De Griekse filosofie

Plato, Pythagoras, Hippocrates, de Stoa


Griekenland was na Egypte het land der grote filosofen; hoewel het volk veel jonger was dan de Egyptenaren, had het een machtige filosofische leer, gestoeld op jupiterische gegevens. 

Men noemde vroeger Egypte "het land der duisternis", omdat van oudsher het feit bekend was dat de Egyptenaren, als kinderen van Saturnus, op hun eigen planeet vervloekt werden en zo dus "duisternis" mede namen. 

Vandaar de saturnale minderwaardigheid, de doem die vaak over dezulken ligt en het zo dikwijls afwezige vreugdegevoel. 

Bij de Grieken ligt dit geheel anders: zij waren creatief, inspiratief, gereed om een gehele wereld te injecteren met hun ideeën. 

Zij hielden van kunst en schoonheid en misten het starre dat de Egyptenaren zo dikwijls kenmerkte, zoals ook hun kunst uitdrukt. 

De Grieken wilden de gehele wereld veroveren en hadden zoveel geloof in zichzelf en zoveel zelfverzekerdheid, dat zij hun licht lieten stralen vanuit de verre oudheid tot aan de dag van vandaag. 

Zij waren de mensen van het verlichte denken; zij sloten gemakkelijk aan bij het hermetische denken en hun gevoel voor rechtvaardigheid was zo intens dat tot op de dag van vandaag het Griekse staatsmodel, democratie, nog geldt. 

Zij waren vrijwillig van hun planeet weggetrokken en de legende van de godenzonen, dat wij uit het Henochboek kennen, is het verhaal van de Jupitermensen. 

Zij werden gedreven door een drang naar weten, maar een onderzoek dat zich ook kan uiten als nieuwsgierigheid. 


Een van hun grote zonen was Plato (427 - 347 v.Chr.), een verlicht mens, zeer geïnspireerd, te vergelijken met een Valentinus uit Egypte. Plato was een denker die eigenlijk bestemd was om een politieke rol in het oude Griekenland te spelen, maar daartoe volkomen ongeschikt bleek en - hierdoor teleurgesteld - zijn eigen academie stichtte. 

Dit klinkt werkelijk 20ste eeuws. 

Hij ging ervan uit dat een land geleid zou moeten worden door één of enige filosofen. 

Filosofie was voor hem het begrip abstracte ideeën te doorgronden. Als zeer spiritueel mens wilde hij graag de materie en  het abstractie verenigen. Voor hem was de abstractie, de wereld van het ongevormde, de echte wereld. 

De wijsheid komt uit het ongevormde, niet uit het gevormde. 

Alle vorm wordt geboren uit het ongevormde, dus dit is een metafysisch inzicht. 

Daarnaast was hij een praktisch mens, geen zwever. 

Hij was de idealist die de mensen op de achtergronden van het leven wilde wijzen, eigenlijk een wereldverbeteraar, echter intellectueel en literair goed onderlegd. 

Als leerling van Socrates praktiseerde hij de bescheidenheid, maar de grootte van deze meester heeft hij nooit geëvenaard. 

Doch ook Plato bevestigde de alchemische idee van de Egyptenaren. 

Hij wilde lichaam en geest samenbrengen door de ziel op te voeden in de zin van de spiritualiteit. 

Hij was er zich van bewust dat hij niet op aarde thuishoorde en zocht hiervoor doorlopend een reden. 

Zoals het jupiteriaanse wezens betaamt, zocht hij dus een uitweg via de rede en de logica. 

Voor alles moet een reden zijn en de reden moet men intellectueel kunnen beredeneren. 

Er is een oplossing voor alles, indien men de wijsheid te hulp roept en wijsheid ligt in de kern van het onbegrensde verlichte denken. 

Tot aan zijn dood hield hij niet op oplossingen te zoeken en zo bestaat er dus geen platonisch dogma, alleen platonische ideeën. 

Deze gehechtheid aan ideeën maakt hem tot een vernieuwer en een levendige ziel, want kristallisatie is dodelijk. 

Alle goddelijkheid en wijsheid bestaat uit trillingen die zich doorlopend vernieuwen en doorlopend veranderen. 

Verandering is groei; de twijfel is de wortel van wijsheid en een mens kan slechts tot de hoogste vorm van wijsheid geraken, indien hij bereid is al zijn oude denkramen te vernietigen en jonge, nieuwe ideeën te accepteren. 

De Platonische school heeft veel grote geesten voortgebracht, maar geen werd echter zo groot als de hen voorafgaande meester Pythagoras. 


Pythagoras (580 - 500 v. Chr.) was niet slechts een geïnspireerde, maar was één uit het nageslacht der Lichtzonen. 

Pythagoras wist, wat Plato vermoedde of doorkreeg: de mensenziel behoort tot het licht en niet tot de duisternis of de aarde. 

Pythagoras vond ìn zichzelf, wat anderen van buiten zichzelf ontvingen. 

Hij geldt als de grondlegger van vele wiskundige wetten, o.a. de gelijkzijdige driehoek: de gelijkwaardige samenwerkende drie-eenheid: geest, ziel en materie. 

Tevens schijnt hij de heilige getallenleer te hebben gefundeerd met een directe binding naar de muziek. 

Plato was een herkenbare Dialecticus; Pythagoras was naast Dialecticus een Arithmeticus, een Musicus, een Astronoom, een Retoricus, een Geometricus. 

Hij was een opposant van de rationele wetenschap en probeerde deze een irrationele zijde te geven door de wetenschappelijke zienswijzen van die tijd met mystiek te doorspekken. 

Als inspirator van de drie-eenheid ruimde hij veel tijd in voor de innerlijke stilte. 

De punt, de kern, als innerlijke stilte is de bron waaruit de drie-eenheid ontspringt. 

Hij sprak en spreekt nu nog tot ons in mathematische taal, maar de oerbron is de geest, is spirit, de cirkel of de oneindigheid, waaruit die punt of kern tenslotte wordt geboren. 

Een punt is een geconcretiseerde cirkel.

En de punt is de bakermat van de lijnen, die altijd, om de geest te kunnen ontmoeten, uit moeten lopen in een driehoek, de drie-eenheid, die op zijn beurt het vierkant vorm geeft. 

Hij is de man van de heilige Zevenvoudigheid, niet de bestendiger van de Achtvoudigheid. 

Hij was een magische Ziener, de berijder van de Wagen van Osiris. 

Elke grote wijze of filosoof heeft een boodschap, die boodschappen verschillen onderling van elkander, dus heeft elke wijze zijn plaats in het grote geheel en hen met elkander vergelijken is vaak een onbegonnen werk. 

Zij zijn ànders; de ene heeft meer liefde; de andere meer directe waarheid; de derde meer daadkracht. 

Elke wijze - met een opdracht - moet zich zien uit te drukken via het voertuig dat hem op aarde is gegeven, en dit voertuig bepaalt dikwijls zijn uitdrukkingsvorm. 

Pythagoras was een begaafd mens, iemand die vrijwillig incarneerde om de teruggebleven godenzonen te instrueren en te stimuleren en hij doet dit heden nog via zijn leringen. 

Is de wiskunde geen uitvloeisel van zijn leer? 

Hoewel de universitaire wiskunde is blijven steken in de eenzijdige dogmatiek? 

Is de getallenleer geen uitvloeisel van hem, hoewel deze zijn grootse visioenen mist? 

Men vertelt dat Bach de getallenleer in zijn muziek gebruikte, maar is dit niet een pythagorees beginsel? 

Een geïnspireerde filosofie is heilzaam voor geest, lichaam en ziel. 

Pythagoras kon genezen via zijn Retorica en zijn Dialectica. 

De geneeskunde ligt besloten in de zeven heilige Wetenschappen en is dus een uitvloeisel van hun eenheid, of soms zelfs van enkele van die wetenschappen. 


Een goed voorbeeld hiervan is Hippocrates, de bekende arts-filosoof van de Academie van Kos. 

Iemand die in Kos is geweest kan - nu nog - aan de hand van de sfeer aldaar, bevestigen dat Kos niet alleen een plaats is geweest om het lichaam te genezen. 

Laten we één ding niet vergeten; niets bestaat zonder filosofie, dat hebben alle oude artsen heel goed herkend. 

Er is geen genezing, geen verlossing of bevrijding mogelijk zonder dat de ziel filosofisch is, en de liefde tot de wijsheid  bezit. 

Hippocrates (460 - 377 v. Chr.) was een volger van de platonische zienswijze, maar hechtte ook veel waarde aan de ideeën van zijn tijdgenoot Democrites (460 - 360 v. Chr.), die vooral heilzame gevolgen zag in het werken aan de ziel. 

Democrites zei: een krachtige ziel is de oplossing voor alle problemen, hetgeen Hippocrates, vanuit zijn ervaringen, bevestigde. 

Het is een opvatting die heden ten dage nog stand houdt. 

De ziel - als verbindende schakel tussen geest en lichaam - of tussen Schepper en schepping, is maatgevend voor de resultaten in de individuele spiritualiteit. 

Een spirituele ziel is een zichzelf herkennende ziel. 

Zulk een ziel moet een wijze, of een ware filosoof of een genezer bezitten. En een zich herkennende ziel weigert zichzelf te bezoedelen met onwaarheden, dogma's, ongoddelijkheden. 

God was voor alle wijzen: de Lichtende aanwezigheid in het rijk vanwaar zij kwamen. 

"In het Rijk waartoe wij zijn verkoren, is het Licht, Heer." 

Maar ook "In het Rijk waar vandaan wij kwamen, is het Licht, Heer." 

Dit is een onvernietigbare idee dat al die oude wijzen verbindt, onverschillig hoe zij hun wijsheid uitdrukten. 

De moderne mens kent dat uitgangspunt nauwelijks, afgedwaald als hij is van de heilige inspiratie. 

Hippocrates ging van de vaste overtuiging uit dat de invloed van de genezer heilzaam moest zijn voor de patiënt. 

Hetzelfde zeggen de filosofen: de uitstraling van de filosoof - onverschillig zijn uiterlijk, want Socrates b.v. was een lelijke man - moet de discipel, de leerling, de patiënt, ten goede beïnvloeden. 

Iets dat onze moderne psychologen totaal vergeten. 

Een genezer, zoals Hippocrates, moest en kon de gevangen ziel schouwen en deze heilzaam beïnvloeden. 

Want alle problemen ontstaan uit de disharmonie van de ziel. 

Het is de ziel die bepaalt of iemand zich gelukkig, blij, aangenaam in zijn vel, dan wel ongelukkig, onrustig, mistroostig gevoelt. 

Het is de ziel die de sleutel vormt tot de spiritualiteit en niemand kan de aanwezigheid van een ziel ontkennen, want zelfs planten hebben een ziel, zoals de moderne wetenschap schoorvoetend gaat bevestigen. 

Hippocrates die wel "de Vader der Geneeskunde" wordt genoemd - hoewel dit niet helemaal waar is, omdat ook de Egyptenaren en de Indiërs hun grote genezers hadden -, was ook een nakomeling van de Lichtzonen, de jupiterische Lichtzonen. 

Zij, die "denken met de ziel" en die zoveel waarde hechten aan de omgeving, de sfeer, en de invloed die de omgeving heeft op de ziel. 

De Grieken zijn er immers om bekend geworden dat b.v. zwangere vrouwen omgeven moeten worden met schoonheid en harmonie, terwille van het nog ongeboren kind. 

Is dit te vergelijken met het heden? 

De tijd waarin zelfs "verslaafde" baby's geboren worden? 

Kos, als erfenis van Hippocrates is een zegenrijke herinnering aan de eenheid van "geest - ziel - mens". 


Zoals de Stoa en de Stoïcijnen het laatste overblijfsel van de Griekse wijsgeren wordt genoemd. 

De Stoa was de wandelgang der wijsgeren in het oude Athene, daar discussieerden de filosofie studenten, maar voorheen ook de groten onder hen. 

Het woord "stoïcijns" staat heden voor "onbeïnvloedbaar". 

Het was voorheen een begrip voor wijsgeren die zich niet met de wereld en diens uitvloeisels bemoeiden en die sterk waren in de "afgescheidenheid". 

Het afstand nemen en afstand doen van. 

Moderne filosofen zoals Kant, Spinoza, Schiller en ook Shakespeare tonen bekendheid met het Stoïcisme. 

Het Stoïcisme in de vorm waarin wij het kennen werd gegrondvest door Xenon (340 - 365 v. Chr.). 

Het beoogt het handelingsleven in overeenstemming te brengen met de ziel, of het innerlijk. 

Alle latere Stoïcijnen discussiëren oneindig over het wezen van de ziel, omdat zij als opdracht hadden hun uiterlijke leven daarmede in overeenstemming te brengen. 

Na Xenon treedt hierin een verwatering in. 

Het is de oude geschiedenis: als de leider weg is, dwalen de leerlingen af en volgen de gemakkelijke weg. 

Stoïcijns blijven tegenover de wisselvalligheid van het uiterlijke leven, van de omstandigheden, van de beproevingen, dat is de stoïcijnse bedoeling. 

Xenon heeft daarom diverse praktische aanwijzingen nagelaten. 

Een van zijn meest bekende navolgers was Epictetus, een tot kreupel geslagen slaaf, die later zijn vrijheid terug kreeg. 

Het is duidelijk te bemerken hoe vanuit de Stoa zich een groep filosofen vormde, die de praktijk des levens in hun filosofie invoerden. 

Zo worden de praktische beleringen talrijk. zoals o.a. in het Handboekje van Epictetus, men moest de filosofie steeds dichter bij de mens brengen, deze in zijn dagelijks leven treffen, opdat hij nog interesse zou kunnen opbrengen voor zoiets als de ziel, of de geest, of het onzichtbare. 

Het is een teken van vermaterialisering, van neergang, een typische jupiterische neergang in een door luxe, kunst en veel rede omgeven materie. 

Na de neergang van de Stoa gaat Griekenland zich te buiten aan een veelgodenleer, kunstige, bewonderenswaardige afbeeldingen van hun godenpantheon en zo sterft dan een leer als die van Pythagoras en kennen wij de Griekse oudheid alleen uit hun mythen. 

Het is altijd dezelfde herhaling: van een innerlijke, metafysische leer gaat de neergang naar een beeldenpantheon. 

En nu moet de weg-terug naar de eerste Eenheid weergevonden worden. 

Nu de mensheid onderling zo vermengd geworden is, zijn er over de gehele wereld verspreid zielen die naar de jupiterische Idee, naar de saturnale Idee, naar de Venus-idee, dan wel naar een andere oorspronkelijke Idee verlangen. 

In elke zoeker is maar één ding gelijk: het Oerverlangen. 

Daarna kunnen zich hun wegen gaan scheiden, en dat is niet erg, indien die wegen elkander maar niet doorkruisen. 

Elke Griekse wijsgeer heeft - wonderbaarlijk genoeg - iets te zeggen aan de moderne mens. Het lijkt dat de Griekse filosofieën dichter bij ons staan dan welke andere filosofie ook, waarschijnlijk omdat de Griekse filosofie van de Rede uitgaat. 

De Rede die momenteel oppermachtig is in deze 20ste eeuw, al is er van de aloude heilige Retorica geen sprake meer. 

De Griekse filosofie is geen leer van de stilte, hij staat dichter bij de zonnecultus dan bij de maancultus. 

Er is een tijd van explosie en er is een tijd van implosie. 

Wij leven in de tijd van de explosie, in alle opzichten. 

Wij houden van het psychologische "je uitpraten", "je ontledigen", zelfs in gebedsvorm, zelfs in de meditaties waar je je via je denken moet ontledigen. 

Het jupiterisch-grieks is een vorm van het "zich vullen"; denk aan de oerzonde van Jupiter, de gulzigheid. 

Kennis, het zich en anderen kennen, de kunde, het onderkennen, deze spelen de hoofdrol in de Griekse filosofie, en ook deze weg voert naar God. 

God kennen is zichzelf kennen. 

Het kennen, het ontdekken is direct verbonden met onderzoek. 

Zonder kennen geen kunnen. 

Het is de twee-eenheid van de Stoa. 

Maar de grote problematiek blijft zich bevinden in de middelaar tussen die twee: de ziel. 

Pas als die ziel God of het Licht KENT, KAN zij zich goddelijk, lichtend, uitdrukken. 

Deze ziel is gevoelig voor beide zijden: zij heeft het Licht GEKEND en aldus wil zij het KUNNEN grijpen. 

In deze fase bevindt zich elke zoekende ziel, en daarin laat zij zich gemakkelijk verleiden om methoden te volgen die zowel het KENNEN als het KUNNEN zouden kunnen bespoedigen. 

Het geduld, dat eigenlijk alleen duidelijk door Hippocrates wordt geleerd, is de factor die menigeen ontbreekt. 

Het geduld, een oereigenschap van de Egyptische wijze, is ver te zoeken bij de Grieken. 

Het geduld, duidelijk zichtbaar in de statische Egyptische uitbeeldingen, mist in de levendige uitbeeldingen van de Grieken. 

Het geduld is het aambeeld waarop de alchemist zijn materiaal smeedt. 

Maar het aambeeld is slechts een onderdeel in dit grote proces en toch - zonder dit aambeeld "Geduld" zal er geen succes zijn. 

De natuur - zoals Hippocrates wist - bouwt haar resultaten op dit grote aambeeld. En daarom kan men zoveel leren uit het Boek der Natuur, hetgeen alle wijzen wisten. 

Maar zij die haar bestuderen, bestuderen haar met hun persoonlijke blik, en deze vertaalt het Boek der Natuur naar hun eigen natuur. 

Zo ontstaan de variëteiten, maar elke variëteit heeft zijn eigen schoonheid, zijn eigen charme, zijn eigen waarde. 

Put er daarom uit hetgeen u bevalt, maar werk daar dan ook mede, tot het u brengt waar u zijn wilt. 

Moge dit zijn in het Land waar het Licht doorlopend aanwezig is.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene