Planetaire filosofie

De astrologie is zeer populair in onze tijd, zij maakt op een ongekende manier opgang, hetgeen ook zijn schaduwzijden heeft. 

De opvattingen zijn sterk afgedwaald van de oude astronomische astrologie, waarin de planeten een heel andere plaats innamen dan heden. 

Wanneer je er van uitgaat dat de astrologie een uitloper is van een vergeten werkelijkheid en dat de interpretaties eigenlijk meer te maken hebben met de afkomst van de mens dan met zijn karakter, dan kom je op een heel ander punt uit. 

Het Boek der Natuur, waarvan brokstukken te vinden zijn in de alleroudste bewaarplaatsen ter wereld, vertelt over Jupiter-mensen, Mars-mensen, Mercuriusmensen, Venus-mensen, Saturnus-mensen en Maan-mensen.  

De beschrijvingen worden, zoals in de theorie van Blavatsky, symbolisch uitgelegd.  

Het boek Dzyan geeft echter in werkelijkheid een gebeurtenis weer die in de herinneringen van de oudste volkeren zijn blijven hangen, en iets wat men niet kent beschrijft men op een plastische wijze, gebruik makende van de terminologie der tijden. 

Hetzelfde kun je terugvinden in de oudste voorspellingen die gebeurtenissen en uitvindingen van de 20ste eeuw moeten beschrijven en dat op primitieve wijze doen, omdat de betrokken voorspeller of voorspelster onbekend is met het fenomeen zelf. 

We maken het ons te gemakkelijk om ware gebeurtenissen en onbegrepen feiten symbolisch op te vatten. 

Het is een uitvlucht voor dingen die we niet kunnen vatten. 

Hetzelfde is grotendeels gebeurt met de astrologie, die zich bedient van feitelijke gebeurtenissen, berekeningen die gebaseerd zijn op de alleroudste planetaire standen; berekeningen waarvan we ons in de astrologie nog bedienen, hoewel in de loop der eeuwen de planetaire standen zijn veranderd. Omdat elk schepsel en elke schepping beïnvloedt wordt door sterren en planeten, kan de astrologie, zelfs in haar hedendaagse verscheurde opvatting, stand houden, hoewel de astronomen vele bedenkingen hebben, eenvoudig omdat zij uit de andere helft van het vroegere eensgezinde kamp komen. 

Zij houden zich vast aan de astronomische hemel; de astrologen houden zich vast aan de alleroudste berekeningen. 

Beiden hebben altijd gedeeltelijk gelijk. 

De archeo-astronomie benadert de astrologie veel dichter, omdat zij feiten opgraaft waaraan de astrologie zijn berekeningen ontleent. 

Wanneer we ervan uitgaan dat de planeten oorspronkelijke tehuizen voor diverse volkeren zijn geweest, zoals je dit eveneens in het Boek Dzyan kunt lezen en dat die bewuste volkeren, geheel dan wel gedeeltelijk om de ene of andere reden op aarde zijn geland, kom je tot geheel andere conclusies. 

Dan bestaat b.v. de Jupiter-mens niet alleen als astrologisch type, maar herkenbaar als planetair wezen. 

En zo is het ook met de andere planeten. 

Dan bekijk je de Griekse mythen waarin die strijd over de kin-deren van Uranus met die van Saturnus en Jupiter worden beschreven heel anders. 

Dan worden die Griekse mythen een tastbare realiteit die wonderwel in te passen is in de beschrijvingen in de oudste leringen. 

Ik ben niet de enige die ervan overtuigd is dat alle mythen en legenden op een realiteit zijn gebaseerd en dat onze sprookjes heenwijzen naar ware gebeurtenissen. 

Natuurlijk het is veel moeilijker uit te zoeken waar en hoe die werkelijkheid zich voltrok, dan eenvoudig te grijpen naar symbolen, de methode van de gemakzuchtige prediker. 

Elk symbool vindt zijn oorsprong in de werkelijkheid. 

Het merkwaardige is dat b.v. Jupiter's astrologische karaktertrekken terug te vinden zijn in de mens die van Jupiter stamt. 

De astrologie baseert zich dus op aanwezige feiten. 

Als je denkt aan een planetaire filosofie, dan denk je dus aan bestaande mensen van Jupiter en van de andere planeten. 

Mensen die hier ofwel een opdracht hebben, ofwel tijdelijk hier worden gehuisvest en dan kunnen we nauwelijks spreken over degenen die van andere zonnestelsels kwamen, zoals b.v. de Chinezen en de Japanners met kun duidelijk van ons verschillende gebruiken. 

Het is hier niet van belang of we in een discussie zouden vervallen over de voor ons onoverbrugbare afstand tussen ons en andere zonnestelsels. 

De oude geschriften maken duidelijk gewag van ruimteschepen die dat wel konden, omdat er een tijd is geweest dat mensen van diverse planeten beschikten over een ruimte- en astronomische kennis die voor ons verloren is gegaan, hoewel we naarstig ernaar zoeken. 

De drang om de ruimte te verkennen bij sommigen komt niet uit het niets, die is gefundeerd in een innerlijk, wellicht onbewust weten. 

Alles herhaalt zich in de kosmos, herhaling is het levenselixer van de schepping en niemand ontkomt daaraan. 

Het aloude woord "er is niets nieuws onder de zon" is diepzinniger dan we waarschijnlijk vermoeden. 

Alles wordt opgebouwd uit oud materiaal en herbouwd uit hetzelfde materiaal, er is nooit iets nieuws, het bekende verdwijnt en daaruit komt iets schijnbaar nieuws, maar in wezen is alles oud. 

Het is het bekende Wiel met de ontelbare wentelingen; het is een kennis die de oude telgen der volkeren bezaten, maar die de moderne telgen ontbreekt. 

Niettemin zijn er enkelen die weten, die weten uit ongeschreven boeken en herkennen uit analogieën en bevestigingen vinden in schijnbaar onbelangrijke feiten. 

Zij zijn degenen wiens ontwikkeling begint, voor hen gaan werelden open, bekende werelden, die zij herontdekken. 

Dit zijn de z.g. buitenaardsen, zij die net zolang incarneren totdat zij hun oudste kennis, hun oudste liefde, hun oudste wezen hebben teruggevonden. 

Doorlopend vermengd met aardse vormen, compromissen aangegaan met aardse wezens, gebruiken aangenomen van aardse wetten  is hun oorspronkelijke kennis bedekt door een laag van hun niet-eigen ervaringen. 

En daarom blijven zij zoeken naar iets dat zij niet nauwkeurig kunnen omschrijven, maar dat zij voelbaar aanwezig weten. 

Het behoeven geen dromers te zijn, integendeel, onderling verschillen zij enorm, omdat hun afkomst een andere planeet is, of een ander zonnestelsel en daarom behoeven zij elkander niet te begrijpen. 

Hoewel zij iets in elkander herkennen, maar, leest u er de overleveringen maar op na: de Saturnus-mens en de Jupiter-mens, de Venus-mens en de Mercuriusmens, zij bestreden elkander, omdat zij allen een plaats zochten, en toen die strijd zo bloedig werd dat degenen die achtergebleven waren - de engelen - het gejammer van de aarde-mensen vernamen, toen werd de "mogelijkheid voor terugkeer afgesloten" en daarna, zo zegt het Boek Dzyan, "is de wereld, of de aarde, anders geworden." 

Vanaf die tijd zitten zij - of mag ik zeggen "wij" - opgesloten in ons tijdelijke oord zonder dat we naar onze mogelijke tehuizen kunnen terugkeren. 

Wij - of zij - droegen hun kennis over aan de aarde-mensheid, doch deze begrepen het niet en aanbaden hen als goden. 

Deze overlevering slaat vooral op de indaling van de Jupiter-mensen d.w.z. deze waren de laatste die indaalden, dus is dit de jongste overlevering. 

De andere vermeldingen vinden we in de oudste kloosters en z.g. gewijde plaatsen die argwanend worden bewaakt, omdat zij die deze aarde willen hervormen angst hebben dat de "buitenaardsen" de waarheid zullen vernemen en dus ondanks alles terug willen en de hervorming van de aarde en de autoriteit van de eerzuchtige "buitenaardsen" verwerpen. 

Het "nooit paniek zaaien" is zo oud als de wereld. 

En het "ruimteschepen bouwen en het vluchten van de aarde" is een onbewuste drang naar verbreking van de enge grenzen, die deze "buitenaardsen" nooit gekend hebben,

Vermenging zorgde ervoor dat het uiterlijk herkenbare type van  de diverse buitenaardsen verdween; doch er zijn andere kenmerken gebleven, die wij nu in de astrologie als zodiakaal type beschrijven. 

Voor sommigen zal deze realistische opvatting wellicht een teleurstelling zijn, indien zij de "buitenaardsen" hebben beschouwd als goden, volkomen wezens, wezens om te aanbidden en over te dromen en vooral, waarop allerlei vreemde filosofieën kunnen worden gebouwd. 

Maar het leven is niet aan ons gegeven om te filosoferen, maar om iets te herstellen waarin we volkomen faalden. 

We faalden in het bewaren van ons oorspronkelijke wezen; en we faalden in het bewaren van de harmonie. 

Elk planetaire, buitenaardse mens verviel in zijn kwade zijde, hij werd van godheid - in de ogen der aardsen - tot een demon. 

Elke planeet heeft nl. twee zijden, zo ook zijn afstammelingen. 

Er zijn echter gradaties in ontwikkeling, ook bij hen, er zijn leiders en dienaren, intelligenten en ondergeschikten. 

Het is niet altijd gezegd dat b.v. een Jupiter-mens intelligenter zou zijn dan b.v. een Saturnus-mens, zij zullen anders zijn en een zeer ontwikkeld Saturnus-mens is - in zijn soort - altijd vergevorderder dan een onontwikkeld Jupiter-mens. 

In eerste aanleg hebben zowel alle Saturnus-mensen als alle Jupiter-mensen iets gemeen, let wel, wij spreken over de van deze planeten KOMENDE mensen, en niet over astrologische typen, die hierin volkomen onbelangrijk zijn, omdat dit altijd slaat op een tijdelijke fase, en de afkomst op een blijvende staat. 

Wanneer je in de Griekse mythen leest dat Saturnus Uranus ontmande, dan wil dit zeggen: dat het Saturnus-volk de leiding over de aarde overnam van de Uranus-mensen.  

Vanaf die tijd had Uranus niets meer te zeggen, zodat in de astrologie Uranus een z.g. mysterie-planeet werd en Uranus-invloeden slechts belangrijk zijn voor degenen die hun afkomst herkennen en Uranus als heerser HER-kennen. 

Over deze Uranus en zijn mensen vertellen we u in de laatste lezing. 

Belangrijk is allereerst om te weten lijkt mij, in hoeverre we zelf van die buitenaardse sfeer afstammen en of we planetaire trekken in onszelf herkennen. 

Nogmaals: leg even alle astrologie naast u neer, dat is een leer van onze aardse fase, althans zoals die leer er heden uitziet. 


Laten we beginnen bij degenen die van Saturnus komen. 

Dit zijn de eersten die op aarde nederdaalden, en zij hebben te maken met de Egyptische levensopvatting. 

Hoewel de huidige nazaten zeer vermengd zullen zijn en moeite zullen hebben hun bodem te herkennen, hebben zij allen iets gemeen, nl.: zij zijn weloverwogen, rustig, weinig spraakzaam, betrouwbaar, hangend naar een kalme, weinig opwindende levensloop en naar diepgaande filosofieën. 

Zij zijn de onderzoekers, zij hebben geen taak op aarde, maar hun taak is een eigen sfeer te HERscheppen, hun mede-buitenaardsen zekerheid te verschaffen omtrent een veilige en zekere terugkeer. 

Een feit is, en dit even om de realisten gerust te stellen, dat deze "terugkeer" niet meer te maken heeft met een terugkeer naar de ons bekende planeten, omdat sommigen zullen zeggen; maar kunnen mensen daar dan leven? 

Maar ALLE buitenaardsen zullen eens verzameld worden op Uranus, de mysterie-planeet van een nieuwe era, zoals sommige leringen zeggen, hoewel zij niet precies weten waarover zij spreken. Uranus zal het uitgangspunt worden voor een NIEUWE wereld. De Saturnus-mens zal zijn mede-buitenaardsen altijd bemoedigen voor een terugkeer en zelf WETEN dat hij beslist niet verloren zal gaan. 

Hij is dus, precies zoals de symboliek wil, de werkelijke poortwachter, degene die de poort opent voor een nieuwe levensfase. 

Hij is geen wegbereider, maar een wachter. 

Iemand die zekerheid verschaft aan de twijfelaars en zijn taak ligt pas in, of aan het begin, van deze nieuwe era, hij moet de aankomende buitenaardse "testen". 

Daarom zal deze mens, hier op aarde, mensenkennis bezitten en argwanend zijn, en vooral kritisch tegenover zijn medemensen, omdat hij nu eenmaal schiften moet, dat is zijn taak. 


Degenen die van de Maan kwamen waren hele andere wezens: zij gingen weg door een catastrofe op de Maan, want deze is nu een "dode" planeet, zoals de oude geschriften zeggen. 

De Maan-mens lijkt het meeste op de aarde-mens, omdat zij beiden afhankelijk zijn, zij hebben van oudsher hun godheid gereflecteerd en zich gehouden aan wat hun Maan-god zei. 

Zij deden alles op bevel, en waren niet geschapen om individueel te existeren, zij zijn groepsmensen. 

Hoewel ook hier onderlinge verschillen zijn, doch veel minder dan bij de anderen. 

Uit deze ingeschapen prédestinatie konden zij meteen aansluiting vinden bij de op aarde wonende mens en maakten zij zich ondergeschikt aan de Saturnus-mensen. 

Zij veroorzaakten geen strijd, hoewel de Saturnus-mens dit ook niet deed. Hij trok zich in zijn eigen leefruimte terug en sloeg van daaruit terug naar zijn belagers. 

De Maan-mens kreeg duidelijk een aardse taak: proberen harmonie  te bewaren tussen degenen die op aarde leefden; hen een interesse te verschaffen waardoor zij één sfeer zouden kunnen herstellen waarin mogelijk allen zich zouden thuis voelen. 

Vandaar dat Maan-mensen - ook weer niet astrologisch - zich  veilig voelen in groeperingen en graag groeperingen willen vergroten om zoveel mogelijk eenheid te verkrijgen. 

Maar altijd onder leiding van een autoriteit, iemand die zij kunnen vereren. 

Maan-mensen zijn gevoelig, niet intellectueel, en gaan op hun "feelings" af, zij zijn dus gevoelig voor sfeer en blijven de sfeermakers, degenen die op aarde voor opvang zorgen. 

Ook deze inborst kan aanwezig zijn BUITEN elke astrologische geaardheid om. 

Zij zijn degenen die medelijden hebben zonder enig begrip te hebben van medeLEVEN, want daarvoor moet je een andere geaardheid hebben. 

In de filosofie wordt de maan de zuster van de aarde genoemd, wel, dit is te merken in hun schepsels. 


Na hen kwamen de Mercurius-mensen op aarde, die in de filosofie beschreven worden als de wezens van het vuur. 

Ook zij hebben een taak, maar die taak komt overeen met de beschrijving in de legenden over de Styx. 

Mercuriusmensen moeten stervenden begeleiden, althans hen vanuit de zichtbare aarde verder begeleiden in de sfeer na de dood. 

Zij zijn degenen die "opheldering" geven over het hiernamaals, over de verhoudingen van de sferen in het hiernamaals onderling, en zij zijn niet geschikt voor taken OP aarde, maar in het onzichtbare gebied VAN de aarde. 

Zij zijn dus boodschappers van het onzichtbare, zoals Mercurius altijd de Boodschapper wordt genoemd. 

Maar hij wordt ook de god van "de dieven en de handelaars" genoemd. 

Wel, er is iets van waar: op aarde zijn deze Mercuriusmensen niet betrouwbaar; d.w.z. zij hechten totaal geen waarde aan het verblijf OP aarde en nemen het dus niet zo nauw met aardse wetten. 

Zij zijn degenen die VERDER denken dan dit tijdelijke verblijf. 

Zij zijn gewiekst, scherp van doorzicht, omdat zij in meerdere dimensies kunnen denken en zij die dat niet kunnen, begrijpen hun onbetrouwbaarheid niet. 

Zij hechten verder geen waarde aan blijvende vriendschappen OP aarde, omdat hun interessen onbegrensd zijn. 

Godsdienst vinden zij nonsens, omdat zij weten WAAR de bron van alle Leven zich bevindt. 

Onrust brengt deze instelling met zich mede, zij krijgen pas rust als zij hun taak - zielen begeleiden - verrichten. 

Wij noemen dit dan "een taak aan gene zijde" hebben, maar bezien vanuit de planetaire inzichten is het eveneens een AARDSE taak, omdat het hiernamaals, direct na de dood, bij de aarde behoort. 


Na hen kwam de Mars-mens op aarde; het zijn degenen die de wezens van de wil worden genoemd. 

Zij werden van hun tehuis weggestuurd, omdat zij er disharmonie veroorzaakten. 

Hun reden was dus weer een andere - de Mercuriusmens kwam uit nieuwsgierigheid - dan die van de reeds aangekomen buitenaardsen. 

De Mars-mens - ook hier NIET aan astrologie denken - was de veroveraar, hij moest een deel van de aarde veroveren voor zichzelf. 

Daarom ontketende hij strijd, zoals de literatuur vermeldt, met hem kwam de meedogenloze krijg.  

Wil en Vuur bestreden elkander en toch respecteerden zij elkander, omdat zij beiden sterk waren. 

De Mars-mens is ongeduldig, omdat hij meent alles door gevecht, door inzet van zijn wil, te veroveren. 

Hij is dus, zoals we weten, juist de pionier voor zichzelf en voor zijn mede-Mars-mensen. Hij heeft geen taak op aarde, hij  heeft eveneens een taak in het hiernamaals, hij moet de aanvallers, die zich na de dood, op de ziel storten afhouden. 

Hij veroorzaakt op aarde altijd strijd, altijd is er om hem heen disharmonie en hij verstaat zich dus niet met de Maan-mens, die juist harmonie zoekt, en vrede. 

De Mars-mens haat vrede, hij is de verbreker, de opruimer, zoals de dieren die bij hem horen een "opruimtaak" hebben, want elk van deze buitenaardsen brachten hun dieren mede, die onder invloed van de aardse trillingen in uiterlijk veranderde, meestal groter werden. 

Zoals het paard, het Jupiter-dier, zijn hoorn verloor en daarom van een Eenhoorn veranderde in een paard. 

Mars-mensen zijn eveneens niet gediend van religie, zij willen altijd opruiming, doorbraak, gewoonten uitroeien. 

Opruimers zijn op aarde ook nodig, maar vooral - in de goede zin - strijders tegen het kwade; het kwade bestaat in werkelijkheid uit niets anders dan energiedieven, en deze worden opgeruimd door de Mars-mensen, omdat de energie de basis is voor ALLE leven, in en op de aarde, binnen en buiten ons zonnestelsel. 

De Mars-mens is dus in wezen NAAST de opruimer, tegelijkertijd de instandhouder, een Shiva. 


Na hem kwamen de Venus-mensen hier ingedaald door een catastrofe op hun planeet. 

Zij kwamen uit harmonie en vrede, zij zijn de lichtenden, niet degenen van het Vuur, maar degenen van de uitstraling. 

Zij kunnen goed samenwerken met de Maan-mensen, en zij  hebben een taak OP aarde, nl. te zorgen dat de liefde, de aardse liefde en de toegenegenheid blijft, zodoende zorgen zij, in tweede instantie voor het behoud van leven, zij zijn te vergelijken met Vishnoe, de instandhouder. 

Zij zochten geen strijd, maar trachtten zich de Mars-mensen te verzoenen - denk aan de mythe tussen Venus en Mars, omdat zij bevreesd waren voor een disharmonie waardoor het samenleven onmogelijk zou worden en daarmede de mogelijkheid voor herstel, incarnatie en herschepping zou vergaan. 

De Venus-mens zoekt en bevordert dus de gewone liefde; op hun planeet waren zij Hermafrodieten, maar door de omstandigheden op aarde veranderden zij in afgescheiden wezens. 

Zij waren de enigen onder de buitenaardse, die Hermafrodiet waren, en dus iets van sekse kenden. 

Vandaar hun stimulans tot verbintenissen, hun zoeken naar een "vereniging", omdat zij hun oude twee-eenheid missen. 

Maar hierdoor dienen zij weer de algemene doelstelling: het rad moet draaiende blijven. 

Vanuit het alziende Bestuur dienen ook de buitenaardsen het grote Doel.

De Venus-mens heeft tot taak de incarnaties in stand te houden. 

Hij dient de existentie op aarde en hij is daarvoor geschikt, omdat hij zijn uitstraling bezit, een uitstraling van Venus die aantrekt en nooit afstoot. 

Hij verandert vriendschap graag in liefde en liefde wordt existentiedrift of verenigingsdrift. 

Hij zoekt hierdoor zijn tehuis, zijn afkomst, hoewel op een aardse manier, maar ook hij vergat - grotendeels - waarom het in oorsprong ging. 


Tenslotte de Jupiter-mens, degenen die dus komen van de grootste en meest stralende planeet. 

Zij daalden af uit bemoeizucht, een soort willen helpen, maar dan met de idee dat juist ZIJ uit de chaos op aarde een orde zouden kunnen herstellen. 

Zij behoefden niet te gaan, maar zij WENSTEN dit, zoals de legende van hun "lichtzonen" ook vertelt. 

Zij zijn degenen die intelligent zijn, dus een sterke innerlijke kennis en een sterke herinnering mede dragen. 

Zij bedierven zichzelf door hun bemoeizucht en hun hoogmoed, zij waanden zich de Grote Almachtigen en daardoor vermengden ook zij zich te intensief met de aardse trillingen. Zij wensten hun kennis door te geven OPDAT de aarde zou veranderen en daardoor schonden zij hun geheimhouding en verraadden zij hun verbintenissen. 

De Jupiter-mens is in diepste wezen het type dat verraad kan plegen terwille van een doel, ZIJN doel.

Hij zal zich daar bewegen waar gerechtigheid moet geschieden, en daar waar inzichten worden gepredikt. 

Hij is de verkondiger. 

Hij behoort tot hen die hun Heer willen aankondigen, de wegbereiden voor het Licht. 

Zij zijn altijd religieus, maar in een zeer aparte betekenis. 

Godsdienst en dogma schuwen ze, individuele spirituele opvattingen, paranormale begaafdheden interesseert hen en bezitten ze veelal. 

Zij zien de natuur als een dienaar van hun God en willen helpen die dienaar op het rechte Pad te houden. 

Jupiter-mensen hebben een taak OP aarde, een taak van dienaarschap aan het Algoede, het rechtvaardige, het juiste, dat alles levend houdt. 

Jupiter-mensen ruimen nooit op, verbreken niet, maar zorgen voor het nieuwe, zij zullen Mars-mensen prachtig vinden, d.w.z. wachten hun opruimingswerk af om daarop opnieuw te starten. 

Beter dan voorheen, zeggen ze. 

Vandaar dat ze hoogmoedig zijn, zij zijn degenen die de ALheer dient, en niemand anders. 

Zij zijn de uitverkorenen, zij geven vorm aan een nieuwe ordening en hun voorbeeld behoort te worden gevolgd. 

De Jupiter-mens is degene die, als er werkelijk een nieuwe ordening moet komen, omdat alles werd verziekt, de Uranus-mensen, de koningen onder allen, terzijde zullen staan en zo - samen - staan zij garant dat geen mens op aarde ALLES zal kunnen vernietigen, want zowel Jupiter als Uranus dienen het eeuwigheidsprincipe.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene