III


De Magiër - De Tovenaar - Hebreeuwse letter Aleph (awlef)


De Dwaas begint zijn levensweg met behulp van zijn staf des harten, maar hij wordt omkleed door de Magiër, het kleed van het denkvermogen.

Een Magiër is - in de beste betekenis - iemand die op basis van zijn denken en zijn wil een doorbraak tot het Licht bewerkt.

Wanneer de zoekende neofiet opgevangen werd in de gewijde tempelruimte, dan moest hij beginnen zijn denken te verliezen in de beelden.

Het gaat hier dus niet om intellectuele spitsvondigheid, maar het gaat om een scheppend denken dat vanuit de "dwaas" gestaltenis neemt.

Op deze wijze wordt de Magiër een Mercurius, zoals hij wel eens genoemd wordt, een Tovenaar, die bij de Druïden Merlijn werd geheten.

Op zijn hoofd draagt hij de Atefkroon van Osiris, maar nog zonder de bekende vleugels; in zijn linkerhand draagt hij de toverstaf of de verbindingsstaf tussen vuur en aarde.

De Dwaas droeg, de staf des harten, in Egypte de "Hah" genoemd, het symbool van het eeuwige leven, de klop van het eeuwige leven, het hart van de eeuwige God.

Osiris, de Magiër, draagt de staf des vuurs en hij benut het zwaard van Michaël om het "beneden" te openen. Eveneens bezit hij de beker of de Graal van het toebereide hoofdheiligdom (graal is symboliek voor een toebereid denken) en tenslotte herkent men op de tekening nog het kristal der alchemisten, waarbinnen de raaf opgesloten zit: de steen der wijzen.

Aan zijn voeten draait het rad des levens; de magiër-dwaas staat aan het begin van zijn inwijdingsweg en er kan nog van alles gebeuren.

Hij is op de Egyptische Tarot echter afwachtende, zoals C.R.C. op de Dag voor Pasen: hij wacht op een teken.

Zo behoort zich de positief gerichte mens te gedragen: afwachtend, eigenlijk negatief in de waarlijke betekenis van het woord.

Dit is een moeilijk begin, want juist voor de magische mens is het dikwijls moeilijk een afwachtende houding aan te nemen.

De waarachtige magiër luistert echter, hij luistert "met zijn vlees", zoals het Boek Henoch het zo schoon zegt.

Aan het begin van zijn weg moet de neofiet luisteren hetgeen de magiër hem toefluistert, deze fluistering komt tot hem via de dwaas en wordt geboren in zijn denken.

Uit zijn denken , zijn gedachte, schiet dan een vlam voort die hem aanzet tot de handeling.

De kroon van Osiris is toegesloten, zijn denkwereld is nog niet bevrucht, maar maagdelijk, zoals de dwaas rein is.

De middeleeuwse Tarot vermeldt dit door te zeggen dat de "lingham" van de tovenaar bewijst dat zijn denken onberoerd is.

Helaas wordt in het occultisme het oervuur in het denken dikwijls gelijkgesteld met het seksuele vuur en zo ontsluit men dikwijls de Tarotweg op geheel verkeerde 

wijze!

De oorzaak hiervan ligt slechts in het niet herkennen van de plaats van de dwaas: de reine geboorte uit de oermaterie, een zielenvuur.

Zonder het innerlijke bezit van deze dwaas wordt de neofiet waarlijk een misleidde door het aardse vuur, het seksuele vuur en wordt de zo beslissende scheiding een seksueel probleem.

De magische, alchemische Mercurius is degene die de dwaas een boodschap brengt en daarop wacht deze magiër, de dienaar van Mercurius.

Dit geschiedt nooit door middel van het seksuele vuur!

De magiër bezit geen driften, hij is de verstilde, geconcentreerde denker, zoals de dwaas de in zichzelf gekeerde pelgrim is.

Voor de door zijn lagere vuur gedreven tovenaar wordt de weg één smartelijke beproeving van desillusies en geforceerde over-winningen en tenslotte wacht hem niets dan de mislukking en keert hij zich af.

Daarom spreken alle occulte tarot-uitleggers zo gaarne over die 21ste kaart: Alles in allen. "Dat is de grootse overwinning, dat wacht ons, zo menen zij"

(no. 22 is de dwaas, kabbalistisch en evenzeer de geestelijke wijsheid)

Dat is het einde. 

O neen, de dwaas is het einde EN het begin!

De dwaas, die de minste is, zoals C.R.C. onder al die voorname magiërs en zoals het lood onder al die edele metalen.

En deze dwaas is zo rein en zo verheven dat zij die hem onrechtmatig zouden willen benaderen, vallen in de kuil die zijzelf gegraven hebben.

En zo ging het ook waarlijk tijdens de inwijdingsceremoniën in Memphis en zo gaat het tevens op de levensweg van de neofiet.

Jaren, ja soms levens, kan de neofiet doende zijn om zich een. doorbraak te grave om tenslotte te bemerken dat hij niets anders deed dan zijn eigen graf te graven.

Velen komen tot deze ontdekking - gelukkig.

Gelukkig wanneer zij tijdig hun nutteloze pogingen inzien.

Het getal één is als de toverstaf, een verbintenis van het boven en het beneden, maar hij moet gedragen worden door de 0, de dwaas aan zijn zijde, wil hij het hemelse vuur kunnen doorlaten en niet ondergaan in een vernietiging.

Daarom is het zo juist dat de dwaas de Hebreeuwse letter Shin (sheen) draagt, de letter van Shiva: Ik kom tot een opstanding of een verbreking!

Daarop wacht de Magiër.

De tovenaar van de middeleeuwse Tarot speelt met dit vuur, òf hij bereikt niets òf hij vernietigt zichzelf.

De Hebreeuwse letter van de magiër is de Aleph (awlef) en betekent: os, rund.

Het rund is het teken van geduld, vruchtbaarheid, kracht, totaal overtuigd van zichzelf.

Doch zijn intelligentie is nog toegesloten!

Hij kan vooruitstormen als een rund of voortsukkelen als een os.

Alles ligt nog verborgen in die toegesloten kroon van het denkvermogen.

De occulte middeleeuwse Tarot sluit zich prachtig bij de betekenis van het woord "os" aan, want hij geeft de tovenaar een hoed op als een lemniscaat, een liggende acht.

Een liggende acht is de beweging binnen de natuur, horizontaal, geboren worden, voortbrengen, sterven.

ZONDER aangeraakt te worden door het hemelse principe, zoals we dat zien in de cijfersymboliek van de staande 8.

De os is volkomen gericht op het "beneden". Wederom een bewijs dat hij de innerlijk, verborgen kracht van de dwaas niet bezit.

Op de Egyptische afbeeldingen staat geen lettertekens, maar ook deze magiër draagt een lemniscaat op zijn borst, echter met dit verschil dat er een verticale lijn vanuit omhoog gaat.

De lemniscaat is opgehangen aan het "boven".


Magie komt voort uit een concentratie van ziele- dan wel ego-fluïdum.

De magie die de magiër gaat benutten onttrekt hij aan de dwaas, hoe vreemd dit ook klinken mag en daarom werd deze dwaas altijd voorgesteld als een negatieve kracht, een schenkende.

De Aleph en de 1 zijn gelijk aan de witte stier, de voortplanter; hij komt voort uit de zee, zoals de Griekse mythologie zegt.

De zee van de chaos, de oermaterie brengt deze "os" of magiër voort en dan kan het verdere verloop goed worden!

De magiër staat rechtop in het leven, d.w.z. hij gaat niet gebukt onder angsten en zorgen, want hij heeft zijn gehoor toegesloten voor klanken, slechts de hemelse klank kan hem bereiken.

Een magiër, die werkelijk iets doorgeven wil in bevrijdende zin behoort dan ook een positief vastbesloten mens te zijn, "still going strong", want hij volgt klanken en instructies die de buiten-staanders niet kennen en die de bespotters van de dwaas zotte wartaal lijken.

Iemand die zich laat inspireren door een dwaas is immers de aandacht niet waard?

Hoe gaat dat in onze wereld? 

De waarachtige magiër wordt bespot, de dwaas wordt gehoond en de tovenaars, de spitum lanficummakers, die zich uitsluitend baseren op een horizontaal vuur, een vruchtbare aardse inspiratie, worden gevolgd.

Hetgeen van beneden is zoekt het beneden en hetgeen vanboven komt, zoekt het boven. 

Zo gaat het ook hier!

In deze magiër moet reeds de overwinning besloten liggen, alle kracht om de beproevingen te ontmoeten, moet hij bezitten.

U kunt het ook zien als een David, die zijn "kleine kracht" aanwendt om een Goliath - eveneens ìn hem - te verslaan.

Het is niet zo dat slechts de man een magiër kan worden. Magie is een vuurkracht, vandaar dat deze door een mannelijke figuur wordt uitgebeeld.

Maar ook de vrouw kan een magiër worden en dan is zij de zieneres, de ontsluitster van spirituele verten.

In ieder mens leven zowel het mannelijke als het vrouwelijke principe en zo zal dus in de neofiet de beide stromen ontsloten moeten worden: de magische vuurkracht van de magiër en de verbeeldende inspiratie van de Hogepriesteres.


In de Tarot is de Hogepriesteres kaart nummer 2 voorzien van de Hebreeuwse letter Beth (bayth).

Deze Hogepriesteres speelt een mysterieuze rol in de inwijdingen.

Zij is geen dienares van de magiër, noch een vrouwelijke verleidster, maar zij is een zelfstandige macht.

De Hogepriesteres vormt met de Dwaas en de Magiër eigenlijk een drie-eenheid: geest (magiër), ziel (dwaas) en lichaam (hoge-priesteres). 

Zo althans is de lichtvaardige zienswijze.

Het lichaam van de neofiet heeft steeds een lagere rol te vervullen in de inwijding. U weet zelf hoezeer de spirituele betweters fulmineren tegen dat "lagere" vlees doch dan bedoelen zij altijd de lusten van het ego.

De hogepriesteres symboliseert echter een ander lichaam, een etherisch lichaam, lichtend door de kracht van de ziel, want het vleselijke lichaam is van generlei betekenis op het Pad der inwijding en diens z.g. "lusten" zijn bij de magiër en bij de hogepriesteres en de dwaas niet bekend.

Daarom vechten zij er niet tegen zoals zo menigvuldig in de literatuur van de spitum lanficummakers vermeld wordt.

De hogepriesteres is net zo rein als de magiër en de dwaas, en zij draagt haar kroon met dezelfde betekenis: zij is waardig bevonden tot inwijding.

Haar "kroon" is geopend, d.w.z. haar verbeelding is werkzaam, ontvankelijk, zoals dit hij Isis in de Egyptische inwijdingen het geval is.

Zij gaat, evenals de magiër, een verbintenis maken, maar zij doet het met de sleutel, de sleutel tot het verborgene beneden.

Zij gaat de dwaas en de magiër vergezellen op hun weg naar het dal beneden en zij houdt het Boek des Levens gesloten, het is nog een geheimenis.

Haar heilige Verbeelding houdt zich nog toegesloten, deelt deze nog niet aan de magiër mede.

Haar rechterhand, de hand van het denken, houdt het Boek dicht, sluit deze natuurkracht af, maar met de linkerhand des harten opent zij de weg omlaag.

Evenals bij de dwaas en evenals bij de magiër speelt de linkerzijde de grote rol: de linkerzijde is de ontvankelijke kant, de kant der "dwazen", de bespotte en de onkundige kant.

Niettemin bedienen de drie voornaamste personen in de inwijdingsleer van Hermes zich van de linkerhand.

Die man is "links" zegt men in de volksmond en dat wil zeggen: onhandig; (hij is "link", zegt men als iemand geslepen is)

In vroeger tijden werd de linkerhand en de linkerkant gezien als het "kwade". 

Tot aan de dag van vandaag is daar nog iets van blijven hangen.

De linkerzijde ontvangt het licht, de rechterzijde draagt het licht uit.

Links of rechts kunnen niet zelfstandig zijn.

Zoals de man niet de meerdere van de vrouw is, zoals velen geloven, zo is het ontvangende principe niet minder dan het schenkende principe.

Beide bewegingen behoren tot de ademhaling des levens.

Deze ademhaling wordt gebruikt op het Pad van Inwijding, en de dwaas wordt omkleed door een wezen dat gebonden is aan die ademhaling.

Zodra de neofiet één kaart van de Tarot uitsluit, is hij gedoemd te mislukken bij zijn pogingen.

Hij mag over géén der fasen minachtend of laatdunkend denken de werkelijke magiër en de waarachtige hogepriesteres doen dit ook niet, want zij zijn allen één wezenheid. Zij komen allen voort uit de 0, de oerbron en zij zullen door al die vormen of bemoeienissen héén moeten gaan om die volmaaktheid van de nul wederom te bemachtigen.

Wanneer de neofiet zich concentreert op de beeltenis van de hogepriesteres dan moet hij een inspiratie ondergaan.

De magiër-in-hem moet in beweging komen en op Isis, de hogepriesteres toeschrijden.

Zijn wezen moet naar haar uitgaan, hij moet zich openen en haar in zich opnemen.

De confrontatie met de magiër geeft de neofiet moed en kracht; de confrontatie met de hogepriesteres schenkt hem bewogenheid, innerlijke ontroering, als een onderdeel van een ontwakende Verbeelding.

Indien er één grote vergissing is gemaakt ten opzichte van de Tarot en de Inwijding, dan is het wel tegenover deze kaart van Isis, de hogepriesteres, die in de middeleeuwse Tarot wordt afgebeeld als de "Pauzin".

Een pauzin met een volkomen afgedekt hoofdheiligdom, een open boek in de rechterhand en een verkeerd gerichte sleutel in de linkerhand.

Zou in de neofiet zijn ontvankelijke zijde werken als deze pauzin, dan zou hij rustig kunnen ophouden met zijn streven, want het resultaat zou nihil zijn: slavernij aan de pauzin, slaaf van moeder natuur, een dol draaiend radertje in een dol geworden rad van avontuur.

Met deze kaart van de hogepriesteres veranderd in de pauzin is de Inwijding van de Tarot waarlijk een "spel" geworden.

Een spel vol jokers!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene