De heilige drie-eenheid die het gulden midden schraagt: waarheid - goedheid - schoonheid

"In drie dingen heerst God:

De barmhartigheid - de waarheid - en de vrede."

Druïdisch


Het Gulden Midden is onontbeerlijk om elke scheppingsvorm staande te houden. 

Het Gulden Midden is de dragende basis die vanzelfsprekend de harmonie van mathematiek en getal kent en daarom grijpt men dikwijls terug naar Pythagoras, die zowel getal als mathematiek leerde bij de priesters van Memphis. 

Zelf een Gulden Midden bezitten betekent dat al onze daden en werken daarvan getuigen. 

We kunnen nooit ontkennen dat onze vruchten ons kenmerken, hoewel we er een gewoonte van hebben gemaakt ons anders voor te doen dan we zijn. 

Deze houding strookt totaal niet met de wet van het Gulden Midden, die zich grondvest in een drie-eenheid: Waarheid - Goedheid - Schoonheid. 

Een schijnheilig, dan wel gespleten gedrag is dus in strijd met waarheid, maar ook met schoonheid, omdat schoonheid slechts - volgens de oude wet - ontstaat door innerlijke waarheid of/en harmonie, die zich weer baseert op goedheid of vrede, zoals de Druïden zeggen. 

Wáár zijn is uiterlijk en innerlijk verbinden; dan kan de waarheid schoon dan wel lelijk zijn, maar aan één van de voorwaarden is voldaan en géén mens belijdt lelijkheid, vandaar onze schijnhouding. 

Er kan dan een spontane verandering ontstaan, omdat we die lelijkheid verfoeien. 

Spontaniteit is de grondslag voor waarheid, maar eveneens voor goedheid. 

Niemand kan met zijn wil goedheid forceren; men IS goed of men is dat niet. 

De grote onsterfelijke waarheid ligt in God, die haar uitstraalt in Zijn schepping; de natuur is wáár, zij verbergt niets moedwillig. 

Wij zijn bang voor de waarheid en wel om een belangrijke reden: wij schuwen lelijkheid of/en slechtheid; twee ondermijners van het Gulden Midden. 

Slechtheid - het tegendeel van goedheid - behoort bij lelijkheid; lelijkheid is disharmonie; we kunnen lelijk zijn, ook al zouden we een z.g. schoon uiterlijk hebben. 

Lelijkheid straalt door de vormen heen en elke goede physiognoom haalt het slechte innerlijk achter het z.g. schone masker vandaan. 

Er is nl. een universele wet waaraan wij gehoor moeten geven en die wet is innerlijk: innerlijke waarheid - innerlijke schoonheid - innerlijke goedheid. 

Alle drie voortbrengselen van openheid, echtheid - het werkelijke ZIJN. 

De mens - als schepping Gods - is schoon - is waar - is goed. 

Als zijn innerlijke God hem beheerst is hij barmhartig - waar en goed. 

Indien dit niet zo is wordt hij de verpersoonlijking van het tegendeel.

Omdat hij dit dikwijls zelf beseft, begint hij aan een maskerade; zelfkennis kan leiden tot bewuste maskerade. 

Onze scheppingen - vooral in de kunst zien we dat - getuigen van ons innerlijk; scheppingen zijn grotendeels uitingen van ons ware innerlijk, vooral indien we gewend zijn gemaskerd door het leven te gaan; onze creativiteit is dan een compensatie. 

In de oude bouwwerken, zoals b.v. de kathedralen, was "waarheid" gelijk aan een geestelijke getuigenis, een belijden van de geest, via het bouwwerk. 

Daar deze geestelijke belijdenis nu dikwijls ver te zoeken is, worden onze scheppingen, onze werken en daden, geesteloos. 

Ook dit trachten we te maskeren. 

Doch zulk een houding vermag natuurlijk niet een Gulden Midden te bouwen, waar omheen ons leven zich afspeelt, waaruit we leven. 

Vandaar de hausse in psychotherapie, het zoeken naar het zelf, het herontdekken van het mens-zijn. 

Goedheid heeft direct te maken met waarheid; goedheid is niet alleen het begrip hebben voor medemensen, hen diensten bewijzen, goedheid heeft ook te maken met onze verhouding in het grote geheel, in die mensengemeenschap. 

Daarin behoren we een functie te vervullen die "goed" is, die aan zijn doel beantwoordt. 

Vroeger beantwoordde een bouwwerk, een tempel, een kathedraal, aan zijn doel, d.w.z. aan zijn geestelijke doel: zij concentreerden in zichzelf een krachtveld. 

Zij droegen dat krachtveld. 

Als je alleen al aan de uitspraak denkt dat de mens "een tempel Gods" is, dan zegt dit, dat wij beheerders zijn van een helpend, genezend, heiligend magnetisch veld. 

Inplaats van hulp buiten ons te zoeken, behoren we dus in ons te zoeken, zoals de massa's doen in een kathedraal. 

Ook de schepping is als een kathedraal Gods, waarbinnen een magnetisch veld heerst, dat elk schepsel moet bijladen. 

Dat we die natuurlijke kathedraal momenteel zo ontheiligen spreekt voor zichzelf. 

Wat we met onszelf doen, met onze eigen kathedraal, trekken we door naar de grote kathedraal. 

Het Gulden Midden in een bouwwerk heeft niet slechts te maken met de vormgeving, de weerkaatsing van de oerwet, maar het bevindt zich eveneens in het hart daarvan. 

Elk bouwwerk, dus ook de mens, behoort een gouden hart te bezitten. 

Onwillekeurig vleien we ons neer aan het hart van een kathedraal, het hart van een tempel, een waarachtige tempel die aan de fundamentele eisen voldoet. 

Gulden Midden-mensen leven vanuit hun hart, zij hebben niets te verbergen, want zij bezitten een gulden hart en dit zet nooit aan tot maskerade, wel tot barmhartigheid. 

En zij kennen innerlijke vrede, zij zijn tevreden, die doorstraalt in hun levensopvatting en vooral in hun begeren. 

Vrede vind je in harmonie. 

Harmonie doet je de kleine dingen zien en waarderen. 

De moeilijkheid van de moderne mens is immers tevreden zijn met wat hij heeft: onze begeerte wordt opgepept en dat maakt ons onevenwichtig. 

Alles wat goud aan ons is, geestelijk goud, laat zich niet oppeppen; wat zou méér kunnen zijn dan goud? 

Als ik vrede vind in mijzelf, bezit ik goud, dan verander ik kleine, bescheiden dingen in goud. 

Dan ben ik goed tegenover alles wat leeft en ik functioneer goed - als mens -, omdat ik een bemiddelaar zal zijn tussen Schepper en schepping. 

We maken het ons dikwijls zo moeilijk, omdat we méér willen, een andere imago willen, dat zet ons aan tot manipulaties, tot ontevredenheid en verstoort ons eigen ZIJN. 

We kijken vooruit, we bepalen ons niet bij het NU. 

We schaven niet aan het NU, we negeren het; we leven niet in het NU, we bouwen een imaginair toekomstbeeld. 

Leert men dat de kinderen niet: bouwen aan de toekomst? 

Daarmede wordt het kleine kind al voorgehouden het HEDEN te negeren, het heden is het niet; maar het heden zijn wij - nu - zoals we ons voordoen. 

Het heden is onze momentele zijnstoestand; het heden is onze momentele gedachte, het heden, of we dit negeren of niet, is de basissteen voor de toekomst. En die toekomst ziet er NIET uit zoals wij die ons voorstellen, maar zoals wij die HEDEN al bevestigen. Elke leugen, elke lelijkheid, elke slechtheid bevestigt onze ongelukkige toekomst. 

Ons HEDEN is een vrucht van een imaginair toekomstbeeld uit ons verleden. 

Dikwijls heel anders dan we ons voorgesteld hadden. 

Vooral geestelijk. 


De derde pijler van het Gulden Midden is Schoonheid: schoonheid die verband houdt met vrede.

Is niet alles wat onvredig is, storend, onrustig, vaak afstotend?

Waarheid en goedheid bouwen samen het schone.

Toen de Schepper zag dat Zijn Werk goed was, sloot zij de schoonheid in.

Niemand kan ontkennen dat er schoonheid in de schepping is en degenen die ons wijzen op de wreedheid moeten er wel mee rekening houden dat de wreedheid is ontstaan door een verkrachting van de oerwetten.

Er is een tijd geweest - in lang vervlogen dagen - dat barmhartigheid een onderdeel van de schepping was, toen het lam en de leeuw tezamen leefden.

Nu is de harde wet: eten of gegeten worden, zowel psychisch als lichamelijk, normaal geworden.

De behoeder van de schepping - de mens - heeft eenmaal deze wet ingang doen vinden en dat is nog heden duidelijk aan zijn gedrag te herkennen.

Over schoonheid valt niet te twisten, maar innerlijke schoonheid ademt rust, troost en heling, en niemand kan deze inwerking ontkennen.

Over zulk een inwerking van de schoonheid discussieert men niet, integendeel: men wordt er stil van.

In die stilte ondergaat men de drie-eenheid van het aanschouwde: 

de waarheid - de eenheid met het Al;

de goedheid - de verbintenis met dat Al: het doel;

en de schoonheid - de intense troostende harmonie.

Voor zulk een ervaring behoeft men niet in een kathedraal of een Tempel te zijn: hij ligt verborgen in een wisselwerking met mensen, in een onderdeel van de schepping, in een kunstwerk.

Daarom is het twisten over waarheid, goedheid en schoonheid net zo onzinnig als het twisten over God. 

Wat we niet kennen, bereiken we niet. 

Gelijke ervaringen brengen de mensen tot elkander - ook zonder woorden.

Het tezamen ondergaan van het Gulden Midden in schepping, schepsel of kunstwerk schept een magnetisch veld waarin elke aanwezige zich baadt.

Hetzelfde geldt voor de individuele mens. 

Hij heeft behoefte aan deze baden in een Gulden Midden en die behoefte brengt hem samen met andere behoeftigen. 

Dan is daar bereidheid tot ervaring. 

In zulk een moment zijn we wáár, we bemerken heel goed dat onze eigen onwaarheid deze ervaring tegenhoudt. 

Daarom zijn we wáár - onbewust - instinctief -, omdat er iets in ons is dat WEET dat slechts de waarheid goedheid en schoonheid oproept. 

Is er een tegenstrijdiger schepsel dan de mens? 

Wat hij vertolkt is hij niet, hij ligt verstrikt in onwaarheid en daarom ziet hij TEVEEL slechtheid en lelijkheid.

Het goede en schone zien kan nl. ook een gevolg zijn van een innerlijke waarheid, MITS we niet uit angst het slechte en lelijke wegdrukken! Angst behoort bij het lelijke. 

Een angstig mens is onrustig, onvredig, disharmonisch. 

Uit angst wordt onze stem schel, onze blik rusteloos, onze bewegingen gejaagd.

Merkwaardig is dat de jongstleden ontdekte medische feiten berusten op een drie-eenheid, die de huidige mens teistert: woede - vlucht - overbelasting. 

Een volkomen tegenstelling tot de drievoudige harmonie van het Gulden Midden. 

Een drie-eenheid die ontsproten is uit de anti-goddelijkheid binnen schepping èn schepsel.

In onze huidige anti-goddelijke levensgemeenschap gaan we kapot indien we deze antigoddelijke drie-eenheid onderdrukken, zo bewijzen de medici.

We leven dus in de anti-geestelijke staat.

Liefde wordt door haat verzwolgen; vrede door woede of agressie; uit hoofde hiervan willen we vluchten, en omdat we het evenwicht niet meer kennen, gaan we gebukt onder lasten, vermeende of feitelijke.

Lasten die we "over" hebben, overbelasting; lasten die we dus niet kunnen dragen, hetgeen ook een anti-goddelijke instelling is. 

De mens - mèt zijn Gulden Midden - is erop ingesteld dat hij àlle lasten die hem opgelegd worden kan dragen. 

Maar daarbij is niet inbegrepen de lasten die hij onnodig en dikwijls nutteloos, erbij neemt. 

Dikwijls vrijwillig erbij neemt, nl. hen creëert. 

"God laat niet varen de Werken Zijner handen", maar Hij is geen duvelstoejager voor domme schepsels, moedwillig zichzelf belastende schepsels. 

Elk mens is eigenlijk een symbool. 

Een zichtbare afdruk van een innerlijke waarheid. 

Maar een symbool kan tevens een mandala zijn, een harmonisch eeuwigheidsbeeld dat ons inspireert de eeuwigheid te zoeken. 

Zijn we zulke symbolen, zulke mandala's? 

De Schepping is een gigantische mandala, we zoeken immers de Schepper als we Hem in Zijn schepping herkennen? 

Is dat niet goedheid, is zulk een doel niet "goed"? 

Moeten we méér van onszelf verlangen dan onze medemensen, vanzelfsprekend onszelf te attenderen op de eeuwigheid, op God? 

Is er een eenvoudiger, grootser, schoner opdracht mogelijk? 

God alleen kan zielen voor Zich winnen, wij kunnen hen slechts op Hem attent maken. 

Dóór het Gulden Midden-bouwwerk dat we zijn, 

dóór het Gulden Midden-werk dat we doen, 

dóór het Gulden Midden-creatieve dat we vertolken. 

Om het Goud schaart zich al het andere. 

Al het andere dient het goud, maar het goud dient tevens al het andere. 

Helaas kunnen we niet ons best doen om "goud" te worden, maar we kunnen onszelf wel bemoeien ons te reinigen, zodat onze ware kern zichtbaar wordt, en u weet, vanuit die ware kern is elke omzetting in goud mogelijk, want zelfs lood wordt goud, en ordinaire koolstof wordt diamant. 

Waarom zou onze kern dan niet edel kunnen worden?

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene