De oosterse filosofie

Het is altijd een raadsel geweest waar de filosofieën vandaan komen. De grote filosofieën verdelen de wereld en houden hen tevens bij elkaar. 

Elke filosofie wordt geboren in de eenling, en tracht de wereld te veroveren door middel van sekten, gemeenschappen, hiërarchieën.  

De mens heeft een filosofie nodig om zijn ziel te voeden, want filosofieën bestaan uit idealen en idealen zijn het brood van de ziel. 


We beginnen deze filosofie-week met de inzichten van de Oosterse filosofieën, waaronder het Boeddhisme, het Hindoeïsme en Zen, waarvan het Hindoeïsme de belangrijkste is, als zijnde een filosofie die de goden op aarde begeleidde en werd medegenomen vanuit hun bovenaardse leefgebied. 

Vanuit het Hindoeïsme ontstaan de andere vertakkingen, geïnspireerd op de eenling. 

Een grote filosofie behoort een kosmogonie te hebben, omdat de mens, als schepping, de middelaar is tussen hemel en aarde, en het uitgangsgebied van de echte spirituele mens altijd een bovenaards gebied is.  

Vandaar dat de verbinding van het Hindoeïsme bestaat uit een direct contact met Venus, het oude leefgebied van de Indiërs. 

Wanneer wij spreken over het verbonden blijven met het Hogere bewustzijn, bedoelen wij eenvoudig: blijven leven, denken en gevoelen zoals dit op Venus het geval was.  

Het is niet voor niets dat o.a. Fritjof Capra ontdekt dat het Hindoeïsme een kosmisch-natuurwetenschappelijk uitgangspunt heeft. 

Hun basisliteratuur zijn de Veda's, waarin de Liefde - logisch voor Venus-schepsels - een belangrijke plaats inneemt. 

Maar die Liefde is gefundeerd in een drie-eenheid: Brahma - Vishnu - Indra, die zich steeds verder onderverdelen in een volgende drie-eenheid. 

De voornoemde drie goden hebben dus steeds andere namen, die hen op deze wijze steeds dichter bij de mensheid brengt. 

Zo staat de drie-eenheid: Mitra - Indra - Agni dichter bij ons. 

Shiva b.v. is eenzelfde godheid als Indra, alleen op een hoger plan. 

Het zijn de uitbeeldingen van de bewegingen en de transmutatie van de aarde, die telkens opnieuw het vuur des hemels opnemen. 

Maar al deze godheden - Venus getrouw - hebben een partner, precies zoals in het Egyptische aanzicht van de Pistis Sophia. 

Allen bestaan twee aan twee, met als derde: een krachtcentrum, die hen naar elkander toe en van elkander af beweegt. 

Het is het basisprincipe in de kosmos: negatief - positief en het krachtcentrum, bestaande uit Ch'i of ether, dat een uitwisseling tussen hen mogelijk maakt. 

Deze uitwisseling werd Liefde, met een grote L, genoemd; het is de onmisbare beweging die de kosmische vereniging in stand houdt. 

Het is een uitgangspunt dat in alle grote filosofieën verborgen moet liggen, wil die filosofie het stempel: kosmisch, d.w.z. geestelijk, zelfs goddelijk, verdienen.  

Wat de mens later van dit Hindoeïstische kosmische liefdesbegrip gemaakt heeft, laten we volkomen buiten beschouwing, omdat dit de moeite van studie niet waard is. 

De gewone aardse mens - NIET bovenaards - kent geen ander begrip dan aardse, d.w.z. tijdelijke, vergankelijke, materiële, gedachten, hetgeen hem niet is aan te rekenen, want hij weet niet beter. 

Het Hindoeïsme bracht dus een bovenaards begrip op aarde, een begrip dat ieder kosmisch wezen aantrok. 

Want een kosmisch wezen verlangt, trekt naar zijn oerbron en die oerbron is altijd bovenaards, daar waar gedachten heersen die een eeuwigheidsbeginsel als uitgangspunt hebben. 

In deze filosofieën vindt men een doorlopende herhaling van de eerste drie-eenheid: zo ook in hun geneeskunst van de Ayurveda. 

Men maakt gebruik van de drie werelden die onder het kosmische schepsel staan: het dier, de plant, het mineraal. 

Het dier dient de mens via zijn dienstbaarheid, wat ook uitkomt in de zegeningen via de ziel van het dier. 

Maar niet, zoals de aardse mens denkt, door het te doden. 

Tevens dient het deze mens via zijn ziel, hetgeen herontdekt wordt door de moderne psychologie, die het dier een rustgevende functie toeschrijven. 

Bij de komst van de Zonen der Goden op aarde brachten zij hun levensgewoonten, hun levensinstelling en hun basiswijsheid mede: de drie-eenheid in al hun existentiële uitingen. 

De plant als middelste van deze geneeskundige drie-eenheid had een bemiddelende functie: het verbinden, of wederverbinden met de kosmos. 

Het hervinden van de kosmische energie of het harmoniseren van de aardse energie met de hemelse energie. 

Dit is immers de aard van Venus! 


Het Boeddhisme is eigenlijk een afwijking van het oorspronkelijke Hindoeïsme, want het Boeddhisme is gestoeld op één persoon: Prins Siddharta, de Verlichte. 

Vanuit een kosmologische overtuiging kom je nu in een leer die de aardemens tracht te verbeteren.  

Prins Siddharta had hiertoe een opdracht.  

Opdrachten worden ontvangen en gegeven als inspiratie vanuit de kosmos, een licht dat intreedt in de middelende Chi - of de ziel - en dit etherische krachtveld aanzet tot denkbeelden of ideeën. 

Iemand, die op deze wijze wordt geïnjecteerd bezit als voorwaarde: een actieve, harmonische drie-eenheid. 

Mens - ziel - geest:  aardemens; een bemiddelende dubbelster als hemel - aarde - ziel; en tenslotte een uitgangspunt als zijn bovenaardse of kosmische geest. 

Wanneer de beweging tussen deze drie voldoende actief en verhelderend is, komen de kosmische - de christelijke leer zegt: goddelijke - injecties. 

Boeddha was dus een Verlichte ziel die de mens de achtvoudigheid bracht, opdat deze Acht spaken van zijn Wiel een ommekeer op aarde zou bewerkstelligen in een tijd die louter neergang betekende. 

Een neergangsperiode is niet nieuw, deze zijn er altijd geweest en zullen er altijd zijn. 

Indien er tegenover zulk een neergang echter geen opgang - via Verlichten of kosmische leringen - zou bestaan, zouden wereld en mensheid reeds lang zijn vernietigd als zijnde: nutteloos. 

Dan grijpt de Oerbron - de kosmos - in. 

Boeddha kwam met de acht spaken, die een beklimmen van de ladder des hemels moesten realiseren: 

1.  Het juiste Inzicht; 

2.  Het juiste Besluit; 

3.  De juiste Rede; 

4.  De juiste Levenshouding; 

5.  Het juiste Levensonderhoud; 

6.  De juiste Inspanning; 

7.  De juiste Oplettendheid; 

8.  De juiste Meditatie. 

Hier is niets kosmisch bij, Boeddha was mens met de mensen. 

Als achtste: de meditatie wil uitsluitend een Bezinning zijn op wat juist, kosmisch, hemels, dus bovenaards is. 

De oude kosmische Hindoeïstische leer kende deze meditatie als Inkeer, het innerlijke teruggaan naar je uitgangspunt. 

Het was een vanzelfsprekendheid. 

Later moest het de afgedwaalde schepsels worden voorgehouden, zelfs onderwezen in de juiste betekenis van het woord. 

De vlucht van zovele Westerse, vermaterialiseerde mensen in de Oosterse meditatieve leringen betekent, dat er een verlangen is naar het kosmische uitgangspunt. 

Het Boeddhistische rad is een symbool van de middelaar, van de ziel, van Shiva of Indra, van een redder die kosmos en aarde verbinden kan. 

Gekristalliseerde symbolen, zoals alle beeltenissen zijn, worden pas levend indien de aanschouwer hen kan verlossen uit hun materie,uit hun omhulling.  

Een blik kan een symbool bevrijden uit zijn keurslijf van de materie, dat is ook de betekenis van de symbolen: het levend worden en daardoor de aanschouwer inspireren. 

De gevangen ziel van het symbool injecteert de aanschouwer met de oorspronkelijke kosmische kracht. 

Ik spreek natuurlijk over de aloude, traditionele symbolen, die hun ziel ontlenen aan het kosmische uitgangspunt. 

Het is hetzelfde wat in de Hindoeïstische geneeskunde met de mineralen gebeurt; hun gevangen ziel moet de zieke mens injecteren, indien deze een verbinding zoekt met hun mineraal. 

Het zijn altijd de zielen, de middelaars, gevangen of niet, die de bevrijding of de genezing bewerken.  

Bij de steen is het dus de kristallografie, die de steenziel bevat. 

Het Boeddhisme is geen kosmische leer, maar een leer van hulp. 

Boeddhabeelden troosten, maar verlichten niet. 

Zij schenken door deze troost rust in de betekenis van: het komt allemaal goed als je maar tot bezinning komt. 

Zij willen je bij je zelf bepalen. 

Het Boeddhisme staat dus dichter bij de zover afgedwaalde mens. Het vertelt hem om allereerst een "juist" aards schepsel te worden, alvorens dat contact met de kosmos te zoeken. 

Zo niet dan gaat er iets fout, zoals onze tijd duidelijk laat zien in al die uitwassen van Oosterse inzichten. 

Aan de meditatie gaan immers zeven Opdrachten vooraf. 

Precies zoals in de Egyptische Tarot zeven beproevingen aan de Gerechtigheid voorafgaan. Een waarlijk verlichte vindt overeenkomsten in elke leer van andere Verlichten, dan wel in een kosmische leer.  

Gescheidenheid is de vloek van de val. 

Eenheid is de zegen van de Bron. 

Drie is Een. 

Na de Acht is de Negen weer Een. 

Het Tao verdeelt zich in de veelheid, maar de veelheid moet terugkeren tot de Een. 

De Boeddha bracht de eenheid tot veelheid met de bedoeling op deze wijze de eenheid terug te vinden. 

Maar zijn veelheid is geen chaos. 

Chaos is ongebondenheid en ongebondenheid is afbraak. 


Het Zen-Boeddhisme is weer iets anders.

Zen is geen filosofie, ook geen leer, het wordt beschouwd als een praktische methode om het Boeddhisme te leren. 

Zen wil dus het Rad van Boeddha vertalen in spiritualiteit. 

Het slaat veelal de eerste zeven punten over en bepaalt zich bij de achtste: de juiste meditatie. 

Vandaar dat Zen een onwereldse praktijk geeft, dus niet zoals Boeddha het heeft bedoeld. 

Wij, mensen, houden niet zozeer van de praktijk van aan-ons-zelf werken, we hebben een voorliefde voor de vlucht, de schijnspiritualiteit. 

Om te kunnen ontaarden is Zen prima, het is een uitstekende methode om iemand los te maken van de vaste grond onder zijn voeten, zoals de Koans leren: 

"Boven, geen dakpan om het hoofd te beschermen - 

onder, geen duimbreed grond onder de voet." 

Zen is er steeds op uit ons het grote Niets voor te houden, opdat we ons niet vastklampen aan de modderige aardkluit. 

En dit zou uitstekend voor ons zijn indien we reeds een innerlijke zekerheid hadden, maar dat heeft de zo afgedwaalde mens niet. 

Vandaar dat hij tot Zen-meditatie, via lijfstraffen, gedwongen moet worden. 

Dit is een totaal verkeerde methode. 

Het kosmische komt indien we daartoe gereed zijn, dàt is Verlichting. 

En we komen ervoor gereed, indien we de Acht Spaken, zonder één uitzondering, realiseren. 

Zen kan dan voor deze afgedwaalde mens twee betekenissen krijgen: ofwel een zalige "dolce far niente", de vlucht uit de problematiek, ofwel een bodemloosheid, een verstoring van de drie-eenheid en wel zeer ernstig. 

Hetgeen nooit de bedoeling van de grote Zen-meesters is geweest; zij wilden, zeer ernstig, de mensen helpen. 

Maar helpen kan slechts indien men aansluit bij de aard en de mogelijkheden van iemand.  

De mens is het beste geholpen indien hij zichzelf helpt. 

Van buitenaf komt de injectie, de raad, de waarschuwing, de consequentie van de dreigende omstandigheden. 

Kortom: het buiten kan maar tot aan een bepaalde grens helpen. 

Voor degene die hulp zoekt kan een symbool dat zich ontvouwt voor zijn blik voldoende injectie zijn. 

Meesters en adepten helpen niet: zij bewijzen slechts dat HET kan. 

Mensen willen graag een voorbeeld om de eigen onzekerheid weg te drukken, maar ieder kosmisch wezen, gevallen of niet, WEET dat HET kan. 

En wat is HET? 

De oorspronkelijke levenswijze van hun verloren geboortegrond herstellen. 

Vanuit deze innerlijke zekerheid b.v. gelooft elk kosmisch schepsel in een voortbestaan, hoewel alles op aarde vergankelijk is. 

Dit deert hem niet. Het voortbestaan is werkelijkheid voor hen, niet de vergankelijkheid. 

Zen geeft ons de schijn van innerlijke harmonie, van verhevenheid, en vlekjes op deze status wordt er door strafmethoden uitgeslagen. 

Zen dwingt. En dwang geeft frustraties en mogelijke lichamelijke aandoeningen. 

Het Hindoeïsme (in zijn oorspronkelijkheid) voerde fosfor toe, het mineraal dat inspireert. 

Het Boeddhisme voert magnesium toe, het mineraal dat rust geeft. 

Zen voert kalium toe, het mineraal dat wel rust geeft, maar ook verwatering. 

Fosfor is Mars en Mercurius; in zijn aardse vorm Marsiaans - strijdbaarheid; in zijn hemelse vorm Mercuriaans - bezielend. 

Magnesium is als de Zon, afbrekend en tegelijkertijd opbouwend. 

Kalium is als de Maan, schoonwassend, maar irreëel, reflecterend. 


Wij spraken over deze drie stromingen uit de Oosterse filosofie, omdat deze de belangrijkste en ook de meest helende zijn. 

Het Tantra-boeddhisme b.v. is een ontaarding van het kosmische liefdesprincipe van het Hindoeïsme. 

De besproken leringen staan bovenaan en elk van hen heeft zijn eigen doel. 

Het oorspronkelijke Hindoeïsme is kosmisch; het Boeddhisme is menselijk; het Zen-boeddhisme is psychologisch. 

Het zoeken van de mens karakteriseert hem: 

Zoekt men een meester? 

Een bevrijding? 

Hoger bewustzijn? 

Zichzelf?

In de huidige chaotische veelvoudigheid lijkt er op elke vraag een antwoord te zijn, maar we vergeten dat we zelf eerst de antwoorden hebben aangepast aan onze omstandigheden. 

Het juiste antwoord is BOVENaards. 

Het juiste antwoord kende geen compromissen. 

Het juiste antwoord bepaalt zich altijd bij de basis. 

De mens ontsluit zelf een antwoord als reactie op de aard van zijn vraag. Hij, die bidt krijgt altijd antwoord op zijn gebed. 

Het Boeddhisme noemt men een leer zonder woorden; het spirituele vraag- en antwoordspel is een beweging van trillingen. 

Het gaat altijd om de beweging van de Twee, die het Derde voortbrengen. 

Indien onze blik de ziel uit een symbool vrijmaken, is het daaruit voortkomende antwoord de inspirator van onze innerlijke reactie. 

Dit is de drie-eenheid die aan ALLES ten grondslag ligt, en het is aan ons of we de indaling tot de daaraanvolgende veelheid voortzetten en zo terugkeren tot de eenheid, dan wel dat we blijven steken in deze inspiratie en niets ermede doen. 

Elke kosmische filosofie, als begeleider van godenzonen, inspireert, indien niet dan valt het predicaat "kosmisch" weg en blijft de filosofie menselijk. 

Menselijk is niet slecht, maar al het menselijke moet uitmonden in het kosmische NA de acht fasen. 

De menselijke gedachte maakt een geconcentreerde kosmische filosofie tot een chaotische veelheid. 

Het zich verliezen in de veelheid is de grootste verleiding en de sterkste misleiding aller tijden. 

Hij, die zich één weet in zichzelf; hij, die zich "een binder en een bevrijder", dus een magiër kan noemen, hij is gezegend, want de goden zijn om hem en met hem en zullen hem huns gelijken noemen. 

Dezulken weten dat zij niets te vrezen hebben.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene