminium lager is dan die van het lood, dus van Saturnus.

De immanente godheid van aluminium is dus zuiver aards en bezit het minste licht; het is een aards, sterfelijk licht, dat veelal door het silicium omhooggetrokken moet worden.

Al deze godheden staan onder leiding van een alomtegenwoordige godheid, of licht; deze kan zich dus vrijelijk in en over, of in en uit de aarde bewegen. Het is een ongebonden en onneembare godheid.

Indien men een poging zou doen om deze godheid aan iets aards te binden, wordt deze gevaarlijk voor de aardse mens, denk hier aan het uranium, het hoogste erts.

Gevaarlijk betekent hier niet kwaadaardig, maar te hoog en daardoor vernietigend voor degenen, die zijn kracht niet kunnen verdragen.

De mens speelt heden met krachten, die de mensheid en ook de aarde niet kunnen verdragen en daarom noemen we deze vernietigend. Het zijn niet de materialen die kwaadaardig zijn, maar het is de mens die ze ofwel verkeerd, ofwel geforceerd, aanwendt. Er is geen kwaad, indien de mens zich aan de kosmische wetten zou houden; het kwaad bestaat niet dan alleen in de mens.

Deze kwaadaardigheid komt voort uit experimenteer-drang.

Experimenteer-drang wordt een kwaad, indien daarbij bepaalde wetten worden overtreden. Het heeft niets te maken met ethiek of moraal, hetgeen menselijke begrippen zijn, maar het gaat om ijverzucht, het wedijveren met iets of iemand die sterker, hoger, wijzer zou zijn dan jij. Een godheid b.v.

Hoe meer onsterfelijk vermogen je bezit, des te onwilliger je zal zijn om bepaalde wetten te overschrijden. Dan stuiten we weer op het 'tot hiertoe en niet verder', bezoedel het heilige niet, verontheilig niet hetgeen je eerbiedigt, enz.

Het is een inwonende kosmische wet die gelijke tred houdt met de onsterfelijke godheid, of het vermogen.

Het onsterfelijke vermogen straalt uit de blik van een mens, het is uitsluitend de blik die dat licht door kan laten. Dus 'het oog is de spiegel van de ziel' is een onsterfelijke waarheid.

Bij planten en dieren is het zo: hoe onaardser hun wezen is, des te sterker het onsterfelijke vermogen. 

Edele dieren en sommige soorten van dieren bezitten het. 

Het is een teken dat ze niet op aarde thuishoren. 

Dit vermogen gebruiken is een voorrecht, want een mens moet zich allereerst bewust daarvan worden.

Hoe wordt je je daarvan bewust?

Door na te denken, attent te zijn op verschijnselen, niet denken op de intellectuele manier, maar op de meditatieve manier, dus overwegen. Het afwegen van het ene tegenover het andere.

En dit heeft niets te maken met diverse meditatie-praktijken van sommige bewegingen.

Elk mens kan ernstig en meditatief afwegen. 

Daartoe behoef je geen cursus te volgen, maar het onsterfelijke vermogen zet je hiertoe aan en leidt je daarin.

Het is een openbaring als je ontdekt dat je een onsterfelijk vermogen bezit, maar helaas zijn velen te oppervlakkig en te verdeeld bezig, om zulk een gebeurtenis in hun leven te kunnen ervaren. Dit wil niet zeggen dat ze het vermogen niet bezitten, maar het wil zeggen dat ze teveel met aardse, dus sterfelijke dingen bezig zijn, om dit immanente vermogen te ontwikkelen.

Ook dit is uit de blik te zien. Maar zulk een levenshouding leidt altijd tot dat bekende 'zich onbevredigd, ongelukkig, of losgeslagen' gevoelen.

Het is de onbewuste wetenschap dat ze datgene verwaarlozen dat ze juist zouden moeten koesteren. Dan krijg je dat bekende vluchtgedrag. Velen vluchten voor de confrontatie en de waarheid. Waardoor ze juist iets verliezen waarnaar ze zoeken.

De immanente godheid met zijn onsterfelijke vermogen vormt de wortels van ons werkelijke wezen, de wortels van ons bestaan.

Lange tijd was het bon-ton in de maatschappij om je wortels te verloochenen, het was het toppunt van materialisme, het toppunt van ongoddelijkheid en verdichtheid.

Nu is als antwoord daarop de nostalgie gekomen in al zijn vormen, maar de aanzet is altijd het 'terug naar de natuur', omdat een reine natuur deze godheid door zich heen laat lichten.

Hoe vervuilder, dus verdichter onze natuur wordt, des te moeilijker het zal worden om het licht van de diverse goden door te laten en des te sterfelijker en kwetsbaarder zij wordt.

Hoe verdichter iets is, des te breekbaarder is het. Het zijn de lichtatomen die iets zijn onkwetsbaarheid en kracht geven.

Als men in de metallurgie zegt dat tin 'schreit' bij het geforceerd buigen, dan is het hier de immanente tingod, de ziel van het tin, die schreit. Zo maakt iedere immanente metaalgod een bepaald geluid, geeft een bepaalde schreeuw wanneer men zijn stoffelijke vorm beledigt.

In onze maatschappij worden deze immanente goden, van hoog tot laag, doorlopend beledigd en deze belediging roept een vloek over ons uit.

Het is deze vloek die aanleiding wordt tot een vernietiging. 

De mensheid vraagt daar zelf om.

Wij forceren het onsterfelijke vermogen uit de schepping, doch dit vermogen sterft niet, maar gaat zich tegen ons keren.

Dat is dan wat wij 'het kwade' noemen. 

Dit is dan overeenkomstig de uitspraak: 'dat het kwade terug moet keren tot zijn god en daarvoor knielen moet om vergeving te vragen', maar het zijn de mensen die de oorzaak zijn.

De mens is het hoogste aardse schepsel, dus hij is verantwoordelijk voor wat er met de lagere scheppingen gebeurt.

Hij draagt verantwoording, hij wordt dus aangesproken.

Hij kan zich nooit verontschuldigen. 

Er is geen verontschuldiging voor moedwillige egocentriciteit of vooropgezet eigenbelang.

De Sophia-zielen en de Pistis-Sophia-zielen zijn niet onwetend, zij zijn soms slechts lui of gemakzuchtig, één van de machtigste zg. oerzonden.

Het is de oerzonde die onze 20ste eeuw, zeker in het grootste deel van de zg. gecultiveerde wereld, overheerst.

En deze wordt aangemoedigd in onze tijd.

Het zijn de gemakzucht en de luiheid, die energie wegzuigen en daardoor verdichting veroorzaken en zo het licht, of het onsterfelijke vermogen, begraven.

Licht sterft niet, het dooft, trekt zich terug in zichzelf en zou eens weer kunnen opflakkeren, indien we de overtollige bedekkingen zouden weghalen. Soms is de vlam zo zwak dat we er van buitenaf een lucifer (leuke beeldspraak: Lucifer ) moeten bijbrengen om het oude vuur aan te wakkeren.

Het is beter een lucifer te gebruiken, dan verstikt te blijven.

Daar waar licht is, is leven en daar waar leven is, is hoop.

Aluminium b.v. heeft geen licht uit zichzelf, maar weerkaatst licht en dat is het hoogste wat een aardse schepping kan doen.

De maan weerkaatst licht, vandaar dat Mad. Blavatsky eens zei: 'de maan is een stervende planeet', maar eigenlijk is de maangodheid zulk een verdichte godheid, dat hij slechts weerkaatsen kan, waardoor het lijkt of hij zo lichtend is.

De mooiste maansteen is die, die het sterkste het maanlicht weergeeft. Hoe reiner de maansteen is des te sterker hij het maanlicht weergeeft, een wet die dus voor alle schepselen geldt.

De maangod, de maan, maanscheppingen kan je aansteken, aanwakkeren; hun oerzonde is de luiheid of de gemakzucht.

Als zij aan hun luiheid ondergaan, zijn zij veel lager gezonken dan b.v. saturnale scheppingen, die in zichzelf licht bezitten, hoewel weinig, en er iets mede doen.

Hier ontmoeten wij de gelijkenis van de talenten; woekeren met een klein talent is heilzamer dan vegeteren op een groot talent.

Het aanbidden van de maan, maanmeditatie, is dus een volkomen foutieve instelling. De maan is daarvoor te laagstaand.

De eerste godheid die verering zou verdienen is b.v. Jupiter, zoals de Grieken heel goed wisten. Jupiterische scheppingen bezitten een Sophia en de Sophia is een spiritueel en zelfstandig wezen. Naast Jupiter verdient geen enkele planeet-godheid verering. Zij allen zijn niet spiritueel. Deze kennis kun je zelfs in de astrologie terugvinden als je met onderscheid leest.

Denk ook wat er over de smaragd, de steen van Jupiter wordt verteld. Het zijn oude, waarheidsgetrouwe, hoewel soms vervormde mededelingen.

Jupiter bezit het sterkste onsterfelijke vermogen van alle planeten, en dus is zijn immanente god de machtigste en dus de hoogste, ver verheven boven de aardse trillingen.

Het gaat er echter nooit om: hoe sterk zijn mijn Jupiter aspecten, maar hoe sterk wend ik deze aan. Hier is het weer de gelijkenis van de talenten. Elk licht is te doven, als je maar lang genoeg volhoudt. Maar elk licht is ook vrij te maken, als je je maar genoeg inzet en elk vrijgemaakt licht heeft zijn onsterfelijke kwaliteiten.

Hetgeen we al eens zeiden: bewondering maakt dit licht nooit sterker, eerder de verwondering. Het openbreken.

Verwondering maakt ons bescheiden en vervult ons met erkentelijkheid.

Niets is zo lichtbevrijdend als de erkentelijkheid.

Het is een eigenschap die zeer weinig mensen bezitten en dit tekent hun verdichting. De verstarring belet ons gevoel, in de hoogste betekenis van het woord, door te breken en het is juist dit hoogste gevoel dat de schepping draagt, de rijken verbindt tot en met in het onzichtbare gebied aan gene zijde.

Elke groep, elk mens, elke organisatie en methode die ons gevoel rooft, of dooft, of misbruikt, is boosaardig bezig. 

Vandaar dat in onze nostagische tijd die roep om het gevoel weer opkomt; men probeert dit gevoel wakker te maken, aan te kweken, op te wekken uit een mogelijke bevriezing.

Dat is best, indien men weet waarmede men bezig is, want het gaat niet om het sentiment, maar het gaat om die onsterfelijke trilling, dat onsterfelijke vermogen, dat met dit edele gevoel heeft te maken. Deze edele gevoelens dienen te worden ontdooit en dit gaat slechts indien de betrokkenen daarmede instemmen. 

Ze moeten dit willen, daaraan behoefte hebben.

De beste therapie is hier een verbintenis van mens tot mens te onderhouden, want het is de medemens die hierbij kan helpen, niet de cursus of de methodiek.

Het is het ene gevoel, wat het andere wekt. Het is de ene mens die de andere wekt. Het is de immanente godheid van de ene mens, die de immanente godheid in de ander aanraakt. Via deze brug gebeurt er iets en nooit anders.

Het zijn dus de mensen samen die de schepping zullen redden en dit heeft niets te maken met geld, maar alles met instelling en erkentelijkheid.

Het zijn onze onsterfelijke vermogens, die zich zullen moeten bundelen en dan geldt opnieuw de wet: daar waar drie mensen dit kunnen, zijn zij sterker dan een menigte zonder licht.

Het enige dat ons helpen, redden en verlichten kan, is ons onsterfelijke vermogen, de immanente god, die bij ons behoort, vanaf het ogenblik dat we, samen met hem, indaalden in de stof en omhuld werden door de aarde.

Wees daarom attent op elk teken, dat deze immanente godheid geeft, want zijn vermogen is onovertroffen!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene