De drang naar vrijheid

"De mens is vrij wanneer hij niets vreest en niets begeert."

Pétiet.


Vrijheid is een woord dat altijd een magische klank op de mensheid heeft uitgeoefend, hoewel de uitspraak: "Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap" een farce is gebleken. 

Geen mens is gelijk, broederschap is een ideaal en vrijheid wordt niet begrepen. 

Vrijheid is een begrip waarbij ongedwongenheid, grenzeloosheid en groeien en bloei ons voor ogen staan. 

De drang naar vrijheid is lang niet iedereen ingeschapen, dat bewijst de concurrentie der groeperingen en sekten; vrijheid is immers zelf vrij zijn, maar ook anderen vrij laten. 

Vrijheid bevecht je niet alleen voor jezelf; vrijheid is de verten blijven zien, zoals de Chinese uitspraak zegt: 

"Wee hem die mij het uitzicht op de wijde hemelen ontneemt." 

Er zijn verschillende soorten van vrijheid, maar dichtbij ligt de vrijheid van het lichaam, dus niet geknecht zijn door iemand; en ten tweede is er de vrijheid van de geest, en het gaat altijd om deze twee soorten. 

Ook in een geknecht lichaam kan de geest vrij blijven, dat bewijzen de martelaren in de onderdrukte landen, maar zodra de geest wordt geknot, krijg je de terreur van de gevangenen; d.w.z. dat machthebbers hun tirannie op anderen uitoefenen via hun mentale gevangenen. 

Als ik alleen nog maar kan napraten hetgeen mijn voorganger, mijn geadoreerde voorbeeld zegt, zonder dat mijn eigen geest in beweging komt, ben niet ik machtig, maar mijn voorzegger oefent dan zijn heerschappij uit. 

Je hebt dus lichamelijke en geestelijke lijfeigenen, in het eerste geval kan je geest ongestoord verder groeien, zeker wanneer die geest sterk is; in het tweede geval wordt die groei verhinderd en er moet natuurlijk worden bijgezegd dat in het laatste geval er geen sterke geest in de betrokken mens huist. 

Helaas zijn de sterken, vooral de geestelijk sterken, ver in de minderheid, dat bewijst de wereldsituatie en de geestelijke groei van het menselijke bewustzijn. 

De echte drang naar vrijheid is een drang naar groei, naar ontplooiing, naar ontdekkingen. 

Geen enkele wetenschapper, om hier een voorbeeld te geven, kan tot nieuwe ontdekkingen komen als hij mentaal wordt geknecht. 

Maar ook zij, als het goed is, hebben hun morele, ethische en wettelijke bepalingen waaraan zij zich vrijwillig houden. 

De drang naar vrijheid is normaal bij degenen, die z.g. "Uit de hemel komen", omdat zij zich gevangen gevoelen hier op aarde. 

De aardse maatstaven, het onvolkomene, het beperkte, de materie die bedrieglijk is, irriteren hen, omdat zij deze als leugen zien. 

Uit een aloud weten verzetten zij zich dus tegen de druk van de begrenzing. 

Zelfs in de wetenschap kom je dit tegen, vooral in de natuurkunde, in de chemie, in de astronomie, in de geneeskunde en in de filosofie. 

Elke tak van wetenschap die te doen krijgt met het mysterie van de tweezijdige natuur, van het zichtbare en het onzichtbare en van het fenomeen van de geest die het lichaam beheerst, stelt zijn bestudeerders steeds weer voor verrassingen, die op hun beurt weer provoceren tot verder onderzoek. 

Hetgeen weer kan leiden naar een al dan niet geforceerde grensoverschrijding, waarbij - en dat is het gevaar - de wet van de natuur, die van de Veranderaar, zoals we in de eerste lezing aanhaalden, genegeerd wordt. 

Vrijheid betekent méér zien, méér weten, méer ervaren, dat beseft iedereen. 

Angst voor vrijheid maakt slaven; horigen, die dus geen verantwoording voor hun daden behoeven af te leggen. 

Hen wordt ook de vreugde van de ontdekking onthouden, voor hen is de gewoontevorming, de middelmatigheid en er zal nooit sprake zijn van die innerlijke doorbraak, die onder allerlei namen in de mystiek, in de wetenschap, in de ketterij, wordt genoemd. 

Voor de zoveelste maal, wellicht overbodig, herhalen we nog eens dat vrijheid niet synoniem is met bandeloosheid. 

Alles ontwikkelt zich volgens processen, dat is het grondbeginsel van de schepping. 

En alles moet vóór elke verandering aan een bepaalde maatstaf voldoen, dat is ook de wet van de chemie. 

De saamhorigheid, de broederschap, de zo veel geciteerde gelijkheid, funderen zich in de vrijheid. 

Gelijkheid betekent dan saamhorigheid, waarin tegengestelden: het nederige en het hogere elkander eerbiedigen. 

Niemand is gelijk aan de naaste en dat is een geluk, maar het gaat er slechts om hoe wij het begrip "gelijkheid" interpreteren en of wij een gedachtekronkel hebben omtrent het begrip "laag" en "hoog", belangrijk en onbelangrijk. 

De voet is even belangrijk als het hoofd, de vuilnisophaler of milieuverzorger doet, in zijn genre, net zulk onmisbaar werk als een onderwijzer b.v.. 

De terreur van het intellect dat op zichzelf onwijs is, heeft ons valse begrippen ingeprent; en onze innerlijke onwijsheid, om niet te zeggen domheid, bevordert deze terreur, omdat voor ons belangrijkheid veelal gelijkstaat met diploma's en financieel goede posities. 

Dat is het toppunt van onvrijheid en geestelijke gevangenschap, die we waarschijnlijk zelf niet beseffen. 

Het zich saamhorig gevoelen geschiedt op basis van een verbindende schakel, dat is natuurkundig en geestelijk hetzelfde. 

Om lichaam en geest samen te binden, hen met elkander te verenigen en vooral hen saamhorig te doen reageren, is er de ziel. 

Een gezonde ziel schept harmonie van lichaam en geest. 

En iemand die zo harmonisch is, blijft altijd vrij, al zou men zijn lichaam kastijden, zijn mentale en morele vrijheid kan door niets en niemand worden beknot. 

In de chemie moeten eerst elementen "vrij" worden, om een nieuwe verbinding tot stand te brengen. 

Hetzelfde geldt dus voor mensen. 

Er moeten eerst enige menselijke individuen "vrij" zijn, om een nieuwe saamhorigheid, een nieuwe basis en een nieuwe verbintenis te scheppen. 

Een nieuwe maatschappij-structuur kan slechts geschapen worden door vrije mensen. 

Dan geldt hetgeen we citeerden: 

"De mens is vrij wanneer hij niets vreest en niets begeert." 

Elke angst is een binding en daardoor kan men een compromis sluiten; elke begeerte brengt hetzelfde. 

De vrijheid van geest sluit deze angstloosheid en deze begeerteloosheid in. 

De begeerte naar heil kan al funest zijn, omdat hierdoor verbintenissen kunnen worden aangegaan die het eigenbelang dienen. 

Onze hele maatschappij, inclusief sekten en religies, zijn op deze angst en deze begeerte gefundeerd. 

Daarom zijn zij machtig; daarom kan het bekende "verdeel en heers" steeds weer worden uitgespeeld. 

Vrijheid, innerlijk vrij zijn, is een deel van het goddelijk zijn, aldus een deel van het aloude Lichtwezen dat de ziel eens was. 

Niemand kan Gode of de geest beknotten, zij zijn vrij in zichzelf; dat is de doorlopende irritatie van alle betrokkenen, die zich inspannen om geestelijke of religieuze groeperingen samen te stellen. 

Vandaar dat de angst en de begeerte machtige wapens worden. 

Maar de "vrije" mens bemerkt direct dat bij intrede van dogma, angst en begeerte, de geest vliedt. 

De geest beweegt waarheen en waarin hij wil, hij komt en gaat, indien de voorwaarden voorhanden zijn, precies zoals in de chemie. 

Het kleinste schepsel bezit dezelfde wet als het hoogste; er is slechts sprake van veranderingsprocessen, bewustzijnsstadia, bewustwording en vrijheid, de vrijheid dus die noch vrees noch begeerte kent, is het resultaat van een aaneensluiting, opeenvolging van bewustwordingen. 

Een kudde is nooit vrij, hij gaat en staat waar hond en herder hem brengen; 

de angst voor de hond, 

de angst voor de slacht, 

de angst voor de honger leven in de kudde, 

en dan nog de begeerte naar de essentiële existentie. 

De kudde kent instincten, de vrije mens kent intuïtie. 

De vrije mens gehoorzaamt vrijwillig - dus uit vrije wil - aan de discipline van een geestelijke wet, een scheppingswet, niet door mensen gemaakt. 

In die wet ligt als vanzelfsprekend verborgen: saamhorigheid met de andere "vrijen", eerbied voor de schepping, eerbied voor het leven, eerbied voor een Oerbron. 

Dit sluit een anti-natuurlijk, en een anti-spiritueel gedrag uit. 

Vele ziektetoestanden ontstaan omdat we niet "vrij" zijn; vrij om gehoor te geven aan een chemische reactie, om gehoor te geven aan de wet van de verandering. 

De volksziekten ontstaan door geestelijke oppressie, benauwdheid. 

De haat kan erdoor ontstaan, omdat liefde slechts groeit in vrijheid en zich op deze wijze niet kan veranderen in haat. 

Als je zegt: "Ik ben vrij om te doen en te laten wat ik wil", en je uit dit met een zeker genoegen, dan betekent het dat je keuzes kunt maken, onafhankelijk van enige binding. 

Dus: je kent noch vrees noch begeerte. 

Idealistisch gezien dus. 

De menselijke begeerte uitroeien is een opgave waarbij menigeen is gestruikeld. 

Maar in ieder geval is er een zekere mate van vrijheid en de keuze die je doet kan leiden tot verdere ervaringen, tot verdere reacties en mogelijke veranderingen en groei. 

Zodra iemand zijn liefde, zijn vertrouwen, zijn zekerheid, zijn rust of zijn zelfbeheersing verliest, is dat al een bewijs dat er iets mis is, mis met die innerlijke vrijheid; dan is er sprake van de terreur van angst en begeerte. 

Bij elke innerlijke verandering is er sprake van een ketenverbreking; men wordt ketter. 

Je begint al als kind: je maakt je los van je ouders; dat is een eerste stap in de vrijheid. 

Of je die vrijheid aankunt of je aan de voorwaarden, dus de rijpheid hebt voldaan, bewijst je gedrag in de vrijheid. 

We behoeven elkander niets te vertellen over de gedragingen der jeugdigen, maar zij zijn niet alleen onrijp, ook de ouderen kunnen hun vrijheid niet aan. 

Als je de ouderband verbreekt ga je nieuwe banden aan: met een baas, een levenspartner enz. en als de saamhorigheid op basis van de vrijheid niet tot stand is gekomen, worden de bindingen knellend, wurgen zij iemand. 

Dan was de reden: begeerte of/en angst. 

Zo bestaat heel de samenleving uit banden die gesmeed en banden die verbroken worden, met als tussenfase, de knellende banden, die een heel justitieel apparaat in leven riepen. 

En nog steeds blijft vrijheid een magisch woord en zal dat blijven, zolang het schepsel bestaat uit de chemische samenstelling die het oerprincipe van de natuur vormt, en die tevens de evolutie of de transformatie inhoudt. 

De vrijheid leert ons de beperkingen van ons instinct inzien, daar dit dwangmatig is; en geeft ons inzicht in de diepte en de onbegrensde mogelijkheden van de intuïtie. 

Intuïtie laat iemand vrij, je kunt haar negeren of ontplooien en dat doet niets af aan de natuurlijke functies van het lichaam, maar het doet wel af aan zijn geestelijke ontplooiing; elke wetenschapper weet dat intuïtie voorafgaat aan de grootste ontdekkingen, 

Elke ketter weet dat intuïtie hem bevrijde van waandenkbeelden, angstterreur of suggesties. 

Elke mysticus weet dat de intuïtie hem op het spoor bracht van verlichting. 

En elke goede geneeskundige weet dat de intuïtie hem behoedt voor fouten en hem feilloos op de juiste inzichten attendeert. 

Intuïtie, eigen ervaring en minutieus onderzoek gelden in de belangrijkste takken van wetenschap, maar gelden ook in de geestelijke vrijheid. 

Intuïtief weten waar de eigen grenzen liggen, dus niets forceren; bouwen op de eigen ervaringen, waardoor theoretische onjuistheid ontmaskerd kunnen worden; en nauwgezet onderzoeken of de vrijheid waarin we ons bevinden niet slechts een illusie is en niets anders betekent dan revolte, omdat ons ikje gewond werd. 

Er woont in alle mensen een soort geloof, het geloof in beter, in harmonie, in vervolmaking, in de liefde die alles overwint en noem maar op. 

Tot nu toe zijn alle pogingen tot een universele saamhorigheid gestrand, gestrand op de angst en de begeerte. 

De angst voor de consequenties van de vrijheid en de verandering; de angst voor machtsverlies en de begeerte naar macht. 

Dat verdeelt de mensen onderling; dat maakt de groepen tot vijanden, de volkeren tot vechtenden, de regeringen tot elkander beloerenden. 

Hij, die niets vreest en niets begeert is pas echt vrij. 

Hij behoeft in 't geheel geen zonderling te zijn, hij kan liefde geven zoals hij wil, altijd naar de eigen mogelijkheden en hij kan zich binden of zich losmaken indien hij wil. 

Maar hij staat alleen tegenover de stormen, die op zijn levensweg komen, hij kan zich niet verschuilen in de massa en dat vraagt moed. 

De moed tot een ketterschap. 

De moed om te kiezen tussen geweten en compromis. 

De moed om de verantwoording te dragen voor jezelf, voor je keuze. 

En de moed om, indien je faalt, de stem van je geweten onder ogen te zien. 

Talloze ketters kenden die strijd. 

Talloze vrijheidsstrijders kennen die. 

Talloze mystici kenden die. 

Het is de strijd voor de sterken. 

Maar het is ook de strijd die daarna de bevrediging, de innerlijke vrede kan brengen. 

Het beloofde land komt na de woestijn. 

Voor deze uitspraak behoef je geen christen te zijn. 

Althans geen bijbelse christen. 

Iedereen kent de vrede na de zelfoverwinning. 

En dit is ook wat de Katharen bedoelden toen zij zeiden tot hen die stierven omwille van hun geweten: "De diepe Vrede, de diepe Vrede van Bethlehem zij met u." 

Voor een praktiserend ketter zijn deze woorden geen frase, maar bevatten alle hoogten en diepten van DE verandering en de groei. 

Moge de vrijheid ons deze diepe vrede brengen, opdat wij zullen weten wat ketter - Catharos - werkelijk betekent.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene