V - de tweede sleutel

Iedere wijze spreekt over het vuur dat de subtiele en reine delen kan scheiden van de grove en aardse delen.

Het vuur is het onmisbare element voor de spirituele neofiet.

Door het vuur wordt het leven gewekt; vuur is niet altijd zichtbaar, maar er is een beweging die warmte doet ontstaan waardoor de vlam ontspringt.

Deze warmende beweging ontstaat wanneer twee tegengestelde elementen elkander tegentreden; tussen het positieve en het negatieve element ontstaat een hitte veroorzakende beweging, waardoor het vuur uitslaat.

Gisting is vuurwerking, ver-assen is vuurwerking; geboorte is het resultaat van een vuur.

Het Hermetische vuur is een innerlijke gisting, waardoor de mens zich verwarmd gevoelt voor en door de Geest.

Bezieling is een vuur; fanatisme is een vuur; maar ook pure spiritualiteit is een vuurwerking.

Zodra de ziel verwarmd wordt door de geest, slaat een bezielend vuur door de mens, waardoor hij het grof-stoffelijke scheidt van het subtiel spirituele.

Het is onmogelijk om onbezield een spirituele weg te exploreren.

Spiritualiteit heeft bezieling nodig, en kan nooit bestaan uit een wetmatig plichtsgevoel.

Plichtsgevoel wekt geen zielenvuur op  daar de geest afwezig blijft.

De meest plichtsgetrouwe mens behoeft géén spiritueel mens te zijn, maar ieder spiritueel mens is bezield.

Niet door een fanatisme voor de één of andere beweging, maar altijd door een onuitroeibare liefde voor iedere spirituele activiteit.

Zulke mensen kunnen niet leven zonder spiritualiteit en zij hebben nooit genoeg aan religieuze vormelijke plichtsbetrachtingen.

Deze mens staat altijd in conflict met zijn leeuwachtige roofdierenaard en tracht coûte que coûte deze leeuw zijn vleugelen aan te gorden

De vurige aard van de persoonlijkheidsleeuw komt in opstand tegen de vleugelen van Intuïtie en Geweten, omdat hij daardoor zijn leeuwenaard moet verloochenen.

Niettemin is het deze leeuw die zich moet vereenzelvigen met de duif van wijsheid en vrede; de pelikaan der offerande; en de Phoenix der herrijzenis.

Alle spiritualiteit is eigenlijk lijnrecht in tegenspraak met de denkmethoden van de leeuw der persoonlijkheid en toch huist in hem de mogelijkheid om te vliegen, om de hemelen tegemoet te snellen.

Op eigen kracht zal deze leeuw dit nooit kunnen, zijn leeuwenvuur brengt hem nooit boven de jungle der aardse strijd uit, daarom moet er een àndere vuurkracht zijn en hierin ligt het geheim van de Hermetische Kunst.

De Hermetische wijze spreekt niet over dit geheimzinnige vuur, omdat een kleine intellectuele, egocentrisch gerichte vergissing schade kan berokkenen in het organisme van de mens.

De occulte, intellectuele, wilskrachtige mens gebruikt zijn levensvuur of seksuele vuur om de Geest te dwingen zich aan zijn ziel bekend te maken.

Hij geraakt echter altijd in een toestand van seksuele, onnatuurlijke extase, die de reinheid van de vereniging van ziel en geest nooit overdraagt.

Dat is de tragische vergissing van het overgrote deel der spirituele zoekers.

De persoonlijkheidsleeuw laat zich dragen door de vleugels van Intuïtie en Geweten, die krachtig worden door een onzichtbaar vuur, dat zich uitdrukt: in het geduld, in de sensitiviteit, in de doorschouwing, in de scherpte van het gehoor, in de heerlijkheid binnen het denken, in de verfijnde smaak van het bloed en in de wonderbaarlijke geur der ziel.

Het vuur der wijzen kàn in het bloed zijn als een warmte, waardoor de dingen om de neofiet heen lijken te veranderen, waardoor zijn ogen anders zien en zijn vlees gevoelig wordt voor de fijnste trillingen.

Het kan zich uitdrukken in die lichte fragiele ontvlambaarheid in zijn zenuwen, waardoor hij nimmer misleid kan worden door derden en het kan zich in zijn denken bevinden als een licht, een verruimer.

Het Vuur der Wijzen is gelijk aan "IT", in spirituele zin en dit vuur kan nimmer gedoofd worden zo de mens zelf dit niet wenst.

Door dit Vuur der wijzen, dat niet loeit, noch verwondt, maar verlicht, verwarmt en leven schenkt wordt men een ander mens, men wordt innerlijk gescheiden van de grofstoffelijke aardse mens, men wordt twee in één, juist door de werking van dit vuur.

Zonder dit vuur bestaan er géén twee wezens in één, hoogstens komt de tweede Mens even op bezoek en verdwijnt dan weer snel, maar door dit Vuur bezit men een vaste Inwoner.

Bezield worden door dit Vuur der wijzen is onmogelijk te beschrijven voor de bezitter, want de woorden zijn ontoereikend en de luisteraar kan nooit het geheim verstaan, indien hij niet zelf dit vuur kent.

Het ontbreken van dit Vuur is de missing link tussen de spirituele en de materiële mens.

Er is niets dat Het kan vervangen, noch woorden, noch wel-willende pogingen, noch vriendschap, noch plichtsbetrachting.

Dit Vuur is, zoals Henoch zegt, de Geest Gods in de ziel die zich vermengt met de wind of de etherische trillingen, opdat hij het wezen geheel en al zal verwarmen.

In het gebeente van de mens brandt dit vuur in het beendermerg, waar het het geduld der herhaalde vernieuwing voortzet.

In de blik bevindt zich dit Vuur als de Bliksem Gods waardoor de blik een onuitsprekelijke scherpte, diepte en helderheid gaat ontvangen.

In de huid bevindt zich dit vuur als de beweging der cellen, afbrekende en opbouwende.

In de zenuwen bevindt zich het vuur als trillingen, fijner dan de fijnste antenne.

In het denken bevindt zich dit vuur als een bovenmenselijke kracht, die in staat is licht te maken wat donker is en te doorzien hetgeen duisternis is.

In de ziel is zij een brand, een vermaling of ver-assing, die de laatste resten van de leeuwenaard verbrandt en zo de geur der goden afscheidt.

Geen van deze Zeven Realiteiten laten zich door de wil een wet voorschrijven, zij zijn ingeschapen, delen der ziel, die zich ontplooien wanneer de vleugelen van Intuïtie en Geweten zich verheffen en het leeuwenlichaam van de grond tillen.

Het is meestal zo, men wil, meent men, maar men kan niet!

Wel, omdat men de juiste instrumenten niet gebruikt, maar het leeuwenlichaam en de leeuwenkracht forceert om goddelijk en subtiel te worden, dat is waarlijk tegennatuurlijk.

Het vuur dat in de mens brandt en waarmede hij vol begeerte zijn materiële leven tracht te cultiveren, te  regelen en in te richten naar de wens van zijn ego, zal nooit gericht kunnen en willen worden op de hemelen, want daar liggen zijn belangen niet.

Alle methoden om dit vuur daarop te concentreren zijn tijdelijke toestanden, wellicht voor één leven, soms helaas voor enkele levens, daarmede het hoge instrumentarium, de vleugels en de wijsheid van pelikaan, phoenix, duif en zwaan  vernietigende.

Een mens kan een leven lang leringen beluisteren en bestuderen en toch geen enkel spiritueel resultaat boeken.

Waarom niet?

Omdat hij het essentiële bestanddeel mist.

Hij kan mediteren en zichzelf kastijden, hij bereikt zijn doel niet. Omdat in zijn denken het Vuur der wijzen ontbreekt en hij zich behelpt met het intellectuele Vuur.

Het vuur is de grote misleider en de grote verleider.

Zolang de mens zich onbeweeglijk houdt, geen vonk laat overspringen, geen bezieling bezit, geen reactie toont, gebeurt er niets. De ontmoeting tussen het Boven en het Beneden brengt de beslissing.

Zoals op aarde het ontvangende principe en het bevruchtende principe tezamen de vrucht voortbrengen. Zolang de spirituele mens NIET waarlijk wachtende is op de Bliksem des Geestes, op de Blik Gods die de Steen verandert, gebeurt er niets.

De mens moet kunnen ontvangen èn kunnen reageren.

Zijn ziel moet open zijn, zijn hart moet de poort der ziel vormen en dàn kan het gebeuren, in een oogwenk.

Maar hoe dikwijls is de mens open? Hoe vaak heeft hij het te druk met andere dingen.

De zinnen toegesloten, de vurige jacht het bloed opzwepende, en zo voortgedreven tot wegen die altijd in het niets eindigen?

Het vuur is dan een loeiende drift of begeerte in de mens, en het water is drabbig en giftig door stilstand; zijn lucht voortdrijvende op de winden, of gelijk een kolkende storm in zijn bloed; en zijn aarde is hard, halsstarrig, onverzettelijk, doof.

Onvruchtbare aarde, zich haastende luchten, begerig en vernietigend vuur en modderige wateren zijn géén elementen die de verstilde etherische vuur-water kracht des geestes kunnen ontvangen.

Het ego moet willen!

Zodra dit ego wil, sterft de vurige drift en daarmede vergeet de leeuw zijn roofdierenaard en is bereid zich de vleugelen van Intuïtie en Geweten te laten aangespen.

Want de zinnen worden dan gevoelig, geloven in deze vleugelen, zoals zij voorheen daarin niet geloofden, toen de leeuwenkracht in hen loeide.

Wanneer de Geest, of het Vuur der Wijzen, in alle mensen zou leven, is het niet moeilijk om in harmonie samen te leven, of om tezamen een zware opdracht te vervullen.

Dat onbestemde "IT" verbindt de individuen.

Velen op deze wereld kunnen in eenheid vechten voor een zichtbaar doel, een bouwwerk, een overwinning, maar hoevelen kunnen als een eenheid arbeiden aan een onzichtbaar doel, dat zich procesmatig in ieder individu zal bewijzen?

Hoevelen zijn bereid zichzelf te geven voor een Weten dat in deze wereld niet erkend wordt?

Zijn zij niet al te dikwijls beangst om zichzelf belachelijk te maken?

En ligt daarin weer niet die ego-vrees, die angst van de leeuw om zijn vleugelen aan te gorden, omdat hij méént dat zij niet bij hem horen en omdat hij het element der hemelen niet kent?

Iemand, die dit Vuur der Wijzen bezit, bekommert zich niet om methoden en dwingt zichzelf niet tot extremiteiten, hij volgt zijn weg, de blik gericht op de hemelen en de steen verandert vanzelf door de Bliksem der Goden.

Het Pad is NIET moeilijk, geloof het toch. 

Het is slechts tegengesteld aan het aards ingestelde denken. Daarom méént men dat het moeilijk is.

De mens mààkt dit Pad moeilijk door het aardse met het hemelse te vermengen, voordat het aardse dit wil of dit begrijpt.

Het aardse moet zich sublimeren, totdat het in staat is zich te verheffen op de vleugelen .

Geen cultivering van het Ik, dat is een uiterlijke formaliteit, neen, het ego moet willen luisteren en daardoor zullen de vonkjes van het vuur ingang vinden, de zintuigen verlichtende en her-scheppende.

Van binnenuit zal zijn hunkering komen, als een vragen en als een beantwoording, als een water-vuur beweging.

Men zegt wel eens dat alles afhankelijk is van de hunkering des mensen, maar hunkeren is niet genoeg, er moet juist en vooral de beslissende reactie zijn.

Miljoenen mensen hunkeren, maar zij bewegen niet op de roep.

Miljoenen mensen blijven hunkerende en omdat zij hunkeren vanuit het aards gerichte vuur, of het troebele water, nemen zij genoegen met een imitatie van de Roep der Re-Ligio Universalis.

Velen zijn zoekende, maar hoevelen zijn bereid zichzelf te verloochenen en Intuïtie en Geweten te aanvaarden?

Hoevelen kiezen de weg van een compromis?

Hoevelen storten tranen om hun bewuste loochening? 

Zij weigeren hun opdracht en weten dit! 

Hoevelen vechten om niet, slechts omdat zij een ego dwingen, dat eigenlijk niet wil?

Zij vermorsen hun energie en hun weg eindigt altijd in bitterheid en teleurstelling, want hetgeen zij willen vinden, hetgeen hun ego wil vinden, vinden zij nooit.

Daartoe moeten zij omkeren en de brede weg wederom gaan, dan vinden zij bevrediging en er is altijd wel een middel te vinden om zichzelf te excuseren of zichzelf in te vergeten.

De Weg is slechts smal en streng voor hem die zijn Vleugelen aangordt, maar deze mens bemerkt de strengheid en de smalte niet, omdat hij zijn blik daarop niet gericht houdt, maar deze vestigt op de Ster aan de Hemelen, de Ster der Wijzen. 

Hij laat zich leiden door de vleugelen en deze zullen hem brengen waar hij hoopt: in het Land der Herinnering, waarvan de zwaan der reine ziel droomde op de wateren; waarvoor de duif zo moedig doorzet terwille van zijn voeding; waarvoor de pelikaan zijn hartebloed wegschenkt; en waarvan de Phoenix zingt als hij uit de as herrijst.

In het Land mijner Herinnering is het Licht, Heer!

Daarheen leidt mijn vlucht!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene