Is een godsdienst noodzakelijk?

Het verschil tussen godsdienst en religie is: Godsdienst is pas ontstaan na het indalen van de z.g. goden en religie is er altijd geweest en heeft te maken met bronverbinding, later de terugkeer tot de bron. 

Religie is voor de individuele ziel wat godsdienst is voor de afhankelijke, ondergeschikte, onwetende mens. 

Godsdienst heeft te maken met machtsgebruik of machtsmisbruik. 

Religie is voor de zich verheffende - soms ontwakende - ziel. 

Godsdienst is voor mensen, religie is voor zielen. 

Zoals u weet: religie komt van re-ligio: het wederverbinden. 

Er bestaan geen geordende religies, slechts geordende godsdienstige groeperingen. 

Buiten de bekende godsdienstige groeperingen zijn er vooral ook psychologische groepen, die zich een reuk van religie gegeven hebben. 

Daar godsdienst en religie dikwijls onwetend worden verward, wordt re-ligio gemeden, mede doordat in de z.g. religies een taal òf uit de psychologie òf uit de kerken wordt gebruikt.

Indien men een godsdienst nodig heeft, wil dat zeggen dat men innerlijk afhankelijk is en dit betekent dat de inwonende ziel nog niet aan een re-ligio - een wederverbinden - toe is, ofwel dat de ziel nog lang niet is ontwaakt. 

Dat deze ziel - in de godsdiensten - slapende is, wordt wel bewezen door de kerkgeschiedenis met haar onvoorstelbaar criminele praktijken en de kudden gelovigen die dit alles slikken. 

Individualisten menen graag dat zij zelfstandig zijn, dat hun denken en ziel onafhankelijk is, maar is dit wel zo? 

Onafhankelijkheid heeft vele facetten, maar haar kern is: angstloosheid, vertrouwen en verbondenheid met de kosmos. Onafhankelijkheid wil dus nooit zeggen: vrijgevochtenheid. 

Zowel de mens als de ziel zijn ergens mede verbonden. 

De mens maakt zich daaraan ondergeschikt, de ziel is daarin een zelfstandige schakel. 

Onderworpenheid, zowel als afhankelijkheid, maken blind, er zijn daarvoor voorbeelden te over. 

De bekende uitspraak van de godsdienstleiders: "kritiek is verboden", zegt al dat kritiek fnuikend is, wil men de organisatie staande houden. 

En dat is logisch: elk mens is feilbaar, en dat is niet erg, mits men niet uitgaat van een onfeilbaarheid, zoals dat, in de loop der eeuwen, met de pauzen is gebeurd. 

Waar mensen organisaties en groepen stichten, lopen de fouten en het falen mee, zoals dit in elk persoonlijk leven gebeurt. 

Als men erkent dat er fouten gebeuren en men zichzelf ziet als een normaal mens, is er niets aan de hand. 

Binnen de godsdiensten stelt men echter volgelingen boven de medemensen, wat altijd ontaardt in excessen. 

Maar men plaatst de leiders boven de volgelingen om een greep  op die volgelingen te krijgen. 

En daar waar macht moet worden uitgeoefend om de organisatie, of de groep, bijeen te houden, is re-ligio, het uit vrije wil zich weder-verbinden, ver te zoeken. 

Zowel het indalen van de z.g. goden, als de terugkeer tot hun oorsprong van diezelfde goden, hebben de vrije wil als uitgangspunt. 

En het zich bewegen langs de wegen van de vrije wil vraagt tijd.

Er is in de gehele kosmos geen dwang, maar er zijn wetten. 

En zij die deze wetten overtreden bemerken dit aan den lijve, niet als straf, maar als gevolg. 

Straf is een menselijke maatstaf. 

Oorzaak en gevolg zijn natuurlijke uitgangspunten, maar niet uitgelegd op de manier van de machtigen: "als jij iets doet wat ik niet wil dan straf ik je."  Er zijn universele kosmische wetten waaraan het universum en alles en allen die daarop en daarin  leven gebonden zijn, terwille van het voortbestaan. 

Zelfdestructie is onbekend in de natuur, zowel als in de kosmos. 

Zelfdestructie is een ziekelijke uitwas. 

De kosmos beschermt zichzelf en elk mens zou deze zelfbescherming ingebouwd moeten hebben, indien hij in harmonie zou leven met kosmos en natuur. 

Daar God - om in onze taal te spreken - de centrale trilling van de kosmos omvat, houdt Hij - indien de mens daarmede is verbonden - zijn schepsel in stand. 

Niettemin zal dit, zoals de schepping, onderhevig zijn aan regeneratie, er is geen stilstand, alles blijft bewegen - trilling is beweging. 

Dat wat zich niet doorlopend vernieuwt, hoewel de kern gelijk blijft, is dood. 

Denk aan bepaalde tradities. 

Tradities bewaren kernkrachten, dikwijls uit de natuur, dikwijls herinneringen die doorlopend inspireren. 

Geen kerkelijke godsdienst houdt zich aan deze wet. 

Integendeel.  

De religie volgt deze wet automatisch. 

Denk aan uzelf: u verandert, u leert, u wordt wijzer, maar, indien het goed is, verliest u de kern van uw bestaan nooit, die zou u alleen kunnen verliezen indien deze kern bestond uit vergankelijke waarden. 

Alles wat mensen opbouwen is vergankelijk. 

Dat kan niet anders en is dus niet te verwijten. 

Godsdiensten proberen onsterfelijkheid te verwerkelijken door uiterlijke macht en waarden te verduurzamen. 

Dan krijg je een machtige organisatie zonder ziel.

Dan wordt de ziel vervangen door wetten, angstaanjagende dreigementen, ontzag wekkende machthebbers. 

Zo verwijdert de godsdienst zich volkomen van religio. 

Daarin is de wet: hij die wil, is welkom, treedt binnen in de kosmische verhoudingen. 

Hij, die niet wil, sluit zich buiten, uit vrije wil. 

Een mens kan niemand ergens buiten sluiten, dat doen we altijd zelf. 

Het woord "zonde" betekent immers: zichzelf buiten sluiten, buiten de Grote Wet. 

We leven in een tijd dat de kosmische wet - op vele gebieden - wordt genegeerd. 

Niet uit onwil, maar uit arrogantie. 

Denk aan de genenmanipulaties, een Atlantische uitwas.

Niemand straft een ander daarvoor, maar de natuur beschermt zichzelf en daarin worden antinatuurlijke machten vermalen. 

Dat is een wet. 

Wij praten - of horen praten - over een bepaalde eindtijd  

Eindtijden zijn er altijd geweest binnen die natuurlijke vermaling; dat is "normaal", alleen menselijke maatstaven passen daar niet  in. 

Een algehele vernietiging is er nooit, de natuur beschermt zichzelf en deze natuur kent geen persoonlijke voorkeuren, zij volgt blindelings de Grote Wet. 

Al zouden wij graag persoonlijk anders willen.

Ook de begrippen goed en kwaad zijn hier onbelangrijk, want wie weet wat goed is en wat kwaad? 

Godsdiensten zijn vergankelijk, re-ligio is eeuwig, zelfs de natuur heeft haar re-ligio: de verbintenis met de zon b.v. 

Re-ligio is dus niet godsdienstig, maar middelpuntzoekend: de verbondenheid met het centrum van de kosmos. 

Een middelpuntzoekend mens is GEEN egocentrisch mens, maar een altruïstisch mens: het grote geheel dienende, juist wat de godsdiensten zo graag van hun leden zouden willen.  

De natuur is ook middelpuntzoekend: zij dient blindelings zichzelf. Dit kan men haar niet aanrekenen, zoals sommige sekten doen, want de natuur heeft als opdracht: zelfbehoud. 

Alleen de ziel heeft een dubbele opdracht: zelfbehoud door re-ligio, en om dit uit te voeren moet zij zowel inkeer als uitstraling praktiseren. 

De natuur is magnetisch, opzuigend; het licht is dubbel gepolariseerd, absorberend en uitstralend, denk aan de zon en de maan als twee vertegenwoordigers van één kracht. 

Zo zijn er, als reflex hiervan, maan- en zonnegodsdiensten. 

Maar zij kunnen nooit op zichzelf als zelfstandig geheel bestaan; zij behoren bij elkander. 

Alles wat twee kanten heeft, zoals vroeger de planeten b.v., is kosmisch juist. 

Daaruit komen natuurlijk de nabootsingen voort: de ceremoniën aan de ene kant, de meditaties aan de andere kant. 

Alles opgelegd als een echo uit het verre verleden. 

De tweeheid is harmonisch wanneer deze onderling verbintenis vindt via de derde. De tweeheid is op zichzelf onvolkomen, zij is een beginstadium,  een groeifase. 

Godsdienst is in alle opzichten gebroken: wat zij uitdrukt ontstaat altijd onder dwang en wordt door dwang gehandhaafd. 

Er is dus geen innerlijke draagkracht, slechts machtsuitoefening. 

Re-ligio - in de juiste zin - is tweeledig en heeft als doel drieledig te worden: de ziel, de geest en de centrale kern. 

De ziel, de achtergebleven kern van ons eerste zijn; 

de geest, die trekt vanuit de kosmos, en ons denken vernieuwt; 

en tenslotte de centrale kosmische Kern, die hen beiden samenbindt. 

Wat wij op aarde als godsdienst en als re-ligio beoefenen, is veelal een echo van herinneringen. 

Godsdienst als restant aan de tijd dat "de goden op aarde wandelden" en de aarde-mensheid hen aanbaden. 

Religie als een echo aan "hetgeen velen van ons EENS bezaten" en vergaten. 

Godsdienst is gemakkelijker te beoefenen, zij vraagt veelal niet meer dan uiterlijke ceremoniën.  

Religio is veel moeilijker, zij eist de inzet van de ziel. 

Zo niet, dan is er GEEN re-ligio. 

De atheïst kan re-ligio realiseren, evenals de kerkmens. 

Je behoeft niet in een kerkgod te geloven om religieus te worden of te zijn; je behoeft slechts aan de kosmische wetten te geloven, d.w.z. van hen overtuigd te zijn om de re-ligio te hervinden. 

Er is geen scherpe scheidingslijn te trekken tussen de atheïst, de wetenschapper en de kerkmens, dit zijn alle uiterlijke overtuigingen die bij de "mens" behoren, maar de ziel is vrij om zich daaruit te bevrijden, zoals het hart vrij is om zich te voegen bij dat wat het liefheeft. 

Daarom zijn hart en ziel in de re-ligio een gezegende eenheid; wat het hart niet wil, komt het hoofd niet binnen en omgekeerd, is een zeer oude waarheid. 

Angst, sentiment, mystiek kunnen tot een godsdienst leiden. 

Het hart kan de weg wijzen naar de re-ligio indien het een heimwee naar een ver verleden kent. 

Daarom is het beter te spreken van: hij is religieus of hij is godsdienstig. Een wereld van verschil. 

Religie is een bovennatuurlijk sentiment, godsdienst is een aardse bewogenheid. 

Religieus wordt je niet, dat BEN je. 

Je kunt religie aanwakkeren of onderdrukken, maar ingeschapen eigenschappen kunnen nooit worden vernietigd. 

Deze ingeschapen religiositeit legt het onderscheid tussen de ene mens en de andere mens, tussen de ene ziel en de andere ziel. 

Een religieus mens beschermt zijn medeschepselen op allerlei manieren, godsdienstige mensen kunnen bijv. tegenstanders doden, zoals de dieren. 

Religieuze mensen hebben innerlijke principes, zij behoeven geen ceremonieel, hun innerlijke altaar is hun tempel, en het ceremonieel is hun gewetensvolle eerbied tegenover deze ingeschapen tempel. 

Zij hebben geen dreigementen of straffen nodig om hun innerlijke Dienst te belijden, zij hebben slechts de stimulans van hun Herinnering nodig. 

Zij kennen een innerlijke drang inplaats van een uiterlijke drang. 

Zij herkennen het hemelse, d.w.z. dat wat van het geestelijke centrum komt en eerbiedigen het. 

Hun geestelijke centrum is direct verbonden met het kosmisch geestelijke centrum

De middelaar is de ziel, die een atoom van dit kosmisch geestelijke centrum bezit. 

Daarvoor behoef je geen cursussen te volgen, noch een leider te gehoorzamen, datgene dat je aan het Grote Centrum gebonden houdt is inwonend. 

Men wijkt niet van iets af dat doorlopend in ons is. 

Men vergeet niet licht iets dat een doorlopende metgezel is. 

De persoonlijkheid kan protesteren, want er is geen gewin voor hem, maar hij legt zich er tenslotte bij neer, omdat een strijd tussen ziel en persoonlijkheid altijd leidt tot psychosomatische aandoeningen. 

Het hart komt in het nauw en iemand wiens hart ziek wordt of ongelukkig is, kan ernstige ziektebeelden krijgen. 

Onze materialistische tijd, waarbij hart en ziel in de verdrukking zijn geraakt, kent daarom zoveel psychosomatische ziektebeelden. 

Godsdienst kan daarom ongelukkig maken, omdat de ziel genoegen moet nemen met een uiterlijke ceremonie, terwijl de re-ligio vrede schenkt. 

De zoekende mens zoekt geen godsdienst, hij zoekt innerlijke vrede met zichzelf. 

Niet met zijn persoonlijkheid, maar met zijn innerlijke kern, hetgeen velen weten, maar niet kunnen verwerkelijken, omdat zij hun kern niet kennen of niet de moeite nemen om deze te leren kennen. 

Veel psychotherapie verenigt de mens met zijn ego, dat is een stap voor de onevenwichtige aardse mens, maar hem samenbrengen met zijn innerlijke kern is heel iets anders. 

Daarvoor moet - ook de helper - die innerlijke kern kennen. 

Het zoeken van iemand moet dan ook uitgaan van die innerlijke kern en niet van de persoonlijkheid. 

Wàt zoekt iemand? 

Wáár zoekt hij Het? 

Het doel van zijn zoeken is kenmerkend voor hemzelf en dus kan hij zichzelf daardoor herkennen. 

Eerlijkheid tegenover zichzelf is hier dus een eerste voorwaarde. 

In de godsdienst vraagt men niets dan het in acht nemen van de regels; in de religio wordt de inzet van de gehele mens gevraagd en niet slechts uiterlijk. 

Bovendien is er niemand die erop let wat je doet, je bent volkomen vrij - zoals het zielen betaamt - en voor mensen is dit moeilijk, die hebben een zweep achter zich nodig. 

Voor zielen zou slechts de Herinnering voldoende moeten zijn. 

Het vergeten van wat "geweest is" kan nl. pijn doen, het geeft zielenpijn, en dit is geen sentiment, maar het geeft een geestelijke wonde die schrijnt. 

En dit zal bij iedere ziel hetzelfde zijn. 

Die innerlijke pijn geeft dan ziektebeelden, zielsziekten, buiten beschouwing latende de aangeboren deformaties. 

Een hongerend hart - let wel, naar geestelijke voeding - legt zijn stempel op het denken en het lichaam, en meestal kan de betrokkene daar met niemand over praten, want zij die deze innerlijke pijn begrijpen zijn met weinigen. 

Het gaat nooit om sentiment, tranen of aardse tekorten, het gaat over begrippen die slechts de achtergebleven zielen kennen. 

Vandaar dat vele van zulke zielen eenzaamheid gevoelen, doch ook daarvan moet men leren, want hoewel de psycholoog zegt "dat praten goed doet", is dit slechts een persoonlijkheidsbevrediging. 

De ziel zoekt innerlijke herkenning, geestelijke voeding, de bevestiging van wat hij vermoedde, bovendien kan een ziel zichzelf voeden via haar verbintenis met het Grote Centrum. 

Daarmede heeft hij contact via de geestelijke navel, die met de zonnevlecht is verbonden. 

Praten is zilver - zoals wij weten - zwijgen is goud. 

Wij leven in de tijd van het "praten", hoewel de godsdiensten daarin hebben gefaald, doordat zij veel spraken maar weinig zeiden. 

Het gaat nooit om de veelheid, maar altijd om de exclusiviteit. 

Ook bij mensen is dat zo: het gaat nooit om grote groepen, maar om de exclusieve eenling. 

Het grote kosmische hart zoekt geen menigten, maar DE Zijnen. 

Of men wil weten of men bij die Zijnen behoort, krijgt men vanzelf in zichzelf bevestigt. 

Niemand wordt aangewezen, niemand is uitverkoren, men plaatst zichzelf op de Weg-Terug, en dit weet men als het zover is en wordt bewezen door de omstandigheden. 

Dit wordt een reden te meer om te zwijgen, alleen te spreken indien dit nodig is. 

Mensen, persoonlijkheden hebben behoefte aan iets: praten, ceremoniën, meditaties, cursussen, e.d. 

De ziel leeft in zichzelf en neemt datgene wat zij van node heeft. 

Haar bron is immers alomtegenwoordig, in haar en buiten haar, niet gebonden aan plaats, ruimte en tijd. 

Dat is het verschil met een godsdienst, die zich bindt aan door mensen geschapen plekken. 

Daar waar b.v. de natuur in stille aanbidding zwijgt, daar is een vereniging met het Centrum. 

Daar waar enkele mensen met elkander in goed begrip samenzijn, daar is het Centrum, onverschillig waar, onverschillig wie, als er maar die verenigende, overvloeiende, innerlijk verheffende, binding is. 

En daar waar het Grote Centrum zich bekend maakt, daar is het religieuze beleven, daar is sprake van Re-ligio. 

Het is een ervaring die bijblijft in de herinnering en geen vluchtig sentiment is. 

Het is een voedselaanreiking die voedt tot aan de volgende onderdompeling. 

Want zo'n ervaring is de werkelijke doop, de Doop in de Bron van het Heilige der Heiligen. 

Hij, die dit kent, weet waarover we spreken.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene