VIII

De zwarte raaf, als vertegenwoordiger van Saturnus, moet aanwezig zijn om het werk der Omzetting te kunnen volbrengen.

Want juist deze zwarte raaf moet wit worden en de witte zwaan moet rood worden.

De raaf van het ego moet allereerst pikzwart zijn voordat tot een reiniging kan worden overgegaan.

Het ego moet "iemand" zijn om zichzelf te kunnen verliezen, om zijn kleur te kunnen veranderen,

Twijfelende mensen, zich bewegende van het horizontale naar het spirituele vlak, bezitten de zwarte raaf nog niet en daarom kunnen zij nog niet werkelijk een begin maken met het proces.

Men kan zelf de zwarte raaf niet bestrijden, als men hem niet bezit! De weg is dan een schijn-weg, want om de reis van C.R.C. aan te vangen moeten en raaf en duif aanwezig zijn en bovendien water, zout en brood.

Zoals wij zeiden speelt het zenuwgestel een zeer belangrijke rol in de spiritualiteit. Het kwikzilver, metaal van Mercurius wordt, in de Hermetische wijsbegeerte, vergeleken met een levende maan, een levendige, inspirerende Verbeelding.

De witte Mercurius is gelijk aan deze maan; zij is de gemalin van de zon, en niet zijn ondergeschikte, maar zij is zijn gelijke: de koningin.

Deze witte Mercurius, het kwikzilver, bevat een vuurelement, dat aan de lagere zilverachtige maan onbekend is.

De hoge Verbeelding is geïnspireerd door het Vuur des Geestes en bezit de vlam der innerlijke Verlichting.

De rode Mercurius is als de zon, de geest, hij is als de rode zwaan, een ziel die door het hartebloed wordt rood gekleurd.

Zonder hartebloed bestaat de realiserende spiritualiteit niet.

Uit het hartebloed worden de Zeven Werkelijkheden gevoed, zoals wij zeiden.

Het hart geeft het bloed a, een offerande waar heel het organisme deel aan heeft, want dit bloed diende alle organen tot voeding.

Het hartebloed verenigt de witte en de rode Mercurius, de maan en de zon het negatieve en het positieve; de Verbeelding en de Realisatie.

Wanneer het hart niet bij de spiritualiteit is, blijft de weg voor de neofiet gesloten en zijn de woorden niets dan klanken, de meditatie oefening en de onthouding een straf.

Daar waar het hart zich in de strijd mengt vloeit er bloed, wordt alles rood gekleurd.

Een driftig of hartstochtelijk mens ziet alles voor zijn ogen "rood" worden, het hartebloed kolkt buiten zijn grenzen.

Zo is het ook met het fanatisme: het hartebloed doopt deze mens in bloed zonder dat hij enig idee heeft van de werking, de taak en het proces der bloedofferande.

Hij stikt in zijn hartebloed; driftige mensen krijgen dikwijls een hartaanval, een beroert, het bloed brengt hen om.

Het bloed is het wonderbaarlijke sap dat de vereniging van zon en maan, geest en ziel, realisatie en verbeelding bevestigt.

"In het bloed ligt de smaak", zegt Henoch.

Het bloed kan zon en maan, realisatie en Verbeelding proeven, Beproeven, het beslist of hij hen samenbrengt in het bad der eeuwige Genezing, of niet.

Als het bloed weigert, komt de zegening en de genezing niet tot stand.

Het bloed kiest zijn weg, zoals het hart zijn weg kiest en zoals al de Zeven ingeschapen Werkelijkheden pas mee gaan arbeiden, wanneer zij hun arbeid kunnen verrichten.

Hart en bloed zijn één. 

Het hart geeft zijn zegen aan het edele Koningspaar, waarop het bloed hen omringen gaat.

Dan is pas die waarachtige éénheid in de mens geboren, waarover de wijzen spreken.

Evenmin als het hart is het bloed te dwingen: "het kruipt waar het niet gaan kan", nietwaar?

Zolang het bloed niettegenstaande de ernstige pogingen van de neofiet op het Pad, naar de tegenovergestelde weg kruipt, waar het eigenlijk niet gaan moest, zijn al zijn pogingen tevergeefs.

In de spiritualiteit is dwang onbekend, er is slechts de omarming van de hoge Verbeelding, waarin het geruis der klapwiekende vleugels merkbaar wordt.

Dwang is iets of iemand een wil of een wet opleggen, die eventueel niet bij hem past, die hem tegenstaat en er zijn mensen die zich aan dwang overgeven in de hoop dat de spiritualiteit daardoor ingang bij hen vindt.

Sommigen smeken zelfs om die dwang!

Zij gevoelen die vage herinnering in zich en willen, in hun onwetendheid, daaraan gehoor geven, maar zij kennen het juiste begin NIET!

Daarom willen zij zich overgeven aan het weten van derden. Een armelijke en vaak tragisch eindigende poging tot realisatie.

Want deze mens realiseert niet, noch degene die hij de kracht onttrekt, want deze vermorst zijn energie voor eigenbelang.

Slechts hij vordert op deze Weg die de moed, de ijver, de deemoed, en de ziele-inspiratie bezit om zelf het grote Werk te volbrengen.

Een koninklijk ego èn een koninklijke ziel behoren beide tot de instrumenten der geestelijke omzetting.

Nu kan de pessimist uitroepen: "Maar er zijn geen koninklijke persoonlijkheden, noch koninklijke mensen. Allen zijn voos en egocentrisch."

Beoordeelt deze mens zijn naaste niet naar zichzelve?

Het ego dat de ridderlijke taak op zich neemt om zich voor de koninklijke ziel te offeren, bezit zijn ego-eigenaardigheden, dat is hem ingeschapen.

Hij is als de natuur: levende naar de wet van deze kosmos, maar hij behoeft niet SLECHT te zijn.

Slechtheid is een degeneratie, een stadium dat onder de natuur staat. Het dier is niet slecht, hij is instinctief en volgt de natuur-wet. Slechts de Lichtzoon kan slecht zijn, omdat zijn denken voortdurend bezig is uitvluchten te bedenken om zijn terugweg uit te stellen.

Hij is bewust slecht, omdat hij revolteert tegen de Schepper.

Hetgeen men mogelijk slecht wil noemen in de natuurgeboren mens, is meestal een ziekelijke afwijking in zijn natuurlijke  organisme.

Langdurige slechtheid, zoals de gevallen en weerspannige Lichtzoon deze praktiseert kweekt ziekelijke afwijkingen aan; hij vernietigt zijn eigen natuur, zijn ego, zijn instrument. 

Zelfvernietiging is een vorm van verdediging.

De huidige vernietiging van de ons omringende natuur is een voortzetting van de zelfvernietiging van de weerspannige Lichtzoon.

Daarom kan men deze vernietiging nooit van buitenaf herstellen, maar moet men altijd van binnenuit beginnen.

De schorpioen die zijn verlies van de strijd ziet naderen, doodt zichzelf. 

Wanneer deze schorpioen, dit ego, géén adelaar kan worden, vernietigt hij zichzelf, kiest hij voor de zielendood.

Hoevelen bewijzen dit reeds door zich teleurgesteld en verbitterd af te wenden van een spirituele weg, alleen omdat het hen niet gelukt is op de wijze zoals zij het zelf wilden?

Dan storten zij zich in de zaligheid van de materie en dwingen zichzelf deze zaligheid te genieten.

Is dit geen zelfvernietiging?

Bewijst dit tevens niet dat het begin niet juist geweest is en dat zij NOOIT de zwarte raaf hebben bezeten?

Een zuiver zwarte raaf is als een gezond ego. 

Om hem blank te kleuren moet er ziele-water aanwezig zijn, vuurwater of zout water.

Het hartebloed moet warm en geïnspireerd door het wezen vloeien, dit vuur-water met zich meevoerende.

Zodra de mens iets verwacht op zijn Pad en daardoor zijn handelingen laat beïnvloeden zult men teleurstellingen incasseren.

De ijverige, deemoedige en totaal door zijn innerlijke Arbeid geabsorbeerde wijze, heeft geen tijd voor de verwachting, hij kent slechts de afwachting als een zoet, hem sterkend geduld.

Daardoor wordt hij nooit gehaast, noch fanatiek bezeten, noch slaafs lui en flegmatisch, noch eigengereid.

Want de vier elementen zingen hun lied der harmonie in hem: de lucht tintelt in zijn denken en geeft zijn bloed de beweeglijkheid om daarheen te gaan waar het mogelijk niet zou kunnen gaan; het vuur verwarmt zijn hart, zijn bloed, heel zijn wezen en verlicht zijn Verbeelding en geeft hem de kracht om te reageren wanneer zijn wateren beroerd worden.

Zijn water-element is puur van een doorschijnend kristal en mengt zich gemakkelijk met de aarde, zodat de spirituele afwachting wordt geboren, doch dit water bezit het zout des geestes, hemels zout, dat voorkomt dat de luiheid en het flegmatisme hem wurgt; en zijn aarde is als een geduldig wachter, zijn poort openende voor de ziel, de aarde-schoot openende voor het zaad des geestes en zij verhardt zich niet.

In alles wat de mens denkt, doet, en spreekt, zijn deze elementen te herkennen in hun vergiftiging, dan wel in hun pure staat en tevens kan men bemerken of het vijfde element meespreekt: het hemelse vuur, het vergeestelijkte zout.

Als de mens bereid is de Eerste Sleutel der Hermetische wijsheid te hanteren, is hij attent op zichzelf, want hij moet de obscure gevangenis ontsluiten en de beesten doden die daarin huizen, zodat zijn ziel niet beroofd kan worden van haar levenskracht.

Praktiseert men deze eerste stap niet, dan is de weg een moeizame gang van vallen en opstaan, totdat de mens dodelijk vermoeid terneder zal zinken.

En daarna zullen deze beesten vrij spel hebben en waartoe heeft dan al zijn arbeid gediend?

Moet er eindelijk niet een moment komen waarop wij blijvend in de geestelijke grond kunnen staan?

Zou het niet verrukkelijk zijn om de gaven van de Zeven Werkelijkheden wederom te bezitten?

Dan zou een samenzijn van mensen er geheel anders uit kunnen zien!

Iedere dag en ieder uur zou dan een geestelijke realisatie zijn.

De Zeven Werkelijkheden zouden de Geest roepen en er zou een voortdurende vreugdedans zijn tussen de ziel en de Geest.

Hieruit zouden trillingen voortkomen die het denken van de neofiet zouden begeesteren die hem ideeën zouden schenken die hij voorheen nog niet kende, en die hem meevoerden op de kracht en de pracht van zijn Vleugels.

Dan zou er geen twijfel meer in hem zijn en geen ongeloof, geen gevecht tussen de leeuw der jungle en de gevleugelde leeuw der hemelen, dan was er slechts die opgang naar de hoogten, innerlijk, uiterlijk; en tussen hem en zijn medemensen, zijn gelijken, zou er slechts liefde, vriendschap, medeleven en vooral geestelijke uitwisseling zijn.

Want ieders denken zou zich in heerlijkheid baden en zo een gezamenlijke heerlijkheid spreiden.

Men zou elkanders dienaar worden en toch koninklijk kunnen blijven, want innerlijke adeldom verlaagt zichzelve niet, wat er ook gedaan moet worden, waartoe zij ook geroepen wordt, waar zij ook zou arbeiden. 

Slechts de schijn-adel is bang zijn status te verliezen, ziele-adeldom kent deze vrees niet, want hij die waarlijk zichzelve is, edel in alle opzichten, bezit een onaantastbare innerlijke staat.

En de ware neofiet weet dat. 

Hij is één met het eeuwige universum en de Geest des Universums verlaat hem niet.

Waartoe zou hij dan vrezen?

In deze zekerheid ligt de genezing van alle kwalen, de rust, de deemoed, het geduld, de kennis en de heerlijkheid.

De koninklijken onder de mensen weten dit!

Mogen zij de adeldom der goden, hier in Sivas, deze Hoi der Natuur, spreiden.

Dit is hun enige opdracht, ingeboren in de Lichtzoon; hij die deze opdracht verzaakt, verloochent zijn afkomst en zijn roeping.

Dat de stemmen van Intuïtie en Geweten u hiervoor mogen behoeden, Lichtzoon, want de tijd gaat voorbij en de nood dringt.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene