Heeft religie zin - re-ligio, is godsdienst onontbeerlijk?

De godsdienst heeft momenteel een totaal andere vorm gekregen dan zo'n twintig jaar geleden; hoewel de kerkelijke hiërarchieën nog bestaan, hebben zij toch veel van hun macht ingeboet. 

Niet alleen het intellectualisme bracht deze verandering, maar vooral ook de informatie, die b.v. de klinisch doden gaven via de literatuur. 

Het bericht dat na de dood een neutraal Licht de gestorvenen ontvangt en hen zachtmoedig beoordeelt, neemt wel wat weg van de idee van een God der wrake, van hel en van al de godsdienstige etiketten. 

Hieruit blijkt dat na de dood een boeddhist en een christen met gelijke maat worden gemeten, nl. volgens hun menszijn. 

Religie is eigenlijk iets anders dan godsdienst; re-ligio komt van verbinden of het wederverbinden; een godsdienst ziet men als een leerstelligheid. 

Individuele re-ligio is dus het wederverbinden met iets goddelijks of heiligs; hoewel het woord ook wel eens wordt vertaald als de verbintenis tussen mensen, niettegenstaande de praktijk toont dat religies de mensen onderling eerder scheiden dan verbinden. 

Niettemin moet er duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen godsdienstige organisaties, de clerus, èn een individuele godsdienst, die los staat van enige kerk of sekte. 

Alle  religies hebben echter eenzelfde essentie: de hang naar het heilige dat schijnt in te spelen op het menselijke verlangen naar heiligheid of mystiek of goddelijkheid. 

Dit lijkt een oerverlangen in het menselijke schepsel te zijn dat zich vanaf de vroegste tijden manifesteert en aanleiding werd tot het vormen van religieuze instituten. 

Maar ook en vooral de behoefte naar een heilige, een mens, die hen tot voorbeeld zou zijn, en waarvan ze informatie verlangden over de essentie der heiligheid of God. 

Men kan natuurlijk dit alles afdoen met het gezegde dat ieder mens behoefte heeft aan een voorbeeld, een ideaal of een afgod. 

Eens moet echter de oervorm hebben bestaan van goden en aanbidders; de menselijke geschiedenis is altijd gekneed naar voorbeelden, mensen imiteren, baseren zich op een aanwezig gegeven. 

En daar er geen ledige ruimte is, komen deze gegevens dus uit de kosmos, uit de universele informatiebron. 

Scheppen, zo zei een natuurkundig onderzoeker, is niets anders dan het rangschikken van informaties, de informatiebron is blijvend in de ruimte aanwezig en wordt nooit minder, hoezeer iedereen ook daarvan aftapt. 

Met die informatie-gegevens kan iedereen doen wat hij of zij wil. 

In de loop der eeuwen hebben de religieuze instituten getracht dit oerverlangen van de mens in geordende, steeds meer wettische banen te leiden, waardoor voor sommigen, afbreuk werd gedaan aan de persoonlijke informatica of de creativiteit. 

Het risico werd natuurlijk dat de organisaties een obstakel gingen vormen tussen het schepsel en de kosmische informatiebron en zelfs  wel de plaats van deze kosmische Bron gingen innemen, zodat er een verstarring ontstond, daar geen enkele organisatie zich meten kan met de alomtegenwoordige informatiebron, die door de energievelden van alle menselijke generaties plus die van de oerkracht wordt gedragen. 

Het is een merkwaardig feit dat deze Informatie-Bron nooit raakt uitgeput, niettegenstaande talloze schepsels daaruit blijven putten en dit nog wel vanaf het bestaan van de wereld. 

Uitputting is onbekend, dit als tegendeel tot de intellectuele informatie, die begrensd is. 

Intellectuele doorgave vraagt energie, men wordt moe van intellectuele afgave of opname; met geestelijke informatie schijnt dit anders te zijn, er is nooit een kwestie van uitputting of begrenzing. 

Vermoeidheid heeft met het hersenorganisme te maken, moeiteloosheid behoort bij het geestelijke, waarschijnlijk bij de uitwisseling van de verfijnde energieën die het lichaam niet als directe transformator nodig hebben. 

Religio zou, in de beste zin, moeten behoren bij een onuitputtelijke, onvermoeibare energie-uitwisseling; het zou dus te allen tijde moeten verfrissen. 

De verbintenis met een organisatie als vervanger van de kosmische bron, brengt alle mogelijke problematiek en lichamelijke, mentale en emotionele verwikkelingen mede, hetgeen dus bewijst dat de verbintenis tussen mens en religieuze organisatie louter berust op fysieke inspanningen en dus fysieke tekortkomingen. 

Als de organisatie de plaats van de Oerbron gaat innemen, kom je tot twistpunten: menselijke maatstaven, menselijke onvolkomenheden leiden tot strijd, vooral omdat alles wat menselijk is door mensen kan worden aangetast, begrepen, uitgemeten, bestreden. 

Een, in iedere mens aanwezig oerverlangen, heeft geen etiket, maar draagt slechts het stempel van die betreffende mens. 

Mooier wordt het indien ook dit individuele stempel verdwijnt, waardoor er een unaniem religio-impuls aanwezig is, die dan werkelijk de mensen verbindt. 

Aan elke religie zit een filosofie. 

Onderzoekers leggen religie uit als een levensvorm en filosofie als een begripsvorm; dit is dan wel de ideale situatie. 

De begripsvorm bestuurt echter de levensvorm; filosofie is altijd gebaseerd op aanschouwen, soms op het aanhoren van iets. 

Men vormt zich een denkbeeld naar aanleiding van wat men ziet of hoort. 

Indien de filosofie voortgekomen is uit het individu zelf, is er sprake van een scheppingsvorm. 

Filosofieën zijn echter vrijwel altijd vervormingen van reeds aanwezige denkbeelden; verbeteringen van oude gezichtspunten. 

Maar vóór de filosofie is er het oerverlangen naar het heilige of naar de verbinding, de verbinding van het schepsel met de Schepper.

Dit verlangen herkennen we reeds bij Plato en Pythagoras; zij gingen, op aanstichting van dit oerverlangen, hun eigen filosofieën vormen, die echter hier en daar duidelijk verbeteringen bevatten van de gezichtspunten van hun voorgangers, die daar ook reeds toe gekomen waren door dezelfde inspiratie van het oerverlangen, de religio. 

Pythagoras, als de arithmeticus, gaf aan dit oerverlangen het getal vijf (5) d.w.z. het trillingscoëfficiënt van het getal 5 zou overeenkomen met de trilling die de verbintenis tussen ziel, geest en natuur bezit. 

In de getallenleer staat re-ligio inderdaad voor het getal 5. 

Het getal dat via zijn symbool tegelijkertijd vooruit ziet en achteruit ziet, met een verbintenis in het midden.  (>5<)

De veel gehoorde opvatting dat de Stoïcijnen atheïsten waren, gaat bij nadere beschouwing totaal niet op, omdat zij overtuigd waren van een eeuwigheidsbeginsel, de ziel. 

Filosofie, zo zeiden de ouden, is elke gedachte die zich uitdrukt rond deze ingeschapen verbintenis van geest, ziel en stof.

Een discussie rond de verbintenis tussen ziel en natuur kennen b.v. de natuurvolkeren niet: zij zijn niet filosofisch. 

Zij nemen iets aan van generatie op generatie. 

De filosofie liep echter uit in een intellectuele haarkloverij; zodat tenslotte de interpretaties belangwekkender werden dan het uitgangspunt: de re-ligio. 

Al die interpretaties leidden tot al die opvattingen die we momenteel kennen en waarin we omkomen zonder dat de ziel voeding vindt in de oorspronkelijke oer-religio. 


In verschillende takken van wetenschap, geneeskunde en sociale niveaus, weet men reeds dat er lichamelijke en geestelijke moeilijkheden ontstaan zodra het menselijke schepsel zijn binding met de Alziel negeert of weerstaat, er komt dan een degeneratie van het organisme, het denken en de emoties, maar ook van de moraal. 

Plichtsgetrouw kerkbezoek, wetmatige godsdienstige gedragingen doen niets aan dit feit af. 

Men vindt psychische problematiek zowel in als buiten de kerk of sekte. 

Plicht kan nooit de innerlijke spontaniteit vervangen, integendeel: plicht kan drukken en oorzaak worden van allerlei psychische frustraties en aandoeningen. 

Alles op aarde bestaat uit tweevoudigheid, maar ook uit een wisselwerking tussen die twee: zo kan liefde veranderen in haat, vreugde in droefheid. 


Het is onontkoombaar dat op aarde die twee-eenheid regeert; het geestelijke principe stijgt daar echter bovenuit: de ziel, het inwonende eeuwigheidsbeginsel kent een onuitblusbare liefde tot haar Schepper, of God, zo u wilt; uit deze zielenliefde komt spontaan de re-ligio, het verlangen naar wederverbintenis met die Schepper voort. 

Dit eeuwigheidsbeginsel is deel van die Schepper, vandaar dat het niet anders kan reageren dan verlangen naar een her-opname in die Schepper.  

Of we die Schepper nu zien als een krachtige Energiebron, als een magnetisch veld, als Licht of als Schepper van alle scheppingen doet niets ter zake: de ziel verlangt terug naar een Bron, waaruit zij blijkbaar eens is uitgegaan en of we dit nu zondeval noemen of een indaling-op-aarde is weer onbelangrijk. 

Het overal aanwezige feit ligt er: dat wat in ons woont en blijkbaar op aarde NIET thuishoort, het wil terug naar waar het vandaan komt. 

Zonder platgetreden termen kunnen we ons wellicht hierin verenigen; zodra we afstand nemen van aangeleerde uitdrukkingen, filosofische interpretaties, die verdelen inplaats van samenvoegen. 

Dus die ook die ziel kunnen afhouden van haar bron, inplaats van haar daarmede te verenigen. 

In de loop der tijden is er een verval te zien van de religieuze bezinning, of van de ineigen religio, die zich uitdrukt in: onbeheerste emoties, of sensatielust; onbeheerste intellectuele inspanning; en het verwaarlozen van hart- of/en geloofszaken. 

Hieruit volgde een totaal moreel verval. 

Wetten trachtten dit verval, deze morele, intellectuele en emotionele uitspattingen binnen de toelaatbare grenzen te houden. 

De moraal van een kleine groep mensen bepaalde de wettelijke regels en de rest moest zich daaraan houden. 

Het gevolg was: verwrongenheid, opstand, straffen, en allerlei uitingen van protest. 

Het morele verval leidde logischerwijze tot het kwetsen, doden en verwaarlozen van op een lagere  trap van ontwikkeling staande schepsels. 

Temidden van een milieucrisis behoeft dit geen verdere uitleg. 

Vanzelfsprekend is ook dat zó de basis voor een harmonische samenleving vervaagt; dat er steeds meer commissies en wetten in het leven worden geroepen om nog enigszins een goede leefsfeer te houden. 

Het verlies van de innerlijke binding met de Alziel - Paracelsus spreekt over een binding tussen de kleine en de grote Archéus - maakt de mensen blind voor de werkelijke verhoudingen tussen de vier rijken, tussen schepping en schepsel, en ook voor de verhouding onderling. 

Innerlijke ledigheid, of bandeloosheid, verleidt tot het beklimmen van intellectuele of extatisch-emotioneel-seksuele bergtoppen. 

Men gaat uiterlijk zoeken wat men innerlijk mist. 

Doch niets van dit alles kan de re-ligio vervangen, zo toont het moderne menselijke gedrag. 

2000 jaar Christendom; bijna evenzovele jaren Islamisme en minstens zovele jaren Boeddhisme hebben de wereld er niet beter op gemaakt, afgezien van de uiterlijke verbeteringen die echter  alle hun keerzijde blijken te hebben. 

De mens is niet menselijker geworden, slechts geraffineerder, het intellect leidde tot bedekte vormen van wreedheid b.v. 

De recente informaties over het leven na de dood, via klinisch doden dus, zou de dogmatisch gelovige iets van zijn angst voor de dood, zijn straf voor hel en vagevuur moeten ontnemen, maar, zoals gezegd, de ongeïnteresseerde oriënteert zich niet, omdat weten onrust medebrengt. 

Onrust is het begin van twijfel, maar twijfel kan het begin zijn van wijsheid. 

Iemand, die gekweld wordt door een hevige re-ligio, of oer-verlangen naar de herverbintenis, zal echter koste wat het kost op zoek gaan naar de waarheid, of voeding zoeken voor zijn ziel. 

Zodra de massa zich echter wat meer zou informeren, zou de dreiging van de angstpsychose, waarmede vrijwel alle groeperingen werken, wegvallen. 

Ook hier is echter informatie, kennisvergroting een ondermijning van de organisatie, want weten brengt onderzoek en er zijn vele organisatorisch-religieuze feiten die het onderzoek niet kunnen verdragen. 

Kennis ondergraaft dus veelal het fundament van een organisatie. 

Een feit dat men overal, bij vrijwel elke groep, herkent. 

Dit gebrek aan informatie is in onze westers kerkelijke en sektarische kringen bekend; in het Oosten kwam de mantram-magie in de plaats van het wettische dogma; daar is het motto: herhalen, oefenen, mediteren en niet vragen. 

Elke vraag komt uit het intellect, en is dus taboe. 

Achter elke methode staat het uitgesproken dan wel onuitgesproken dreigement: als je dit of dat niet doet dan raak je verdoemd. 

Waarom is iemand toch zo bang om "verdoemd" te worden?

Wat is dat überhaupt? 

Een uitstoten uit de organisatie, een banvloek? 

Maar die God van Liefde dan? 

En dat neutrale, zachtmoedige, vergevingsgezinde Licht dat ons na onze dood zou oordelen? 

Dit "vervloeken of uitstoten" is een psychologisch inhaken op het vage gevoel van het schepsel om "verloren te gaan". 

Dat "verloren gaan" heeft echter een totaal andere betekenis: intuïtief weten velen dat zij verloren gaan, indien zij de binding met de Alziel verbreken. 

Dit is een ingeschapen weten bij al degenen die z.g. zoeken. 

Maar zij die zoeken, hebben dikwijls een kritische instelling: zij weten intuïtief wat zij zoeken. 

We kunnen dit ook uitleggen volgens de natuurkundigen: hoge trillingen zoeken hoge trillingen: de ziel bezit een veel fijnere trilling dan het lichaam, zelfs dan het denken en de emotie, en deze trilling zoekt zijnsgelijke. 

Men vermoedt, in natuurkundige kringen, dat deze ziel zulk een fijne trilling heeft, dat de moderne instrumenten dit nog niet meten kunnen. 

De ziel hongert indien haar zulk een trilling niet wordt toegevoerd. 

Het is begrijpelijk dat zulke trillingen zich slechts sporadisch in woorden, gedachten, gevoelens en handelingen manifesteren. 

Vandaar dat vele zoekende zielen zeggen: ik voel me zo alleen; ik kan met niemand praten, d.w.z. er is nauwelijks uitwisseling van die fijne energietrilling. 

Momenteel ontdekken veel van die zielen dat de religieuze instanties deze geestelijke zielenvoeding niet verstrekken en als dan nog de angst voor verdoemenis en hel wegvallen, blijft er niet veel meer over. 

Dan gaat deze zoekende mens zwerven, van het ene naar het andere, en deze zwerverstocht kan slechts beperkt worden, indien de ziel haar herkenningsvermogen niet verliest. 

De hang naar oosterse religies komt voort uit een gevoelsarmoede in het westen; hier spreekt men over godsdienstige kwesties, filosofeert men; dáár laat men zich drijven op gevoelens. De strenge methodiek, de gedisciplineerde oosterse methoden vinden hier immers nauwelijks ingang. 

Wij vragen ontspanning en geen inspanning. 

En re-ligio moet voor ons een ontspanning zijn, d.w.z. een opheffing wat eeuwenlang intellectuele training heeft aangericht. 

De mystiek, dus de gevoelsuiting, is in het westen zeer gevraagd; het woord mystiek komt uit het Grieks en betekent oorspronkelijk: sluiten. 

De Mystès is hij die de verbintenis met de Alziel opnieuw gesloten heeft, hij is "ingewijd". 

Inwijding is in het westen en vooral in de 20ste eeuw een vervormd begrip. 

Filosofisch legt men dit uit als een teruggaan van het individuele naar het universele.  

Pythagorees: de 1 gaat terug tot de 0, het Al. 

Deze opvatting kun je in alle voorchristelijke opvattingen terugvinden en hoe verder je in de historie teruggaat des te minder strijdpunten je vindt over de religieuze opvattingen. 

Het was destijds een geaccepteerd feit dat het individuele, de ondeelbare ziel, uit haar Bron was ingedaald in de stof.

De terugkeer van die ziel was noodzakelijk. 

Om deze terugkeer heen zijn dus, in de loop der eeuwen, al die mogelijkheden, terugwegen, intellectuele interpretaties, en extases ontstaan, die de éénheid deed uiteenvallen in de veelheid. 

En dat de veelheid eerst moet terugkeren tot de eenheid, voordat deze kan oplossen in de onbegrensdheid, is eigenlijk zeer logisch. 

Het is een vorm van terugkeer, terugkomen op je schreden. 

En dit terugkomen op onze schreden is nu juist iets dat zo opleeft in onze tijd, een teken dat de re-ligio, wellicht vanuit een totaal andere zijde dan gedacht, toch weer wordt gezocht. 

Alleen veelal zonder bemiddelende instanties. 

Dit is de signatuur van de Waterman-era: het individu dat zijn levensstroom, zijn goddelijke water, wat daar ook nog van over is, terug wil storten in de universele, oneindige goddelijke Oceaan, de Oceaan van Ea, waaruit al het leven voortkomt en waarin alle levensstromen terugkeren.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene