Grammatica - Retorica - Dialectica

De tweede kunst in het rijtje van zeven is de GRAMMATICA, hetgeen misschien vreemd lijkt. 

Maar de ouden zeiden dat je kon spreken en schrijven volgens de kosmische wetten. 

Indien je je houdt aan de geometrische wetten, moet je in deze ordening kunnen spreken, lezen en schrijven. 

De Grammatica is eigenlijk het ordenen van spreek- en schrijf-tekens. 

Doch met de schrifttekens is het net als met de natuur en de geometrie: in een schrijfteken neem je een klank gevangen. die een bemiddelaar is tussen kosmos en mens - hemel en aarde. 

De letter, vroeger het  schriftteken, is de gevangenis van de klank; de klank is dus de inhoud van de woorden, en de aaneenvoeging van de woorden, of het rangschikken van letters en woorden is de GRAMMATICA. 

Iedereen weet dat b.v. het woord eau-de-cologne op z'n Frans geschreven er heel anders uitziet, volkomen anders overkomt, dan het modern geschreven woord: o-de-kolonje. 

Zodra je fonetisch gaat schrijven komt er een onbehagen bij velen, omdat bij de ene mens de klank anders overkomt dan de andere. 

Voor velen is het fonetische schrift oppervlakkiger dan de aloude schrijfvorm. 

De modernisering van die taal doet af aan de inhoud van de bijbel. 

Het geschreven woord komt toch op een bepaalde manier over, wij maken, via de blik, contact met het geschreven woord. 

De grammatica is ontzettend belangrijk, omdat het een middel is tot onderling begrijpen en herkennen. 

Uit deze taal kunnen ongelooflijke misvattingen voortkomen, omdat men hem eenzijdig heeft gemaakt: uitsluitend concreet - de abstractie, de inhoud is verloren gegaan. 

Zonder grammatica worden onze woorden en onze taal losse klanken. 

Hierin ligt b.v. ook de diepere betekenis van een naam: hoe schrijf je je naam. 

Kent u geen mensen die liever hun naam met een lange ij dan wel liever met een d schrijven, dan met een korte ei of een t? 

Ik ken een vrouw die haar naam: Trees schrijft met een h tussen de t en de r. Ze weet niet waarom. 

Maar kijk maar eens naar het geschreven woord, het is totaal anders, en dan komt hier natuurlijk bij de getalswaarde van de letters; ook hier speelt de aritmetica een rol. 

Iemand, die de grammatica van een taal "op z'n duimpje" kent, is nog geen grammaticus in de oude betekenis van het woord. 

Daarvoor moet je de inhoud van elke letter kennen en begrijpen waarom de ene op de andere inspeelt. 

Waarom een d aan het eind van een woord volkomen anders is dan een t. 

Dit herken je in het sprekende woord of de spreektaal, de retorica, maar ook in de grammatica.

De Grammatica bestaat uit twee delen: het is een Latijns ADJEKTIVUM, en behoren bij het verborgen SUBSTANTIVUM: ARS. 

Het verzwegen subjektivum ARS betekent KUNST. 

Grammatica-ars is een vertaling van de Romeinen van het Griekse woord grammatikè technè, wat oorspronkelijk betekende de vaardigheid met betrekking tot de letters, dus tot het lezen. 

De grammaticus was oorspronkelijk iemand die kon lezen - later b.v. poëzie kon lezen. 

Iemand, die werkelijk kan lezen kan de gevoelens van de vervaardiger van het schrift, het boek, de poëzie overdragen op de ander. 

Een grammaticus is dus een middelaar, zoals bij alle zeven kunsten de middelaar belangrijk wordt, omdat deze de kunst kan ontzielen dan wel bezielen of HER-bezielen. 

Laten we hier ook even denken aan onze eigen landstalen; elke taal heeft zijn eigen klank en kleur en vertolkt het karakter van het betreffende land en/of volk.

De ene taal leer je gemakkelijker dan de andere - waarom? 

Soms zeggen we: om de grammatica. 

Maar waarom voel je je tot de ene taal aangetrokken en tot de andere niet? 

Iemand, die heeft leren lezen is nog geen grammaticus. 

Iedereen weet dat een taalkundige nog geen poëzie behoeft te kunnen lezen - en dat hij b.v. een afschuwelijke stem kan hebben om een woord te verklanken. 

Bij al de zeven heilige kunsten behoort nl. een orgaan. 

Bij de GEOMETRIE behoort het denken, de hersenen, zowel de linker- als de rechterhersenhelft. 

Bij de Grammatica behoort de STEM. 

Iedereen weet dat de stem een vertolker is van de innerlijke mens. 

In de GRAMMATICA moet je de eenheid van schrijven en lezen samenbrengen. 

In het oude Egypte was het schrift een afdeling voor de priesters. 

Niet voor niets behoren de zeven heilige kunsten tot bepaalde groepen van mensen - van oudsher. 

Er was een uiterlijk schrift en een verborgen schrift. 

Voor de onkundige of niet-kennende mens was een schriftteken een associatie met een bestaande vorm - voor de priester was er ook de symboliek, de inhoud van de vorm. 

Waarom wil men het Latijn b.v. gebruiken voor ritualen? 

Waarom klinken deze niet in een moderne landstaal? 

Waarom is de klank van het oude-Latijn of het oud-Grieks volkomen anders? 

Wat ligt in de oude versie van onze eigen talen verborgen? 

Als we de tekens "lezen" die de natuur ons overdraagt zijn we b.v. een grammaticus naar de oude betekenis van het woord. 

De muziek van de taal is hetgene dat ons raakt; de muziek van een bloem, of een dier. 

De harmonie die een schepping uitstraalt is zijn muziek. 

Wij lezen in het Boek der Natuur of niet. 

Indien we dit niet kunnen zijn we geen grammaticus, maar dan staat te bezien in hoe verre we binding hebben met de andere kunsten. 


RETORICA 


Aan de Grammatica zit natuurlijk de RETORICA vast: het spreken. 

Iedereen kent het woorden aaneenrijgen - het veel praten en niets zeggen - de woordenbrei, die ons allen intellectueel vermoeid, of die ons totaal niets zegt, ons niet beroert. 

Een goed redenaar, iemand die het woord goed hanteert of de betekenis van een woord kent, behoeft helemaal niet lang van stof te zijn. 

In één woord kan meer zitten dan in een lange redevoering. 

Retorica betekent eigenlijk de KUNST om het abstracte via de spraak over te dragen naar de toehoorders. 

Iedereen weet dat dit het allermoeilijkste is. 

Iedereen kent de enorme verwarring over een gesproken woord, omdat de ene de inhoud daarvan totaal anders interpreteert dan de andere. 

Waarom? 

Omdat iedereen anders luistert. 

En dat heeft met MUZIEK te maken. 

Je kunt de Zeven Kunsten werkelijk niet van elkander scheiden. 

Elk mens moet eigenlijk in al de kunsten begaafd zijn, hij behoeft niet onevenwichtig te zijn, d.w.z. enorm geniaal in één van de kunsten, want het komt maar al te dikwijls voor dat hij dan de andere Kunsten totaal niet verstaat. 

Een evenwichtig mens krijgt de gave tot het beheersen of aanvoelen van de zeven KUNSTEN ingeschapen. Zij behoren bij hem - als mens. 

Een vlot spreker - een vaardige spreker is geen retoricus - veel meer degene die enkele woorden spreekt en daardoor velen treft. 

U weet de Kunst bestaat veelal in het weglaten - niet in het toevoegen. 

Dat is een gave die van binnenuit komt. 

En dat geldt voor al de KUNSTEN. 

Een onkundig mens doet aan opsier - het versieren van zichzelf, van zijn gaven, van zijn ledigheid. 

De Kunsten zijn nooit ledig, vandaar dat ze geen holle frasen, geen overdadige vormen nodig hebben. 

In alle Kunsten ligt ook magie, de magie van de Zonen des Lichts. 

Magie betekent: verborgen kracht. 

De Gulden Snede is magisch; een geschreven of gesproken woord kan magisch zijn. 

Een retoricus behoort de hemel via zijn woord neer te halen of vrij te geven. 

Hij verbindt in het woord hemel en aarde, abstractie en concretie, inhoud en vorm. 

Kan door een gesproken of geschreven woord de uiterlijke betekenis van dat woord niet ineens wegvagen of veranderen? 

De magie in de Kunsten treft de mede-Lichtzonen. 

Kracht raakt kracht. 


DIALECTICA


In de reeks van Zeven Kunsten komen we ook de DIALECTICA tegen, een woord dat nogal eens verkeerd begrepen wordt. 

Volgens Hegel behoort het bij de metafysica: de twee-eenheid van ether en stof. 

Alles wat voorafgaat door het woord DIA heeft te maken met twee en/of dóór, het doorzien. 

Een dialecticus is iemand die de twee-eenheid begrijpt èn doorziet. 

Vroeger was de dialecticus een hoogstaande kunstenaar. 

De DIALECTIEK was een vrije kunst, en eigenlijk een leefkunde, iemand die door, onverschillig wat, de twee-eenheid: natuur en geest kon uitdrukken, uit-leven, uitvaardigen. 

Een dialectisch mens is een twee-ledigheid: stof en geest, negatief en positief, goed en kwaad. 

Hij is nog niet drie-ledig en nog geen gelijkzijdige driehoek, zoals we zeiden. 

Maar slechts via de dialectiek, de tweeheid, kom je tot de driehoek of drieheid. 

In de esoterie zegt men: de mens is stof en ziel, de geest moet hij nog zien te verkrijgen of herkrijgen. 

Hij is slechts een stoffelijk omhulsel met daarin de gevangen SOPHIA, de wijsheid of de ziel zoals het Evangelie van de Pistis Sophia zegt. 

In de goddelijke sfeer bleef de Pistis achter. 

Toen de Lichtzonen dus afdaalden lieten zij de Pistis achter en gingen zij verder als SOPHIA en mens, zo werden zij dialectisch, een "val" met wat de Lichtzoon eerst was, want hij verliest de Pistis, maar een zegen met wat de aarde-mens is, omdat deze de SOPHIA niet kent. 

Een dialectisch mens is dus een gevallen Lichtzoon, tegelijkertijd een begenadigde, een gestrafte, een verdwaalde en een zoeker. 

Een dialecticus kan juist door zijn tweeheid beide zijden HERkennen en is ook aanspreekbaar in beide zijden. 

Hij staat dus open voor alle Kunsten.  

Hopelijk zijn we allen dialectici en kunnen we via de Zeven Kunsten terugklimmen tot het Lichtzoonschap in zijn onaantastbare vorm. 

Dan sta je BOVEN de dialectiek, maar ook boven alle heilige kunsten die hier de leiders kunnen zijn. 

En dat "boven iets staan" betekent niet er niets mede te maken hebben, maar het creatieve vermogen om uit jezelf al deze Kunsten voort te brengen. 

Voordat de Lichtzonen afdaalden of indaalden hadden zij deze Kunsten in zichzelf VERBORGEN, wat er aan toegevoegd werd is de uiterlijke vorm. 

De oude aanduiding voor DIALECTICA was SOPHISTICA. 

Hierin ligt het woord: Sophia, nietwaar? 

Ingeschapen wijsheid of ziel. 

Men kent ook de aanduiding: "Sophisticated" voor mensen, die men cultureel beschaafd vindt. 

Logischerwijze is dat een degeneratie van het begrip dialectiek. 

Iemand, die "sophisticated" is, spreekt anders, gedraagt zich anders, bedient zich graag van een buitenlandse of "voor de gewone mens onbekende taal". 

Een dialectisch mens bezat een hoge moraal, hij bezat wijsheid en innerlijke adeldom. 

Daarvoor behoefde hij niet zijn best te doen, het kwam uit hem te voorschijn, als iets vanzelfsprekends. 

Een gevallen Lichtzoon behoort dus van binnenuit "sophisticated" te zijn, en hierin liggen eveneens de gevoeligheid voor alle zeven Kunsten verborgen. 

Voor dìe Kunsten die DE  kracht doorgeven. 

Voor àlle uitingen die DE kracht, de verloren gewaande Kracht des Hemels doorgeven. 

En dit zullen altijd vormen en uitingen zijn die uit de verre oudheid komen. 

Waarom is men heden toch zo nostalgisch? 

Het is een verlangen naar de oertijd, waarin die geestelijke kracht nog levend in allerlei levensuitdrukkingen aanwezig was, zeker in de re-ligio, de wederverbintenis. 

Een dialectisch mens onderscheidt feilloos het ontzielde van het bezielde, het kunstmatige van de Kunst, de uiterlijke techniek van de innerlijke kracht. 

Kortom hij kijkt tweevoudig, hij onderscheidt tweevoudig, hij IS tweevoudig en hij is vooral - en dat is belangrijk - op weg naar de drievoudigheid.

Kijk maar eens in al die leringen hoezeer men begerig is naar het drievoudige: Vader, Zoon, Heilige Geest; lichaam, ziel, geest. 

De Druïden brachten deze drievoudigheid voor de Westerse wereld het eerste tot uitdrukking in het: er is niet slechts inhoud en vorm maar ook het materiaal, er is niet slechts de inhoud van de beker en de beker, maar ook de materie van de beker, datgene dat de inhoud omvat, de rand tussen water en beker b.v. 

Niet alleen de vorm maar ook het materiaal moet van hoogstaande kwaliteit zijn. 

Niet alleen de geometrie telt, maar ook de dialectiek WIE men is of WAT het is. 

En dat wat het is, werkt met de vorm samen - of niet. 

Een schone vaas van onwaardig materiaal doet veel aan de vorm af. 

Ook het materiaal moet dialectisch zijn, tweevoudig, vandaar dat natuurlijke materialen altijd het beste de Zeven Heilige Kunsten uitdrukken. 

En één van de beste natuurlijke materialen is DE mens, nietwaar? 

De mens is alle zeven Kunsten in één vorm. 

De Dialectiek was de Kunst van het ONDERSCHEID. 

We behoeven elkander niet meer te vertellen dat we moeite hebben met het onderscheiden, en waarom? 

Omdat we niet genoeg dialectisch meer zijn, niet meer sophisticated, in de juiste betekenis van het woord. 

Het hanteren van foutieve begrippen bij vreemde woorden, het onderlinge verschil in interpretaties is een bewijs van het falen van ons dialectische vermogen. 

We nemen nu aan op gezag - via universiteiten, via autoriteiten - maar we gaan niet meer uitsluitend af op het innerlijke weten (geweten) of op onze intuïtie. 

Daardoor nemen we dociel het foutieve aan en verwerpen we het juiste. 

Soms protesteert ons geweten of onze intuïtie, maar meestal schikken we ons naar de maatschappelijke regels. 

Hoewel we innerlijk een contrôle-mogelijkheid hebben, maken we er geen of onvoldoende gebruik van, waardoor dit vermogen aan kracht gaat verliezen. 

We hanteren en vereren zonder protest dode wetenschappen, foutieve inzichten, dwaallichten, en over deze dode dingen spreken we, discussiëren we, maken we ons zorgen, kortom, ons leven wordt erdoor opgebouwd. 

Wij geven het inhoud met de dode dingen. 

Wij, dialectische wezens, Lichtzoon-mensen, geven ons teveel af met dode dingen, met stof, die tot stof vergaat. 

En omdat we dit doen voelen we ons ongelukkig, en onvredig, ziek en disharmonisch, krijgen we al die aandoeningen die we NIET behoeven te hebben, en het mooiste is nog: dat we dat beseffen! 

Is dat niet zo? 

En toch gaan we op dezelfde voet door, als eigenwijze of halsstarrige kinderen. 

Slechts die oerherinnering, dat heimwee, die gezegende innerlijke pijn, de Shi - van Shiva, die probeert ons nog in het goede spoor te houden. 

Ons te herleiden tot "sophisticated people", tot dialectische mensen, wezens op weg naar de harmonie van de geometrie, lezende vanuit de heilige grammatica, sprekende als een oude retoricus, iemand, die in staat is het hemelse door te geven aan de medemens, die nog zoekt naar de dialectica.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene