Over de praktijk van de dagelijkse levenswandel

Spiritualiteit zou totaal geen zin hebben indien zij niet in het dagelijkse leven getoond zou kunnen worden Want wat is het verschil tussen een materieel en een spiritueel ingesteld mens? 

De levensgerichtheid! 

Een levensinstelling die men soms reeds bij jonge mensen kan aantreffen, hoewel er ook zijn die alle maatschappelijke ver-houdingen negeren. 

Helaas hebben in de loop der tijden TE veel schijn-spiritualisten de ware spiritualiteit in een slecht daglicht geplaatst. 

Men leert zichzelf - en ook anderen - het beste kennen in precaire omstandigheden. 

Dan vallen alle schone theorieën weg, leringen worden vergeten en de mens valt terug op zijn ware innerlijk. 

Omdat spiritualiteit uit het innerlijk komt, is het blootgeven van dit innerlijk onder de druk der omstandigheden een prachtige spiegel. 

Helaas wordt deze spiegel minder vaak benut dan de glazen spiegel. 

Het voorbijzien van deze levensspiegel is verantwoordelijk voor teleurstellingen in onszelf en in anderen van wie men meer verwachtte dan deze zou kunnen geven, of van wie men minder verwachtte dan hij op het moment suprême gaf. 

De dagelijkse levenspraktijk is de ongeëvenaarde mogelijkheid om onszelf te toetsen, waaruit we dan - in eerlijkheid en bescheidenheid - kunnen weten wie we zijn en hoeveel spiritualiteit we werkelijk bezitten. 

Sivas is een langdurig tentamen voor ons allen. 

Hier wordt de mens gedwongen te tonen WIE hij is, en schone woorden helpen niet om de praktijk te verdoezelen. 

Vandaar dat een wekenlange gezamenlijke levenspraktijk - en nog wel in gunstige omstandigheden - tegelijk een selectie is. Het selecteren van spiritualiteit en materialisme. 

Als we, ongedwongen, vrij doen en spreken kunnen zonder dat enige dwang van buitenaf wordt opgelegd, dan kiezen we altijd een praktijk die aansluit bij ons innerlijk, of bij het tekort aan innerlijk. 

Een enkele ontmoeting vertelt niet wie we zijn, maar de langduriger, ongedwongen praktijk verlost ons van knellende en plichtmatige banden en zo worden we onszelf. 

Onszelf zijn in het leven is groter overwinning dan enige andere positie in de maatschappij. 

Onszelf kunnen zijn ZONDER dat we erdoor onze naasten benadelen, of negeren. 

Wat staat centraal in ons leven? 

Welke interesse, wie heeft onze volle aandacht? 

Hoe goed of hoe slecht vinden we onszelf? 

In hoeverre is ons geweten elastisch, zodat we te pas en te onpas excuses vinden voor wangedragingen

Een leer die we aanhangen bewijst op zichzelf niets van onze spiritualiteit. Het bewijst slechts dat we - als we wensten en wilden - zouden gaan nastreven. 

Maar er zijn talloze mensen die belangstelling hebben voor bepaalde hoogstaande leringen, maar geen ogenblik eraan denken iets van die leer in praktijk te brengen. 

Omdat de wens tot praktische spiritualiteit volkomen ontbreekt en materiële wensen veel zwaarder wegen. 

De dag van een waarachtig spiritueel mens zou er ongeveer zo kunnen uitzien: 

1. Direct na het ontwaken bezinnen op de komende dag.

Wat is het belangrijkste in geestelijk opzicht. 

Dat dan nastreven.

2. Door inkeer zich op die geestelijke dingen instellen, zodat men er binding meemaakt. 

3. Het dagelijkse werk doen met in het achterhoofd de geestelijk interessen. 

4. Elke pauze in het dagelijkse werk benutten om de geestelijke interessen te belevendigen. 

5. Na gedane arbeid alleen of met gelijkgezinden de geestelijke onderwerpen naderbij brengen door lectuur, gesprekken,

voorlichting, inkeer. 

6. Voor het inslapen zichzelf reinigen van mogelijke materiële verontreinigingen door meditatie of inkeer en inslapen met een spirituele beeltenis voor ogen of in het hart. 

Aldus schijnt er geen verstrooiing of plezier te zijn, zal menigeen denken. 

Plezier of verstrooiing, de z.g. ontspanning of de vakantie, ver-lopen bij de spirituele mens totaal anders dan bij de materieel ingestelde mens. 

Voor hem is "ontspanning" het heerlijke moment waarop de ziel zich over hem uitbreidt. 

Hoewel zijn interessen in diverse verschijningsvormen des levens veelvuldig zullen zijn, zal hij zich nooit daarin verliezen, er zal op de achtergrond altijd die spirituele beeltenis blijven, die hem weerhoudt van de platvloerse lolmakerij of het opgaan in onbenulligheden. 

Het is dan toch vanzelfsprekend dat deze mens totaal verschilt - ook in zijn vakanties - van de materieel ingestelde mens.

Men mag toch veronderstellen dat zij die zich ontspannen of verstrooien willen, juist datgene zoeken dat hen aantrekt, anders zou het voor hen geen plezier zijn. 

Vandaar dat Sivas automatisch selecteert, omdat degenen die andere interessen zoeken, andere doelen, andere bestemmingen in het leven volgen, vooral in de vakanties. 

Het zich ontspannen van het spirituele, zoals sommigen kunnen zeggen, betekent zo dikwijls: zich eens bevrijden van de druk van het spirituele. Dan is er iets mis, dan moeten we onszelf toch eens afvragen wat we zoeken en waar ons hart woont? 

Mensen, die zichzelf dwingen spiritueel te doen, storen vaak degenen die werkelijk spiritueel zijn, omdat dwang altijd storend werkt en gehandhaafd moet worden door strenge regels, autoritaire maatregelen, die de geestelijke mens ten enenmale niet nodig heeft. 

De kleuterklas in de spiritualiteit wordt gevuld door mensen die vinden dat zij zo nodig geestelijk MOETEN zijn en slechts moeizaam aan de geestelijke spelregels kunnen wennen. 

Dat geeft altijd narigheden. 

Overal, onverschillig waar men is. 

De spirituele mens is tolerant, maar de gedwongen spirituele mens is dikwijls fanatiek, omdat hij te onrijp is voor tolerantie. 

Maar tolerantie wil nooit zeggen ALLES toestaan, a-spirituele gedragingen tolereren uit angst voor een principiële levens-houding. 

De praktijk drukt de mens met zijn neus op de consequenties van wat hij wenst. 

Hij confronteert hem met de gevolgen en dan kan hij twee dingen doen: opgeven, omdat zoiets toch niets voor hem is òf doorgaan, omdat hij wordt geïntrigeerd door de geestelijke waarheid. 

Halfslachtig blijven hangen tussen theorie en praktijk is de meest moeizame, harde en bittere weg die de pelgrim ooit nemen kan. 

Omdat het eigenlijk geen weg is, maar coûte que coûte oerwouden doorkruisen zonder geëigend materiaal voor de barre tocht. 

Menigeen is daarom blijven steken of omgekomen onderweg of ontdekte dat hij steeds in het rond liep. 

Het allerminste dat men van geestelijke pelgrims mag verwachten is: een hoge moraal. 

Wat is een hoge moraal? 

Zelfverloochening en een natuurlijke harmonie tussen lichaam en ziel. Aldus: de instincten van het lichaam begeleiden door spirituele gerichtheid. 

Waardoor de instincten veranderen in meer geestelijke gevoeligheid en de inwonende wet van het ge-weten van kracht wordt. 

Een strikte wet en een vrij nauw geweten tegenover zichzelf. 

Dan staat de mens zichzelf niet meer toe met de ene hand naar de geest te grijpen en met de andere hand de materie krampachtig te omvatten. Hij kan dat dan zelfs niet meer, omdat hij er organisch en geestelijk ziek van wordt. 

Een serieus geestelijk mens houdt een foutieve instelling slechts kort vol, omdat de praktijk hem pijnigen zal; hij wordt gedwongen zichzelf te herzien, dat is de zegen van de praktijk als men een serieus spiritueel mens is. 

Dat is ook het teken dat het ernst is met die spiritualiteit. 

Ongestraft - zonder gevolgen - door kunnen gaan met volkomen tegenspirituele handelingen betekent altijd dat de ineigen geest of ziel niet ingrijpt, dus zwak, dan wel vrijwel niet levensvatbaar is. 


Vooral bij de zeven oerzonden is dat te bemerken:

Hoogmoed ontsteelt innerlijke sensibiliteit en de serieuze mens bemerkt dat en zal naarstig naar de oorzaak zoeken. 

Drift ontledigt de mens dermate dat hij urenlang, soms dagen, nodig heeft om zich te herstellen en vrijwel nooit meer driftig zal worden. 

Jaloezie vergiftigt het hart en hij zal de gouden draad van de geest in leringen, in lectuur, in woorden, bij zijn naasten vrijwel niet terugvinden en zichzelf nog sneller vergiftigen, doordat hij slechts miezerige bijkomstigheden zal zien. 

Een ziekelijke jaloers mens - indien hij er niets tegen doet - kan gerust met een geestelijke weg stoppen, hetzij dan dat hij zichzelf radicaal en keihard aanpakt. 

Wellust maakt totaal verblind, onbeheerst, stuurloos. 

Op de golven van de wellust - onverschillig waarin - kan men zover wegdrijven van de Oerbron en zichzelf zozeer bedriegen dat de spiritualiteit slechts een onaanzienlijke plaats in het leven gaat innemen; en dat wordt slechts door de consequente mens bemerkt, maar mensen die hard voor zichzelf zijn en zelfkritiek bezitten worden niet wellustig. 

Het is de oerzonde van de ontvankelijke, zwakke karakters.

Gierigheid is de misstap van de halsstarrigen. 

De angstigen vergaren, omdat zij bang zijn tekort te komen en daar waar angst voor zichzelf bestaat moet men attent zijn op de geestelijke basis: zelfverloochening. 

Maar gierigen kunnen zichzelf altijd genezen door de intensiteit van hun wens; de redelijkheid van de geestelijke zelfverloochening tegenover gierigheid kan hen stimuleren tot herstel van hun instelling. 

Gulzigheid is in wezen hetzelfde als gierigheid.

De verzamelwoede in onverschillig wat heeft direct te maken met innerlijke onzekerheid. 

Een waardevol mens zal altijd omstandigheden krijgen die hem bewijzen dat hij geloof en vertrouwen kan hebben in de geest; zowel de gierige als de gulzige pelgrim zijn gelukkig veelal vatbaar en dankbaar voor zulk een waarschuwing uit de praktijk des levens. 

Omdat zij - in alle eerlijkheid - zullen ontdekken dat ze, niet-tegenstaande gierigheid of gulzigheid, innerlijk arm blijven. 

En geen spiritueel mens zal daarmede genoegen nemen. 

Luiheid is net zulk een sluipende dief van innerlijke rijkdom als wellust; waakzame, sterk hunkerende en oprechte geestelijke pelgrims lijden nooit aan luiheid. 

Het lui worden wordt in de hand gewerkt door het verwennen van het ego of het lichaam. 

Maar zulk een opdrongen luiheid werkt bij elke geestelijke pelgrim, die het ernstig meent, irritant. 

De irriterende luiheid kan uitmonden in de zelfhaat; het zichzelf verachten en de daaruit voortkomende depressies en levens-moeheid. 

Tegen luiheid is maar één remedie; zelfbeheersing en gestrengheid. 

Het is een vanzelfsprekend feit dat zonder inspanning niets geschiedt. 

Wie van tevoren al inspanningen schuwt kan beter helemaal niet aan de geestelijke weg beginnen dan zichzelf te pijnigen zonder nut.

En dan nog zijn naasten de schuld geven van de zelfpijniging, en spanningen veroorzaken uit bitterheid om mislukkingen. 

De levenspraktijk van de geestelijke ontplooiing speelt zich niet af binnen enige geestelijke organisatie, maar tijdens het normale dagelijkse leven. 

Zou de organisatie wegvallen, zou de goeroe heengaan, dan behoort de levenspraktijk des geestes over te blijven, omdat geest, ziel en lichaam samen HET leven uitdrukken. 

Een terugvallen in een geestloos leven is dus altijd een bewijs van geestelijke desinteresse en onzelfstandigheid. 

Spiritualiteit is nl. geen gezellig tijdverdrijf al zou je dat wel eens gaan geloven als je de gedragingen der mensen en groeperingen om je heen ziet. 

Spiritualiteit IS een bepaalde levenspraktijk. 

In ieder geval zal elk spiritueel mens zichzelf bemoeien de meest edele levenspraktijk na te streven. 

Woorden kunnen vergeten worden, kan men negeren, behoeft men niet te geloven, maar levenspraktijk is kenmerkend voor de staat van een mens. 

Als zijn staat nauwelijks tippen kan aan de minimale staat van de materieel ingestelde mens, kan men nauwelijks rekenen op enige ware spiritualiteit van zijn kant. 

Dan kan er slechts sprake zijn van een speels tijdverdrijf met geestelijke interessen. 

En zulk een mens zal zichzelf vrijwel nooit kunnen handhaven tussen streng principiële ernstig strevende spirituele mensen. 

Slechts de tolerantie van hun kant is dan zijn toegangsbewijs, maar dit is altijd tijdelijk. 

Zoals hijzelf tijdelijke interesse zal tonen voor het geestelijke en tenslotte eindigt in vormendienst of volkomen afvalligheid. 

De uiterlijke mens eist zijn rechten, zodra de ziel hem niet over-heerst, en als de natuur haar rechten gaat opeisen vervalt men weldra in natuurlijke ondergeschiktheid of slavernij aan de instinctieve zinnen. 

De uitdrukking: "Het bloed kruipt waar het niet gaan kan", is dan ook altijd van toepassing op de instinctieve mens. 

Geestelijke mensen beheersen hun bloedinstincten. 

Geestelijke mensen veranderen de samenstelling van hun bloed. 

Zoals geesteloosheid zich eveneens uitdrukt in de samenstelling van het bloed. 

Er zijn allerlei ingeschapen bewijzen die onze spiritualiteit verraden en of we dit nu prettig vinden of niet, zij ZIJN er. 

En zij verraden ons juist in de momenten dat we menen zo verheven of edel te doen. 

Woorden zeggen nauwelijks iets, slechts de kracht achter die woorden verraadt ons, of de leegte achter de woorden. 

Dat bemerken we zelf vrijwel niet, noch kan een goede intonatie ons helpen, integendeel, veel aangeleerdheid kan intuïtieve invloeden wegdrukken. 

Iemand, die zo graag iets "mooi" wil zeggen, is duidelijk bezig met de vorm, de uiterlijkheid, en dat heeft een reden: zijn welslagen in de ogen der mensen. 

Iemand, die van gedichten houdt declameert deze niet, maar laat ze uit zijn hart opwellen. 

Iemand, die bezeten is van de dans, laat deze uit zijn gevoel opwellen. 

Het enige dat bij het ene zowel als bij het andere aanwezig moet zijn is: de grondvorm kunnen lezen, kunnen dansen. 

Zo zal de geestelijke mens kùnnen leven en werkelijk kùnnen leven, met inbegrip van de in het begin opgesomde zeven praktijkpunten wil zeggen: de Kunst des levens verstaan - met een grote K., de grote K. die staat voor bezieling. 

De praktijk des levens is voor de geestelijke mens de Kunst de diepte en de hoogte van dat leven te ontdekken en dan komt hij vanzelfsprekend uit bij de geest. 

Er is geen mens die spiritueler is, dan de zichzelf verloochenende, naar wijsheid zoekende mens. 

Welke leer hij dan aanhangt, hoe hij zichzelf noemt, waar hij woont, is volslagen onbelangrijk. 

Zulk een mens zal dan ook nooit waarde hechten aan etiketten, positie en hoe de mensen over hem denken. 

Hij is met zijn gedachten bij andere dingen. 

Hij leeft voortdurend met de beeltenis waarvan hij houdt, zoals een materieel ingestelde mens volkomen in beslag kan worden genomen door huis, auto, of één of andere tak van sport. 

In wezen is dat hetzelfde, slechts de zwaartepunten zijn verlegd. 

Dat wat we graag wensen boeit onze aandacht, dag en nacht. 

Elke bijkomstige aanwijzing in die richting kan ons doen losbarsten in woorden., begeestering, anekdotes. 

Zodra slechts al het spreken over geestelijke dingen u innerlijk warm maakt, een warmtegevoel verspreidt rond uw hart, bent u een waarlijk geestelijk geïnteresseerde, maar dan zult u ook moeite doen om de geestelijke wetten op te volgen. 

Dan zullen er niet allerlei haken en ogen zijn die de praktijk van het geestelijke leven doorkruisen, wij staan dan eenvoudig zulk een doorkruising NIET toe, onverschillig wat het is. 

Schoner nog: wij heffen deze op of voorkomen deze voordat hij ons tot slachtoffer maakt. 

Vandaar dat de val die de oerzonden opzetten voor dezulken veelal opgemerkt worden. 

Intuïtie en geweten, de honden van de achttiende Tarotkaart, waarschuwen de pelgrim te allen tijde, hetzij dag hetzij nacht, hetzij tijdens een meditatie hetzij tijdens een harde uiterlijke arbeid. 

Hij heeft dan waarlijk inwonende kameraden gekregen, die hem NOOIT in de steek laten en die door hem worden geëerd en dankbaar aanvaard. 

Dan vallen al die overwegingen, al die schijnredenen, al die pietluttige uitvluchten volkomen weg, omdat men dan blij en dankbaar is te kunnen zijn zoals men is, nl. een geestelijke pelgrim op de Thuisweg tot het Land dat hij nooit vergeten kon. 

Laat het zo zijn met ons allen zodat we één zullen zijn, mensen, zielen, gedreven door één hart: het geestelijke Hart van hun Vader-Moeder!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene