VI


De Onsterfelijkheid - 20, Hebreeuwse letter Resh 


Het is overbekend dat zij die een spirituele weg bewandelen beproevingen krijgen die anderen niet kennen.

En juist degenen die mogelijkheden tot groei bezitten, zullen het zwaarste worden beproefd, zoals ieder creatief mens zwaarder omstandigheden zal kennen dan de onbegaafde mens.

Scheppen gebeurt altijd door de verdrukking heen, iedere geboorte kent haar weeën.

De spiritualiteit kent haar eigen weeën, zoals men duidelijk uit de levens van de baanbrekende spiritualisten kan concluderen.

Zonder tegenstand geen rijpingsproces, zonder de pijn van het geboorte-uur geen vernieuwing.

Onder invloed van de heerseres wordt de neofiet de belemmeringen binnengeleid en hij kan daardoor struikelen dan wel overwinnen.

De dwaas, de gevallen en terugkerende ziel gaat langzaam maar zeker de stoffelijke ontwikkeling binnen, maar, zoals wij zeiden, hij is nooit alleen.

Daarom schreven de kabbalisten op deze kaart van de heerseres de letter Gimel (geemel), omdat deze de "afdaling" aanduidt, zoals een kameel (de letter betekent woordelijk kameel) het schip van de woestijn is, zo is de heerseres de leid-ster in de woestijn van de stoffelijke natuur.

U kent haar allen, in meerdere dan wel mindere mate. De liefde tot de medemens is de enige voorwaarde waardoor men in dit leven de smarten en de teleurstellingen kan overwinnen.

Deze liefde is niet stabiel wanneer der ziel haar niet inspireert, dan verandert zij al spoedig in haat of koelte, in bitterheid en onverschilligheid.

De liefde van de heerseres kent twee zijden: liefde en haat, een tussenweg is er niet, omdat zij de heerseres van deze natuur is en dus noodgedwongen bestaat uit twee uitdrukkingen.

Maakt men zich ondergeschikt aan haar, dan wordt men een gevangene van deze natuur. 

Hoezeer is de mens die egocentrisch liefheeft, dan wel zelf-beschermend haat, niet gebonden?

Zodra de neofiet - en dat is iedere spirituele zoeker - ontdekt dat hij een vreemdeling is geworden op aarde en dat hij zelfs een eenling is in gezelschap van degenen die hij meende lief te hebben, zal de worsteling komen met de heerseres.

Een worsteling waarin zij hem tot een geleide moet worden en nooit tot een keizerin.

Deze inwijdingsfase is voor de neofiet zwaar en belangrijk in zijn geestelijke ontwikkeling.

Men kan niet èn slaaf zijn van de liefde der mensen èn zich overgeven aan de ziel.

Er wordt altijd een keuze gesteld, nooit een compromis gevraagd, hoezeer de twijfelende mens daarop ook aanstuurt.

Boeddha zeide dat de geestelijke mens de zodiakale begrenzing zou moeten doorbreken. Wel, dat zal de ziel doen zodra zij de zielenzijde van de heerseres ontmoet, kaart no. 20 - De Onsterfelijkheid, Resh.

De Onsterfelijkheid hangt samen met de doorbraak door de zodiakale poort. 

In het Scheikundig huwelijk staat zo duidelijk:

"......en hij die méénde wachter te zullen zijn is thuis gekomen." 

Het gaat niet om het wachter WORDEN, maar om het wachter WILLEN ZIJN.

Deze overgave van het zelf aan de nederige post van wachter, terwijl men denkt gearriveerd te zijn verandert de mens op het moment suprême.

De kaart van de Onsterfelijkheid draagt de Hebreeuwse letter Resh, hetgeen wil zeggen: gezicht.

In de Kabbala is 20 het getal van de oorspronkelijke wijsheid, dus van de herwonnen wijsheid van de ziel, en dat is gelijk aan een thuiskomst. 

Zodra een mens erin zou slagen de beletselen van zijn persoonlijkheid te doorbreken is het alsof hij een gevangenis opengooit; dan wordt zijn gezichtsveld wijds, hij reageert anders, zijn zintuigen zijn niet meer bepalend voor zijn conclusies, maar hij gaat de oorspronkelijke wijsheid binnen.

Wat dat betekent herinnert de neofiet zich slechts vagelijk.

Op de Egyptische kaart kan men zien hoe de ziel omgeven wordt door een lichtend aura en zij blaast op een bazuin, zij verspreidt de oorspronkelijke wijsheid.

Zij wordt opgeheven door haar medezielen die haar wijsheid erkennen en zij staat in het midden van twee zuilen: Boaz en Jachin heeft zij achter zich gelaten, de heerseres heeft haar vrijgelaten en toont haar haar werkelijke wezen en opdracht.

U kunt het enigszins vergelijken met het overwinnen van een ingewoekerde eigenschap, die men zelf zozeer verafschuwt, maar die steeds weer de kop opsteekt. 

Op een dag bemerkt u dat haar hebt overwonnen en dan gevoelt u een soort van vrijheid, alsof u een vijand hebt verslagen.

Een vijand waarvan u weet dat hij niet terugkeert, omdat hij bij u geen contactpunt meer vindt. 

Er zijn beslist mensen onder ons die deze gewaarwording kennen,

Ingewortelde gewoonten, fouten, eigenschappen zijn het moeilijkste te overwinnen, maar zijn zij eenmaal overwonnen dan is de neofiet vrijer dan voorheen.

Zo is het met deze twintigste kaart: de ziel blaast de bazuin om de trillingen der wijsheid door te geven en zij zal deze trillingen niet verlagen, omdat zij vrij geworden is, de poort is voor haar opengegaan.

De heerseres raakte de adelaar met haar magische staf aan en liet deze vrij voor zijn vlucht, de keizerin, op de middeleeuwse Tarot houdt de adelaar omvat en draagt in haar linkerhand de staf met de rijksappel, symboliek van de aardse persoonlijkheid.

Opnieuw de tegenstelling tussen de leer van Hermes en de middeleeuwse Tarot: in de eerste vrijheid, in de tweede gevangenschap, overal begrenzing, onwetendheid, angst voor de vrijheid.

De 20ste kaart laat eveneens een tegenstelling zien tussen Hermes en de middeleeuwen:

De Egyptische kaart heet; "Onsterfelijkheid", de middeleeuwse kaart noemt men: het "Oordeel".

Deze laatste aanduiding is onjuist, want een oordeel houdt tweeledigheid in: goed en kwaad.

Voor de opgaande ziel is er geen twijfel mogelijk, zij heft de bazuin, want zij is op weg naar de Opgang en kent geen terug meer.

Het idee van het Oordeel is echter zuiver gefundeerd in de menselijke gedachte. God straft de zondaar, Hij is streng en wraakgierig, en vooral vernietigend.

Het is die bekende theorie van hemel, hel en vagevuur, die men niet tegenkomt in de Hermetische lering.

Natuurlijk is er een mogelijkheid tot mislukking en falen, maar deze ligt reeds in het begin opgesloten.

De tovenaar die de dwaas negeert, zich aan de wetten van de pauzin houdt, zich onderwerp aan de keizerin en haar vrouwelijk emotionele verleidingen, deze zoekende neofiet valt in alle valstrikken die voor hem zijn opgezet en deze zijn er niet geplaatst door God, van wie hij in het prilste begin is uitgegaan, maar deze zocht hijzelf op.

De dwaas wordt beschermd, zoals alle stadia op het Pad - hoewel zij zwaar kunnen zijn - doorlicht kunnen worden door de "kleine Kracht" of weten en wijsheid der ziel. 

Dan valt men niet in opgezette valstrikken, maar dan léért men zijn lessen en de neofiet verandert zichtbaar en voelbaar in een zielewezen, dat tenslotte uitsluitend vanuit de ziel reageert. 

De Oordeelsdag die men meent te moeten vrezen, komt niet aan het einde van de ziele-opgang, maar deze komt precies dan wanneer de neofiet hem veroorzaakt. 

Het Oordeel kan liggen bij Isis, bij de heerseres, maar ook reeds bij de magiër.

Zodra de dwaas - de zielekracht - ons verlaat zijn wij geoordeeld; helaas bemerken we dat soms zelf niet, maar de overige dwazen op de spirituele weg bemerken het wel. 

Zulk een mens verliest iets essentieels in zijn denken, in zijn gevoelen.

In de occulte zienswijze draagt de keizerin vleugels, een typische occulte gedachte: men kan de persoonlijkheid tot de hemelen verheffen.

De middeleeuwse Tarot is simpeler, nog niet versierd door occulte misvattingen, maar zij is wel dood, benauwend.

De Onsterfelijkheid van Hermes is een juichende uitbeelding, het Oordeel uit de middeleeuwen is zwaar van de materialistische beloningsgedachte.

Zodra de mens zijn stempel drukt op de schepping van een Boodschapper, zoals hier Hermes, dreigt de materialistische denkwijze de ziele-impuls te verdrijven.

En wat blijft er dan over? 

Uiterlijke wet, herhalingsoefeningen, de dode letter, elke creatieve inspiratie is weggeëbd.

De Creatieve inspiratie die uit de Hoge Verbeelding komt, kan niet leven onder de ban van de pauzin of geketend aan de zodiakale impulsen van de keizerin.

Deze Isis-Verbeelding kan zich slechts gewonnen geven aan de heerseres zodra de dwaas regent kan blijven in het eigen Tehuis.

Die dwaas is niet omkoopbaar, niet gevangen te nemen door mooie voorspiegelingen, niet te dwingen, want hij is een dwaze pelgrim gehecht aan niets en zo is hij vrij van alles!

Deze dwaas moet in u leven, zo u wilt verder komen op een Pad van Inwijding.

Op dit Pad kunt u geen geld en goed medenemen, noch uitzonderlijke menselijke kwaliteiten. 

De enige voorwaarde is: dwaas te zijn, en daarom geen angst te hebben voor straf, noch eerzucht te bezitten voor een beloning.

Zulk een dwaas stoort zich niet aan een dag des Oordeels, noch aan een beloning voor goede daden, noch zoekt hij vermeerdering van zijn spirituele dan wel materiële bezittingen en daarom komt hij door de belemmeringen heen. 

Iemand die geen gehechtheid kent is onkwetsbaar, gehechtheid in al de betekenissen van het woord.

Men kan immers ook gehecht zijn aan gewoonten, omstandigheden, bouwwerken, spiritueel en materieel.

De dwaze pelgrim doet zoals het in de Bijbel geschreven staat: hij schudt het stof van zijn voeten en gaat verder.

Dit is nu hetgeen de hedendaagse mens zo moeilijk kan doen. Het stof drukt zijn voeten terug op aarde, hij kan het niet meer afschudden.

Op deze basis is hij geoordeeld en staat zijn hele leven in het teken van een Oordeelsdag.


De Heerser - 4, Hebreeuwse letter Daleth (dawleth) (de Keizer)


Het is begrijpelijk dat bij de indaling in de stof de neofiet twee soorten van aanval wachten: uit het rijk van het positieve en uit het rijk van het negatieve veld.

De heerseres als ontvankelijke kracht heerst over het negatieve veld binnen de zodiak; de heerser regeert over het positieve veld.

Hij is het evenbeeld van de heerseres, met dien verstande, dat zijn macht ligt in beheersing en moed, waarvan hij in de Egyptische Tarot de symbolen meedraagt.

De heerseres gaat geduldig met de neofiet mede wanneer hij de moed en de beheersing vertoont van een heerser in de goede bedoeling van het woord.

De heerser moet beheersing kennen niet willen heersen over anderen indien hij zijn eigen krachten niet beheersen kan.

Daarom spraken wij bij het stadium van de heerseres over het "aanschouwen" van Venus, dit vereist "beheersing", zoals de heerser toont.

Hij draagt de symbolen van zijn macht over de borst gekruist, maar hij praalt er niet mede, zij zijn, evenals bij de andere afbeeldingen uitsluitend ten dienste van de Inwijding verkregen.

Hier raakt de duif het hoofd aan, maar op andere wijze dan bij de heerseres.

De heerser, Vulcanus, blijft passief en raakt zelf op generlei wijze de adelaar aan, zoals de heerseres doet.

De negatieve kracht laat de duif der ziel vrij, de positieve kracht inspireert hem.

De laatste beslissing ligt altijd bij de negatieve kracht, maar ook het allereerste begin is afhankelijk van de negatieve pool.

Isis reikt de sleutel der beslissing, de magiër wacht.

Wij moeten leren in ongevormde beelden te denken en dat geëikte man- en vrouwbeeld losmaken uit zijn bekende vormen.

Wanneer men spreekt over een positieve of een negatieve geaardheid is daarmede niet bedoeld, man of vrouw zijn, maar het gaat om het ontvangende en het schenkende principe.

De dwaas doet niets, hij is neutraal de magiër is positief gericht. De hogepriesteres is negatief gericht en zij zijn afhankelijk van elkander.

De heerseres heeft geleerd haar positieve aanzicht te gebruiken, de heerser heeft geleerd zijn negatieve aanzicht te gebruiken.

Beiden zijn vertegenwoordigers van het hoogste bereiken, spiritueel gezien, in de stof. 

Daarom dragen de onsterfelijkheid en de heerser het Hebreeuwse letterteken: Daleth (dawleth), de poort, de beheersing van de heerser brengt hem, wordt tot de poort. 

De neofiet zal deze heerser moeten zijn, wil hij de heerseres op de enig juiste wijze kunnen overwinnen.

Het is als het huwelijk tussen Venus en Vulcanus, Venus mag zich niet vergooien aan Mars, de lagere vuurkracht, maar zij is gebonden aan Vulcanus, het hoogste aanzicht van Mars: Michael.

Zodra deze heerser in de neofiet tot een Keizer wordt, zoals de middeleeuwse Tarot laat zien, wordt de heerseres een Jezébel, zich verlagende tot de lagere liefde met Mars, of de drift des bloeds.

Noch de heerser noch de heerseres kunnen verder gaan dan hun eigen rijk. 

Zij laten de neofiet nu overgaan in het rijk van de Onsterfelijkheid dan wel blijft hij hun gevangene.

De keizer maakt misbruik van zijn macht en wordt een hoogmoedige, niettemin geslachtofferd door de heerseres, dan wel hij wordt een heerser over zichzelf een zelfoverwinnaar.

De keizer zal vallen in de klemmen van de hoogmoed en zijn zwakke plek zal zijn zijn liefde voor zichzelf en voor de schoonheid in ieder opzicht.

De heerser valt in geen enkele strik, want hij kent deze zwakke plek niet, omdat hij zijn hart beschermd houdt door de tekenen van zijn macht: beheersing en moed.

De moed van de ziel en de beheersing van het ego door middel van de ziel.

Hij, die zijn zwakten kent zal deze verhelpen door de gaven die hem gegeven zijn van den Beginne!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene