Beroemde en beruchte ketters

Het is ondoenlijk hier alle beroemde en beruchte ketters aan te halen, dus willen we het laten bij enkele bekende grondleggers van ketterse bewegingen, waarvan we allen wellicht hebben gehoord. 

We beginnen dan niet in de voorchristelijke jaartelling, omdat er in de loop der jaren al heel wat gezegd is over de gnostieken; ook over de Manicheeën, de Paulicianen, de Marcionieten en de diverse gnostieke groeperingen van het begin onzer jaartelling is al heel wat gezegd. 

We willen nu wat dichter bij huis blijven, maar slaan zelfs de Katharen over, daar zij ruimschoots werden genoemd in ons boek " De Adem der Gnosis". 

We willen het nu eens hebben over de ketters binnen de kerken en de kloosters, degenen die zich van binnenuit vrijmaakten, omdat zij zich geroepen gevoelden, ofwel zich aangeraakt gevoelden door een Licht, of gedreven werden door hun geweten. 

Een van de meest bekende is dan wel Petrus Waldes, de stichter der Waldenzen; en het valt weer op dat alle bewegingen, die heden nog bestaan op de herinnering aan een groot voorganger, in weinig opzichten nog de voorschriften van die voorganger in ere houden. 

Deze welgestelde zakenman kwam, door een oude, pure monnik, die als pelgrim de mensen tot reinheid en moraliteit aanzette, in een zware levenscrisis, omdat hij zijn woekeraarsbestaan plotseling inzag. 

In zijn nood richtte hij zich tot twee priesters, die uit zijn nood goed geld sloegen en voor hem (tegen goede betaling uiteraard) de bijbel in de volkstaal vertaalden. 


Ik vertel u dit om aan te tonen dat een ketter geboren wordt uit een crisis. 

Waldes kan men beschouwen als één der eerste bijbellezers uit de Middeleeuwen. 

De Waldenzen leefden ongeveer tegelijkertijd met de Katharen en waren rond de 12de eeuw in Lyon bekend als "De armen van Lyon". 

Waldo of Valdo nam de Bijbel letterlijk naar het woord en wilde het leven der apostelen letterlijk in praktijk brengen, vandaar dat hij alle aardse goederen afzwoer en predikend ging rondtrekken en zijn volgelingen deden insgelijks. 

Tussen de Katharen (of Albigenzen) en de Waldenzen heerste een goede verstandhouding, maar de eerste waren vaak geletterder, de laatsten gingen het in de eerste plaats om de onthechting van de materiële goederen. 

Daar hier inbegrepen werd een afschuw van de roomse decadentie en de materiële overdaad van kerk en kerkelijken, is het vanzelfsprekend dat Valdo en de zijnen aan heftige vervolgingen blootstonden, temeer daar hij, eens rijk, nu de kracht gevonden had al die rijkdom te verloochenen. 

In de catechismus van de Waldenzen kan men lezen dat zij woordelijk de apostelen volgden, want het antwoord op de vraag: "Hoedanig onderscheidt gij het geloof", werd geantwoord: 

"In een levend en een dood geloof." 

"Wat noemt gij het levende geloof?"

"Het geloof dat zijn oorsprong vindt in de liefde." 

"En wat is een dood geloof?" 

"Dan wordt Jacobus geciteerd over het geloof dat de werken niet heeft. 

Een dood geloof is te geloven dat er een God is, is te geloven van God, maar nochtans niet te geloven IN God." 

En dan natuurlijk het antwoord op de vraag: 

"Gelooft gij in de Heilige Kerk" en dan wordt er gezegd "Neen." 

De Waldenzen waren een groep ketters tegen de instellingen van kerk en dogma. En onderschrijven hun protest met hun levenswandel, althans dat deden zij. 


Dan was er Joachim van Fiore, wiens naam in alle kettergeschiedenissen opduikt en waarvan men zegt dat hij het atheïsme grondde. 

Als er iemand miskend, misverstaan en belasterd is, dan is het wel Joachim en zijn "Broeders en Zusters van de Vrije Geest." 

Hij voelde zich tijdens een verblijf op de berg Tabor geroepen door het zien van het Licht. 

Oorspronkelijk een Cisterciënzer monnik en zeer geëerd om zijn religieuze en filosofische geest, die echter zwaar beïnvloed werd door Oosterse religies. 

Hem werd door drie pauzen gevraagd zijn gedachten op papier te zetten en na dit te hebben gedaan, werd hij gedoodverfd als "de vader van alle ketterij" en werden zijn geschriften in de ban gedaan. 

Hij werd in de historie bekend als een heilige en een ketter, een dubbelrol werd hen toebedeeld, waarbij men vergeet dat heiligheid en ketterij uitstekend samen 

kunnen gaan. 

Van hem is de opvatting dat men de tijd in drie fasen kan verdelen: De tijd van de Vader de tijd van de Zoon en de tijd van de Heilige Geest, hetgeen natuurlijk lijnrecht indruiste met de inzichten van de kerk. 

In moderne zienswijzen spreekt men over de tijd van Petrus - van Paulus en van Johannes, een inspiratie opgedaan uit Joachim van Fiore. 

Petrus of de Vadertijd is dan de tijd van het dogma en de kerken, een tijd die we reeds lang zijn gepasseerd; Paulus heerst over de tijd van de doorbraak, de losmaking van de kerk, de invloed van de Orphische mysteriën, en het inzicht. 

En tenslotte Johannes heerst over de tijd van een abstracte, rein spirituele religie, die zuiver individueel en uitsluitend innerlijk kan worden beleefd. Een praktisch leven van liefde en dienstbaarheid gaat daarmede samen. 

Bovendien geloofde Joachim niet in een geschreven Nieuw Testament, maar in een levend Testament, dat door elk mens door zijn leven bevestigd zou moeten worden. 

Hij heeft zeer veel invloed gehad op de Franciscanen, die veelal met hem de weg der ketterij opgingen. 


De tweede leider van de "Broeders en Zusters van de Vrije Geest" was Almarik van Bena, die omtrent 1200 magister te Parijs was. 

Almarik ging echter door de knieën door de banvloek van Innocentius III en herriep zijn geschriften, waarna hij, door gewetensnood en schuldgevoelens om zijn lafheid, zwaar ziek werd en stierf. 

Eerst onder kerkelijke ceremoniën begraven, werd hij een paar jaar na zijn dood opgegraven en zijn gebeente in ongewijde aarde weggestopt. 


U ziet dat "ketterij" in de middeleeuwen een ingrijpende levenservaring inhield, omdat de machtige kerk geen tegenspraak duldde, wel dikwijls de genialiteit en de scherpzinnigheid van de opstandelingen inzag en hen allereerst trachtte te behouden, omdat hun naam zo invloedrijk was, maar hen daarna met alle mogelijke vervolgingen, banvloeken e.d. het leven zuur maakte, indien zij niet aan galgen of op brandstapels stierven. 

Ketterij heeft consequenties. 

We realiseren ons heden niet dat opvattingen die wij heel normaal vinden, gevestigd werden via het levensbloed van hun pioniers: dat geldt voor astronomie, voor geneeskunde, voor religie en voor humanisme. 

Het huidige humanisme of het atheïsme lijkt in geen enkel opzicht meer op hetgeen de "Broeders en Zusters van de Vrij Geest" aanhingen. 

Laten we wel één ding mogen vaststellen: alle ketters waren innerlijk religieus in de betekenis van het woord re-ligio, het zich wederverbinden met een Oerbron. 

Godloochenaars waren zij geen van allen, daarvoor waren zij veel te intelligent en kenden zij te goed de alleroudste opvattingen over de scheppingswetten. 

Zij loochenden de godsopvatting van de kerk en dat is iets heel anders. 

De "Broeders en Zusters van de Vrije Geest" ondervonden de maatschappelijke verhoudingen als drukkend en zo werden zij zwervers, waren overal thuis, hoewel zij totaal niet aan de wereld hingen. 

Vooral in Schwabenland waren zij sterk en zij leefden in de veronderstelling dat zij - in het jaar 1260 - op een keerpunt der tijden stonden, hun geloof was in het komen van de "tijden van de Heilige Geest" de tijden van liefde. 

Het geloven in een "omwending der tijden" is altijd een basis geweest voor ketterij en vooral een basis voor het vermeende uitverkoren zijn. 

Een mens, die meent de waarheid te zien of te bezitten denkt zichzelf zo gauw als uitverkorene. 

Iedereen die innerlijk in beweging is, is eigenlijk een uitverkorene, mits hij maar niet trapt in de verleiding van de zelfoverschatting en de zelfgenoegzaamheid. 

Er zijn genoeg ketters - buiten de talloze dogmatici, die door deze zelfgenoegzaamheid hun innerlijke beweeglijkheid en ontplooiing verloren en dus kristalliseerden in een dogma, een dogma met ketterse inzichten. 

Hetgeen natuurlijk een tegenstelling inhoudt. 


Tussen de grote ketters ontmoeten we Mr. Eckehart, ook monnik, ook prediker binnen de kerk, maar totaal losstaande van het kerkelijk dogma. 

De kerk is de moederschoot van vele ketters, ook van de onze. 

De stoutmoedige Eckehart gebruikte de kloosterkansel om zijn gedurfde preken te houden en hoewel de geestelijken hem aanraden zijn mond te houden, kon hij niet zwichten voor hun waarschuwing, omdat hij zich van binnenuit gedwongen voelde om zijn weten te verkondigen, getuige zijn uitspraak: 

"Wie deze preek verstaan heeft, hem gun ik dat.

  Maar als hier niemand was geweest die haar begrepen had, dan had ik de preek toch voor deze offerkist moeten houden."

Gelukkig heeft Eckehart zich nooit gestoord aan de bedekte bedreiging in de woorden van de geestelijken, anders zouden ons al zijn geschriften onthouden zijn. 

Eckehart als mysticus is een groot voorganger voor de ontwikkeling van de innerlijke, individuele God, een reine ketterij binnen de kerk. 

"Richt er al uw streven erop dat God-in-u tot wasdom komt," zo riep hij zijn toehoorders toe en "Zo vaak ik preek pleeg ik te spreken over de afgescheidenheid en dat de mens zich van zichzelf en van alle dingen moet ontledigen", woorden, die lijnrecht tegen elke organisatorische groepvorming ingaan. 

Woorden ook, die de huidige mens goed ter harte kan nemen, omdat deze vol is van zichzelf en juist door allerlei therapieën meer dan ooit bij zichzelf wordt bepaald. 

Daar waar je jezelf in de weg staat, wordt het Licht aan het oog onttrokken en dat wordt maar al te dikwijls vergeten. 

Hij preekte ontelbare malen dat niet de wereld en de duivel de grote belemmeraars waren op de weg tot het heil, maar de mens zelf en dat was een totaal nieuwe gedachte in die tijden. 


Na Eckehart komt Johannes Hus, een intelligent en religieus man, die priester was aan de Bethlehemskerk te Praag. 

Hus maakte zich, evenals alle ketters, los van het collectivisme, en ging als eenling een weg die hem in botsing bracht met de heersende macht. 

Johannes Hus kunnen we zien als een boeteprediker; iemand die oproept tot het bekeren tot het waarachtige christendom, niet tot de kerk. Hus is iemand die de zweep over de materialisten en immorelen haalt, de geestelijkheid inbegrepen en niet schuwde de waarheid recht in hun gezicht te slingeren. 

Ieder predikte naar zijn eigen aard, elke ketter belijdde zijn ketterij naar eigen karakter. 

Hus was iemand naar wie de menigte gaarne luisterde, omdat menigeen het prettig vindt een donderpreek te horen, zonder zich er echter in de praktijk aan te storen. 

Donderpreken getuigen veelal van een keiharde, onbedekte waarheid, die iedereen kan onderschrijven. 

Donderpredikers zijn dan ook meestal zeer geliefd, denk maar aan onze Hollandse Prof. de Hartog; denk aan de donderaars onder de medici, zoals de Duitse Prof. Hackethal. 

Het volk vindt het heerlijk als iemand de handschoen opneemt, terwijl zijzelf buiten de strijd kan blijven en met leedvermaak kan zien hoe heilige huisjes omver worden getrokken, waarbij het dan later de beschimpte boetepredikers in bescherming kan nemen als het arme slachtoffer. 

De menigte is laf en altijd op eigenbaat uit. 

Naast het slachtoffer in het strijdperk treden om te helpen de verloren strijd tegen de macht ten gunste van de verliezer te doen beslechten doet een menigte zelden of nooit, dat doen eenlingen - op hun beurt weer ketters. 

Hus werd gevangen gezet, bespot, vooral om zijn natuurwetenschappelijke aanhalingen, en zijn logica, gebaseerd op de scheppingswetten, hetgeen hij met Wycliffe gemeen had. 

Tot zijn beschuldigers in de rechtszaal zei hij, volkomen onverschrokken:

"Allen die een onschuldige overleveren aan de wereldlijke macht om ter dood te worden gebracht, handelen volkomen gelijk de hogepriesters, de schriftgeleerden en de farizeeër, die Jezus aan Pilatus overleverden."

De vergadering ging niet met hem in discussie, maar eiste dat hij al zijn woorden zou herroepen, hetgeen hij niet deed. 

Hij wilde trouw blijven aan zijn geweten. 

Johannes Hus stierf als een groot man, zijn fanatieke aard viel voor zijn dood van hem af, maar zijn geweten bleef hij trouw. 

Hij vergaf zijn rechters. 

Natuurlijk moest hij vele beledigingen ondergaan, zijn weg lijkt op die van Jezus, omdat men hem als spot een papieren muts op het hoofd zette op weg naar het hekelveld, en hem toeriep een namaak-Jezus te zijn. 

Ik zal u de verdere pijnigingen besparen, een feit is dat hij op de brandstapel stierf na diverse lichamelijke en geestelijke kwellingen te hebben doorstaan. 


Na Hus, die in 1415 stierf, kwam de tijd van de heksen, die we wellicht niet zien als ketters, hoewel zij het evenzo waren. 

Hun ketterij was dat zij de natuur als genezer aanwendden en in hun eenvoudige medische kennis geen enkele priester of kerkelijke macht betrokken. 

Uit die tijd komt de belachelijke banvloek over zo'n dertigtal planten. 

Planten die dus als zondaars werden verheven, omdat de mensen hen als genezers aanbaden en hun geneeskundige kracht vaak verbonden met christelijke rijmpjes. 

Zoals het Walstro, dat als bedje voor Jezus gediend zou hebben;

zoals het St. Janskruid, dat alle duivels weerde, omdat het uit het bloed van Johannes zou zijn ontsproten; 

zoals het Lelietje der Dalen, dat uit het bloed van een vrome heremiet zou zijn ontstaan. 

Zoals diverse andere planten wier geneeskracht wonderbaarlijk werd genoemd en waarover de legenden vertellen dat de duivel hen bevuilde, hen stukbeet, hen aanraakte opdat zij hun macht zouden terugnemen. 

Alles wat geneeskracht bezat zonder dat de kerk er aan te pas kwam werd verdoemd, in de ban gedaan, al waren het slechts planten en iedereen die zulk een plant in huis had kon rekenen op vervolging, pijniging, de dood. De kennis die we nu bezitten werd met bloed geschreven en het is altijd de vraag als die oude tijd zou terugkeren, als de dogmatische macht of de concurrentie-strijd der machtigen weer in volle gang zou komen, als de hoogste religieuze machthebbers er in zouden slagen die macht terug te grijpen, hoevele ketters zouden er dan voor hun geweten willen sterven? 

Hoevelen zouden voor de waarheid, die zij hebben ervaren, die zij aan den lijve kennen, pijnigingen en laster willen dulden? 

Er is een stroming die de tijd wil terugdraaien, de kennis moet worden vergeten, de ontdekkingen worden geloochend, de "Hussen" worden gelasterd, de "heksen" en "heksenmeesters" worden belachelijk gemaakt, omdat er een dogma, een vaststaande leerstelligheid in religie en wetenschap wordt aangenomen, waarop velen hun eer en roem hebben gefundeerd. 

Alles wat die dogma's aantast vormt een bedreiging voor een gevestigde orde op alle gebied. 

De aversie tegen de "ketterij" is niet helemaal verdwenen, noch de angst ervoor en zolang die angst er is, blijft de ketter een vogelvrijverklaarde. 

En de vogelvrijverklaarde kan slechts rekenen op de hulp van zijn innerlijke god, een hulp die echter totaal anders loopt dan het wereldoog vermoedt. 

Een innerlijke god negeert de noden van het lichaam en verheft de geest tot onbereikbare oorden waar blaam en pijn onbemerkt blijven. 

Om zover te komen moet echter allereerst de waarachtige ketter worden geboren, een ketter die geschiedenis schrijft in de hemel en op de aarde, maar vooral beantwoordt aan de opdracht van het mens-zijn: Maak u vrij en groei! 

Groei tot het godendom dat verloren ging.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene