De Stoa - innerlijke individualiteit

De Grieken - als nazaten van de Jupitermensen hebben een sterk individuele en wijsgerige inslag. 

Zoals bekend uit hun mythen hebben zij een veelgodendom gekend als uitvloeisel van een astronomie. 

Logischerwijze was hun oppergod: Zeus (Jupiter). 

Hoewel, uit hun overleveringen, zij daarboven een Godswezen kenden. 

De  Stoa - gesticht door Xenon tegen de 3de eeuw voor Christus - onderwees voornamelijk in Athene onder "Het Portiek". 

Stoa betekent woordelijk "portiek", en zo verkreeg men een groep Griekse wijsgeren die onderwezen "onder het Portiek" en werden zij de Stoïcijnen genoemd.

De Stoïcijnen vormden eigenlijk de eerste leerschool in de filosofie. 

In diverse landen is het woord "stoïcijns" overgebleven voor mensen die nooit hun emoties tonen. 

Europa is sterk beïnvloed door de Stoïcijnen die hun leer baseerden op een individualisme en de etherische kracht van de ziel. 

Zij zagen God als een alomtegenwoordig fluïdum waarvan de onsterfelijke ziel een onderdeel is. 

Deze ziel is nooit het bezit van de sterfelijke mens, maar zij woont in hem als een restant van God, in Wiens nabijheid de onsterfelijke ziel eens woonde. 

Dit wil dus tevens zeggen dat de ziel alomtegenwoordig is op het moment dat zij zich niet heeft verbonden met een enkel mens. 

Het is natuurlijk een intellectuele analyse om te onderzoeken waaruit de ziel bestaat en dit helpt ons niet veel in ons dagelijkse leven, mits wij beseffen hoe wij met deze ziel moeten omgaan. 

Filosofen - ook de Griekse - discussiëren graag, spitsvondigheden zijn een aangeleerde gave van vele filosofen. Dit geeft echter geen oplossing, de mens vraagt steeds een oplossing voor de vraag: hoe word ik een volwaardig mens, iemand die zijn levensproblematiek aankan. 

Het gaat dan niet om dagelijkse problemen, maar om de diepgaande vraag: wat doe ik op aarde, naast eventueel een humanitair leven? 

De navolgers van de Lichtzonen hebben niet genoeg aan menslievendheid, zij worden gedreven door een "waarom" en een "hoe"?  

Hoewel geen nazaat van de z.g. goden zijn "vreemdelingschap op aarde" kan ontkennen, zullen de zoekende onder hen toch een "weten" navorsen, omdat zij zelden iets op gezag aanvaarden. 

HET gezag ligt voor hen in dat alomtegenwoordige fluïdum dat  de mensen de naam "God" gaven en dat hen ingeschapen religieus maakt, omdat zij deze "fluïdumgod" rondom zich kunnen ervaren. 

Ook voor deze Stoïcijnen was het uitgangspunt: ik zoek, maar WAARMEDE zoek ik? 

Intellectuele capriolen maken niemand gelukkig; hoogstens kan men gaan leiden aan zelfoverschatting. 

En zelfoverschatting is een obstakel op de weg terug. 

Hoewel hun gedrag zeer individueel gericht was, hadden zij een sterke gemeenschapszin, gezien hun uitspraken, zoals: "wat niet nuttig is voor de zwerm, is net zo min nuttig voor de bij". 

Die gesteldheid komt voort uit het besef dat er lang geleden een "gezamenlijke indaling was" en zij een gezamenlijke opdracht hadden. 

Niemand is verantwoordelijk voor de naaste, maar wel is hij verplicht deze "naaste" te helpen. 

Iedereen heeft zwakke momenten, maar dit wordt pas funest indien men zijn eigen zwakheid ontkent. 

Men moet er van uitgaan dat "alle vreemdelingen op aarde" terug willen, maar niet allen weten precies hoe zij dit moeten aanleggen. 

"In alle dingen, roep God aan, maak je niet ongerust hoe lang je zo zult kunnen leven, drie uren beleefde religio zullen voldoende zijn." 

Dat wil zeggen dat 3 uur God nabij ervaren, voldoende zijn om jezelf te vernieuwen en te veranderen. 

Niemand spreekt over godsdienst, het gaat altijd om de bron-in-ons;  een bodemloze bron, mits je maar blijft graven. 

Als wij iets buiten onszelf zoeken, zijn wij ook geneigd datgene dat-buiten-ons-is te beschuldigen. 

Dat is het menselijke gedrag. 

Heeft hij een uiterlijke meester, dan beschuldigt hij die meester; heeft hij een uiterlijke god, dan beschuldigt hij die god. 

Als wij weten dat "het beste" in ons is, wat zoeken we dan buiten ons? 

Hoogstens kunnen we een helpende hand zoeken. 

Elke leer kan een onderdeel van de hoge filosofie bezitten, het is aan de ziel dit te testen. 

Deze "ziel", als fluïdum, kan zich in alles zetelen, het gaat erom om de oorsprong te vinden, hierna kan zij weten wat goed voor haar is of wat niet. Elke ziel zoekt of vindt zo datgene wat - op dat moment - bij haar past. 

De Stoïcijnen - elk van hen voor een deel - hadden besef van het alomtegenwoordige Weten, elk van hen reikt de ziel een onderdeel van het universele Weten aan. 

Geen enkele ziel kan zulk een Weten geheel omvatten. 

Wij bouwen - hopelijk dagelijks - aan de legpuzzel van de waarheid, en hier betekent "waarheid" niets anders dan de oorsprong van ons zijn, het doel van dit leven op aarde en ons uiteindelijke resultaat. 

Wie zal ons leren waar die waarheid ligt, als onze ziel deze niet zelf kan herkennen? 

Alles wat we leren is voorbijgaand, maar er zijn bepaalde facetten die we ingekerfd krijgen "op het papyrusblad van onze ziel" en die we nooit meer vergeten. 

Zo bouwen we verder, steeds vinden we een nieuw stukje, en de Stoïcijnen reiken ons vele stukjes aan. 

Laten we niet denken dat iedere ziel tijdens één aarde-levensgang alle bouwstukjes aan de Grote Waarheid verzamelt. 

Wij bouwen incarnaties daaraan en - in het beste geval - bouwen we gestadig door zonder oponthoud. 

Sommigen laten zich graag wijsmaken dat "ze niet meer hoeven te reïncarneren", maar de meesten van ons zijn reeds vele levens bezig om zich te oriënteren. 

Hoe zou een enkel leven, onverschillig wie ons onderricht, voldoende kunnen zijn voor een Waarheid die zo diep verborgen in ons ligt, soms zelfs vergeten lijkt. 

Plutarchus, een Stoïcijn, zei dat de spontaniteit niet bestaat, er is niets zonder aanleiding. 

Dat wat wij spontaan zeggen, is ergens in onszelf ontstaan, kan zelfs uit een vorig leven zijn, er is niets zonder begin.  

Dat wat in ons opwelt heeft een bodem, en die bodem wordt bepaald door "datgene dat reeds op ons zielenpapyrusblad staat geschreven". 

Mensen die spontaan zijn - hetgeen goed is, mits het niet ondoordachtheid wordt - hebben een vruchtbare bodem. 

Deze "bodem" is altijd gevormd uit voor ons "onvergetelijke" dingen, woorden, beelden, ervaringen. 

Deze "bodem" heeft dikwijls niet genoeg aan intellectualiteit, omdat deze geen voeding geeft. 

Werkelijke voeding geeft een "kick", een aha-ervaring, een diep doortrillende sensatie en is nooit voorbijgaand, maar, zoals gezegd wordt, bijgeschreven in de ziel. 

Zo'n sensatie is zuiver persoonlijk, daarover kan men niet discussiëren. Sterker, men wil daarover niet discussiëren, soms uitsluitend met een hele goede vriend of vriendin. 

Maar altijd gaat het dan om een "naaste", iemand met eenzelfde soort ziel. 

Deze "naasten" zoekt men niet, die ontmoet men.

Er komen altijd gelijke zielen op ons Pad, omdat zielen gelijken aantrekken. 

Hoewel de Stoïcijnen zeggen "dat geen ding gelijk is aan een andere" - een waarheid voor het individualisme - bestaan er tussen dezelfde soort zielen verbindingen; er is één soort, maar de nuance is verschillend. 

Denk aan de mensheid, er zijn vele groepen gelijkgezinden, maar ook tussen hen is het individu een eenling. 

Het stadium onzer ziel bepaalt ons onderlinge onderscheid. 

Daarom kunnen sommigen onder ons voortrekker zijn en anderen zullen - meestal tijdelijk - meeloper zijn. 

Een individuum loopt echter altijd weer alleen, op zoek naar de volgende fase. 

Elke Stoïcijn had zijn eigen mening en was er een ander waarvan hij vermoedde dat deze gelijk had, dan citeerde hij deze met naam en toenaam. 

Overeenkomstig de wijsheid dat iets pas van "jou" is wanneer je het met je eigen ervaringen uit het verleden of uit het nu kunt onderschrijven. 

Elk van ons kan onderwijzen uit hetgeen hij werkelijk weet, boeken citeren kan iedereen. 

Er zijn  mensen die erover klagen dat zij "alleen" zijn, een eenling, die met niemand kan praten. 

"Ieder ding heeft zijn eigen karakter, niets is identiek aan iets  anders", zei Cicero. 

Dat is een stoïcijns standpunt.  

"Alle dingen zijn onderling verbonden en komen vanuit een heilig nest. Tenslotte is er één enige waarheid, waarin slechts een volmaakte staat is voor wezens van dezelfde soort, en die deelhebben aan dezelfde rede", zei Marc Aurelius. 

Het "verdeeld zijn" maakt mensen tot tegenstanders zonder dat dit nodig is en het bewijst dat zij niet van "dezelfde rede" zijn. 

De Rede zag de Stoïcijn als iets van de ziel, om het intellect gaf hij niet. 

Veel Stoïcijnen waren van eenvoudige oorsprong, zoals bijv. Epictetus, die een slaaf was. 

Hoewel slaven - in die tijd - natuurlijk ook hoog ontwikkelden van een ander volk konden zijn, die krijgsgevangen waren genomen in een strijd. 

Alle hogere zielen hebben interesse voor goddelijke dingen, "het is een behoefte van de ziel die zich overgeeft aan de wijsheid." 

Een filosoof - in oude tijden - ging altijd uit van re-ligio, God was niet te scheiden van een wijsgerige gedachte. 

Je moet je scheiden van de dingen die je belasten, vooral als je bedenkt hoe weinig tijd er is tussen de geboorte en het "oplossen". 

Het enige dat je kunt bewaren zijn de "dingen der eeuwigheid", omdat je uit hen wordt geboren en weer tot hen teruggaat. 

Alles daarbuiten is ballast en belast de ziel. 

En alles wat je overkomt als ziel, komt uit de eeuwigheid "opdat de ziel lere". 

Deze instelling geeft de ziel rust en houdt haar verbonden met haar oorsprong van waaruit haar leven komt. 

De eeuwigheid of onvergankelijkheid zal ons nooit teleurstellen, het zijn altijd onze gedachten, of onze conclusies die de eeuwige dingen omheinen, zodat deze een vergankelijk beeld krijgen, opdat wij, vergankelijke wezens, hen kunnen bevatten. 

Hetzelfde doen we met God, nietwaar, en van re-ligio maakten  we godsdienst en van eeuwige waarden maakten we dogma's, zodat we over hen konden strijden en discussiëren. 

Dit is het euvel van elke groep en elke sekte. 

Eeuwigheidswaarden worden onberoerd gelaten zolang zij onvergankelijke beelden omvatten, maar op het moment dat er vergankelijke, menselijke begrippen aan worden toegevoegd, kunnen zij door menselijk denken worden gegrepen en verscheurd. Zo ontstaat verdeeldheid en het tegendeel van onvergankelijkheid, zo splitsen zich goedbedoelende groeperingen, zo wordt de wijsgeer een dogmaticus en de gelovige een afvallige. 

Daarom is het de enige oplossing eenlingen bijeen te roepen en hen elkander te laten vinden op vrijwillige en natuurlijke basis: het "het gelijke trekt het gelijke." 

Hieruit kan geen godsdienst ontstaan, want de eenling heeft altijd zijn eigen god, die hij gedenkt in zijn innerlijke tempel. 

Maar er zal - zoals de Stoïcijnen zeggen - een onderlinge verbondenheid zijn, onverschillig de uiterlijke verschillen. 

Het is onbelangrijk hoe men u noemt: esotericus, mysticus, gelovige of iets anders, het gaat altijd om de innerlijke kwaliteit. 

Vele paden kunnen op één punt samen komen en later weer uit elkander gaan, maar dat behoeft niet te betekenen dat men tegengestelden, of zelfs vijanden wordt. 

Zoals de Stoïcijn zegt: "Er is slechts één volmaakte staat voor wezens van dezelfde rede." 

Zielenbezieling is Rede - één van de zeven goddelijke gaven. 

In de rede behoort het goddelijke fluïdum aanwezig te zijn, een fluïdum dat allen tezamen bindt. 

Een fluïdum dat in ieders ziel doordringt en deze eeuwigheidswaarden schenkt, d.w.z. ervaringen die blijvend zijn en ons elke keer opnieuw verfrissen. 

Zo worden "oude dingen nieuw" en raakt men nooit gekristalliseerd of duf. 

Zo blijft de inspiratie die leidt tot bezieling, maar ook de tolerantie blijft: is er iets of iemand toleranter dan God? 

Wie zijn wij dat wij - zoals zo dikwijls gebeurt - God willen verbeteren, Zijn mening willen bekritiseren, of Zijn oordeel overnemen, zoals in de godsdiensten vele leraren doen, men wordt immers universitair opgeleid om "God door zich te laten spreken".

Spontaniteit bestaat niet, zegt een Stoïcijn, alles heeft een uitgangspunt en voor de z.g. "spontaniteit" kan dit een irritatie zijn of een provocatie van de ziel. 

Maar "aanleren" kunnen we niet, alles is reeds in ons aanwezig en slechts een kwestie van oproepen en ontdekken. 

Waarom praten velen zo graag met anderen? 

Of zij horen zichzelf graag, dan wel zien zij graag hun mening bevestigt? 

Het "luisteren" is moeilijker, hoewel we "twee oren hebben en maar slechts één mond." 

Het leren van de natuur, zoals de alchemisten en de Stoïcijnen deden, is een kwestie van luisteren en zien.

Stilstaan bij de zwijgende aanbidding en de oorzaak ontdekken. 

Wie neemt daar de tijd voor? 

Dit "luisteren naar de natuur" zijn we zeker verleerd binnen de godsdiensten en sekten, waar men zich opsluit binnen stenen muren en zo de directe binding met het goddelijke fluïdum verliest. 

Wij zijn reeds te lang gewend aan vervangers en imitatie. 

Kennen wij de directe binding nog, wij, die opgevoed worden door meesters en adepten, voorgangers en leiders? 

Waarom vertrouwen wij onze Innerlijke Leider niet meer? 

Omdat wij Deze uit het oog verloren, wij moeten te dikwijls door anderen op Hem worden attent gemaakt. 

Wij willen bijv. een Jezus aanbidden, maar weigeren eenzelfde weg te exploreren. 

Hulp vinden we altijd op onze weg, maar dit zijn tijdelijke hulpen, iedereen moet zelf tot die Volmaking komen via het goddelijke fluïdum en de ziel. 

Het gaat niet om "goed of kwaad", het gaat erom "in hoeverre geef ik mijn inwonende ziel haar vrijheid weer".

Die Innerlijke Leider is niets anders dan de God der Stoïcijnen, die dus alomtegenwoordig is, ongrijpbaar, maar duidelijk aanwezig en ons eigen Eerste Geheimenis waarover we niet kunnen discussiëren. 

Elke discussie is een omheining, d.w.z. doet afbreuk aan het Eeuwige. 

Discussie is niets anders dan een intellectueel spel. 

Iedereen - behept met een Rede - weet dit eigenlijk. 

Denk aan het Satori uit de Japanse leringen, maar het eraan voldoen is zo moeilijk, omdat een mens wil "vastpakken en grijpen", lichamelijk en intellectueel. 

Een lezing, een uitleg, een gesprek zijn slechts om iemand op iets attent te maken zonder discussie. 

Meningen kunnen verdeeld zijn en dit is uitsluitend belangrijk indien die mening uit de ziel opwelt. 

Een ziel heeft een mening, maar het is altijd de vraag of de persoonlijkheid deze mening kan vatten, om er uitdrukking aan te geven.  

Gelijken begrijpen elkander echter "zonder woorden"; dit is het "volle zwijgen", dat intellectuelen en zelfbevredigers mijden. 

Het "bij elkaar zijn" is dan reeds een voldoening. 

Stoïcijnen wisten dit, maar ook andere rijpe zielen weten het.

Het gaat niet om groepen, maar "om één of twee die in Mijn Naam bij elkander zijn."

En laten we deze woorden dan van hun dogma, hun omheining ontdoen, want het is een universeel woord. 

Daar waar het goddelijke fluïdum ons aanraakt worden onze zielen verbonden - "één". 

Het is de aloude magie van het alomtegenwoordige "het gelijke vindt elkander" en het "God zoekt de zijnen". 

Helaas zijn woorden altijd voor diverse uitleggingen vatbaar, zodat elke eeuwigheidswaarde gevangen genomen kan worden binnen beperkingen, maar vergeet nooit: het heilige vlucht daar waar het onheilige binnenkomt. 

Moge dit ieder van ons duidelijk zijn!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene