IX


De Beslissing - 6 (de geliefden) Hebreeuwse letter Vav (vahv)


Eros, de ziele-adeldom des mensen richt zijn pijl op de lagere Venus, opdat de discipel vrijkomt van haar driften en dus immuun zal worden voor haar verleiding .

In deze verleiding ligt alle interessen besloten, waarbij het hart naar het lagere wordt gericht.

De discipel is vrijwel zonder kentekenen van zijn waardigheid, integendeel hij is bijna naakt, als teken van zijn volledige overgave aan zijn zielenliefde.

Daarom is het betekenisvol voor deze fase dat de bijbehorende Hebreeuwse letter de Vak is, hetgeen nagel of spijker betekent.

Er wordt in deze mens een nagel gedreven, waarvan hij de aanwezigheid nooit meer vergeet.

Die spijker is als een doorn in zijn vlees en bij elke misstap pijnigt hij hem. Is er een betere aanduiding te bedenken voor de stem van het geweten die de serieuze pelgrim tot een pijniging kan worden zodra hij zijn doel vergeet?

Gewetenloos is de mens die deze spijker niet draagt.

Bij hem gaat het slechts om geliefd te worden door de uitverkorene van zijn hart, geliefd te worden door de schatten die zijn hart bemint.

Dit is een kwestie van aantrekkingskracht.

Liefhebben waarbij men iets terug ontvangt.

Wanneer men echter onder het merk van de Vak, de spijker liefheeft, dan wordt het een "muts", men heeft gekozen, er is geen terug meer.

Dit is nu hetgeen de mens bij zichzelf kan nagaan: heeft hij innerlijk het gevoel dat hij nog wel terug kan gaan naar de vleespotten van Egypte, het zielloze leven?

Zo ja, dan is deze kaart der beslissing door ons nog niet op tafel geworpen, noch doorschouwd.

De Vak wijst op de scherpte van een snede die hier door de neofiet bewandeld moet worden, behalve als hij hogepriester is dan is deze scherpte weggenomen, de nagel in het vlees beweegt niet, omdat er naar geen zijsprong wordt getaald.

Het is een vrije verbintenis, zoals de natuurvolkeren de snede in de pols kennen waarbij het bloed van de verbonden samenvloeit. 

Door de spijker zijn ziel en neofiet onlosmakelijk met elkander verbonden en hij die zulk een verbintenis vrijwillig en op de juiste wijze ondergaat bemerkt dit niet.

Deze beslissende fase ligt van het begin af in de dwaas onbesloten, zoals in de jonge ziel het doel bewust ligt verankerd.

Er zijn oude zielen en jonge zielen, zoals wij kunnen zeggen in verband met een reïncarnatie in de persoonlijkheid, maar oude zielen zijn lang niet altijd wijze zielen of gerijpte zielen, de jonge ziel kan puurder en ontvankelijke zijn dan de oude ziel.

Er zijn mensen die een enorme schat aan kennis bezitten en toch mankeert hen iets, en er zijn mensen die minder kennis bezitten, maar datgene wat zij brengen heeft dat onbeschrijflijke "it", die is als de lucifer bij het brandhout.

Het zwaartepunt ligt weer bij het bezit van de dwaas, degene die wijsheid heeft, maar geen intellectuele kennis waardeert.

Wijsheid schenkt het licht dat doorschouwt; een jonge ziel kan iets doorschouwen, terwijl een oude, hardnekkig gebleven ziel, alles te lijf gaat met zijn kennis.

De jonge ziel spreekt uit een innerlijke, niet aangeleerde wijsheid, de oude ziel spreekt uit vele ego-bewustzijnservaringen.

De pure ziel gevoelt de Vav, de spijker direct, de hardnekkige ziel heeft een veel dikkere huid, zijn geweten is niet zo consciëntieus. 

Het zesde Pad is de Weg van het Verborgen Mysterie en de bemiddelende invloed.

Deze invloed komt uit de ziel, die de omstandigheden glad kan strijken of doorlichten kan.

Het is dus tevens een fase van doorzicht ontvangen.

Eindelijk ziet de neofiet zijn hardnekkigheid in; eindelijk begrijpt hij waarom hij altijd faalde en tenslotte doet hij hetgeen men op het laatste moment van hem verlangt, hij neemt moedig de weg tot aan de wake bij de poort.

Daarom is hij hier ontdaan van zijn versiersels: hij is reeds verbonden met de wachter, en wordt getekend door de ster Davids, de zespuntige ster van "de werkzame kleine kracht".

Iemand die de vijfpuntige ster van Bethlehem als geboortelicht heeft schijnen wordt gehouden aan de volgende fase: de zes-puntige ster.

De vijfpuntige ster spreekt slechts van een wedergeboorte, een nog onmondig zijn in een nieuwe Wereld; de zespuntige ster spreekt van een binnengaan in de Nieuwe Wereld, hoewel men nog uiterlijk in de oude wereld leeft.

Hij is de vereniging van twee driehoeken: de driehoek van het Boven en de driehoek van het Beneden.

De neofiet is de driehoek van Beneden die zich vrijwillig overgeeft aan Isis, de driehoek van Boven om door de spijker in het midden met haar verenigd te worden.

Daardoor wordt de weg voor de kandidaat verlicht, maar dat wil niet zeggen dat deze nu door een rustige omgeving gaat, maar hij wordt slechts verlicht!

Dat speurende element dat de dwaas bezat is van hem weggenomen, hij behoeft niet keer te zoeken naar een steun voor zijn voeten: de mens bezit deze.

Dat is nu wat men noemt: gevoed worden door een innerlijke bron, het levende water bezitten, het Vuur des Geestes bezitten.

De beide driehoeken: één met de punt naar boven en één met de punt naar beneden staan eveneens voor de symbolische water-vuur verbintenis.

De mens bezit een bron van levend water, vuurwater.

Uit deze bron haalt hij zijn oorspronkelijke kennis, en deze komt NIET uit de literatuur.

Oude, hardnekkige, maar door ervaring geteisterde zielen, verstaan dit niet.

Een levende bron is als een doorlopende stroom die alle kennis doorlicht, die hun armelijkheid aantoont of hun verborgen schat blootlegt.

Deze bron is een fakkel, een inzicht of een helper.

Hij is altijd het bezit van hem die de beslissing heeft genomen en dus niet meer uit twee bronnen put, daardoor de bron van het levende water vervuilende.


De zesde kaart van De Beslissing wordt geplaatst tegenover de zeventiende kaart:

De Ster of de Verlossing, Hebreeuwse letter Peh (pay).

Op deze kaart ziet men afgebeeld hetgeen de kandidaat ontvangen heeft en waarin zijn ziel nu leeft.

Merkwaardigerwijze stelt deze kaart wederom een vrouw voor, het ontvankelijke principe; op haar hoofd draagt zij de hoed der heksen, hier gezien als een lemniscaat, waaruit de kroon van Osiris te voorschijn komt.

De verbintenis met de tijdelijke natuur (lemniscaat) met het geestelijke Licht der hemelen (magiërshoed), dus een duidelijke heenwijzen naar de verbintenis van Boven en Beneden.

Linker- en rechterhand, hart en denken symboliserend, storten het levende water wederom in de Stroom des eeuwigen Levens.

Hoe edel en diepzinnig is deze voorstelling!

Zodra denken en Hart tesamengaan komen uit beiden éénzelfde stroom voort: vuur-water, dat slechts teruggegeven kan worden aan de Godsrivier van het levende water.

De linkerhand is hoger geheven dan de rechterhand: het hart ontvangt altijd de eerste trilling.

Uit de hoofdbedekking herkent men wel de hoofdbedekking van de heksen, de puntmuts.

U moet deze hoofdbedekking vooral niet onderschatten, want hij heeft dezelfde betekenis als de spitse kerktorenbouw:

een concentratie van hogere trillingen bundelen en door het lichaam voeren.

Genegeerd wordt echter altijd de lemniscaat, de harmonische beweging binnen de natuur, die gelijktijdig aanwezig moet zijn.

Een "heksenmuts" zonder dat deze natuurlijke beweging aanwezig is, schenkt exaltatie, onevenwichtigheid, spanningen en uitgestotenheid uit het rijk der natuur.

Men kan niet ongestraft spelen met magische middelen!

Aan de linkerzijde van de figuur staat een boom met zes takken, bekroond door een vogel, de raaf die tot duif geworden is, of wordende is de tekening goed beschouwende.

De duif is vrijgekomen uit de kristallen bol der alchemisten en zal zijn levensvoedsel nu tegen de roofzucht van de raaf kunnen verdedigen.

Denk even aan het gebruik van de kristallen bol der waarzeggers, ook middeleeuwse heksen gebruikten deze en hij gaf hen het gezicht in de onzichtbare wereld, of de aardse hemel, het aardse boven inplaats van het geestelijke Boven van Hermes.

Aan de rechterkant van de neofiet ziet men de zespuntige ster, het hexagram van Salomo, omringd door de zeven sterren of de zeven planeten of de zeven stralen.

De Zevengeest is vaardig geworden over de verbintenis van het Boven en het Beneden.

De zevende dag der schepping ziet men als het einde, de rustdag! Hoewel deze zevende dag de belofte van een nieuw begin inhoudt dat pas voltrokken wordt op de achtste dag.

De zevende dag is niets anders dan het rusten binnen de ster van Salomo: het in harmonie zijn met het Boven, de ademhaling herstellen, en dat betekent voor de vechtende en moegestreden kandidaat altijd een "rust", maar nooit een stilstand.

Verwissel stilstand en rust nooit met elkaar!

Deze figuur van de zeventiende kaart is dan ook in actie: hij schenkt het levende water en voegt dit wederom aan de Godsrivier toe, hij geeft terug wat hem geschonken is.

De Hebreeuwse letter van kaart Zeventien is de Peh (pay), die niets anders betekent dan: mond.

De geopende mond brengt de waarheid voort; het Woord breekt zich baan uit de mond van de neofiet en wordt tot een levende bron, een beker vol met goddelijk water!

De neofiet brengt hier iets uit zichzelf voort, doordat hij verbonden werd met Isis of de zielekracht.

Enigszins primitiever ziet de Tarotkaart der middeleeuwen eruit: een vrouwenfiguur die twee kannen met water in een rivier ledigt, terwijl eronder staat: de ster.

Deze ster is hier achtvoudig, een totaal onjuist begrip van het teken acht, dat pas gerealiseerd kan worden wanneer de neofiet op de weegschaal heeft gestaan.

Ook hier een boom met in de top de raaf. Geen witte duif, maar een raaf; het ego of de persoonlijkheid is uit de bol vrijgekomen, hoewel hij niet tot duif geworden is.

Het gevaar van die zwarte vogel dreigt dus nog steeds.

Dit is niet in overeenstemming met de bedoeling van de Hermetische zesde kaart van de beslissing, die tegenover hem staat: daar schiet Eros op de verleiding.

Dat is een zuivere weergave van de oude zienswijze, zoals die ook in de mythe van Hercules voorkomt: daar schiet een gevleugelde genius op de ondeugd.

Alle Herculessen, Osirissen en ziele-mensen worden beschermd, men schiet voor hen op de ondeugd.

Zij kunnen omringd worden door haat en spot, maar altijd zullen zij de omstandigheden overwinnen .

De sterren die de achtpuntige ster op de middeleeuwse Tarotkaart omringen zijn zeven- en achtvoudig.

De diepe zinnebeelden van Hermes zijn niet begrepen.

Ook dat typerende man-vrouw zijn van de zeventiende Tarotkaart ontbreekt geheel. Daar is de figuur immers een vrouw die de Osiriskroon draagt.

Ook de kannen van de middeleeuwse Tarot zijn niet diepzinnig van symboliek: zij worden op gelijke hoogte gehouden en hun water stroomt èn in de rivier èn op de aarde.

Het zeventiende Pad is in de kabbala het Pad van Verwerkelijking en Rechtvaardigheid.

Verwerkelijking is de allereerste klank door de "mond (Peh) teruggeven, niet slechts als het woord maar ook als een kracht.

De mens, spiritueel gezien, kent diverse openingen, monden, één daarvan is die mysterieuze opening in de kruin.

Osiris, zo zegt de Egyptische leer, stierf op de zeventiende dag, en dat betekent de paus, de tovenaar, de ego-mens.

Uit deze gestorven Osiris komt die tweeledige figuur van de Ster of de Verlossing voort.

De waterdrager van de zeventiende kaart schenkt Osiris de verlossing, de dood, zoals men zegt.

Deze verlossing is nog niet volkomen: de duif is nog niet geheel wit, de zespuntige ster staat nog omringd door de zeven sterren, of de zeven planeten.

Het Boven en Beneden zijn verbonden, er is een opgang en een verbintenis, maar niet die algehele vrijmaking.

Maar wat is dat eigenlijk? 

Algehele verlossing ziet de mens altijd als een loskomen van iedere wet, van iedere band, van iedere verplichting of liefde.

De dwaas lijkt vrij, maar hij is vrijwillig teruggegaan op zijn Pad en daardoor heeft hij zich verbonden, geen vrijheid wenkt hem, zoals de zingende nar in de Engelse Tarot suggereert.

Vrijheid, zegt de mens, is het hoogste goed en toch brengt deze vrijheid hem geen vreugde, noch wijsheid.

Vrijheid betekent een innerlijke verbintenis!

Wie van de spirituele zoekers beseft dat?

Prometheus wist het, zoals de dwaas het wist.

Maar Prometheus was degene, die "vooruit ziet", zoals de dwaas door zijn innerlijke wijsheid de dingen vooruit ziet en daarom de juiste handeling volbrengt.

De tovenaar WIL vooruit zien en gebruikt daarvoor die belachelijke attributen zoals de middeleeuwse Tarot hem voorstelt.

Regeren is vooruitzien, zegt de volksmond.

Vooruitzien is heerser worden zou de Egyptische Tarot kunnen zeggen en dat wil altijd zeggen: zichzelf beheersen op de spirituele manier.

Beheersing die vanuit de dwaas opstijgt en niet vanuit de wil en de wet.

De dwaas is vrij, hoewel hij gebonden is en daarom bezit hij kracht, en geen angst en kommernissen.

De door God geschapen ziel is vrij, is 't niet zo? 

Deze vrijheid gaf hem de kans een dwaas te worden dan wel een goochelaar, een tovenaar.

Velen kozen het laatste.

Het lijkt zo geweldig om tovenaar te zijn, bewonderd door de medemensen, aanbeden door de zwakken, eveneens geweldig lijkt het om een keizer te zijn of een paus, maar hun gevangenis is bedompt en zij stikken erin.

De gevangenis van de dwaas is het Al en dit Al ademt leven en licht daar de poorten steeds geopend blijven.

Het Al is uw Tehuis, de natuur is uw tijdelijke gevangenis, maar ook daarbinnen zoudt u kunnen ademen op spirituele wijze wanneer u de Poort geopend zoudt willen houden als één die doorlopend wakende is.

Hoe men het ook beziet: er is geen ontkomen aan, de wake aan de poort met alle risico's daaraan verbonden moet volbracht worden.

Het "Ja" van de kandidaat betekent tevens zijn Thuiskomst in die Vrijheid van weleer.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene