III

Het gehele proces van geestelijke omzetting beweegt zich langs en door middel van Mercurius, die in het zevenvoudige stelsel de keel, maar ook het zenuwsysteem beheerst.

De vrijheid, die de individuele mens zo liefheeft, uit zich in een werking van het zenuwgestel.

Irritaties, psychosomatische ziekten zijn aanvallen binnen het zenuwstelsel, waardoor Mercurius belemmerd wordt in zijn arbeid.

Wanneer het eenmaal zover is, is Mercurius een op hol geslagen boodschapper geworden, die de route tussen Boodschapper en boodschap niet meer onderscheidt.

Spiritueel geremde mensen en ook materieel geremde mensen worden onrustig en gaan allerlei kwalen vertonen

Het zenuwgestel (Mercurius) wil de vrijheid bezitten om zich te kunnen uitdrukken.

Deze vrijheid is niets anders dan een vrijheid van geest, een ontplooiing van het denken, en een declaratie van de gevoelens van het hart.

Druk van buitenaf begrenst het zenuwgestel, waardoor de trillingen uit de macro's niet meer overgedragen kunnen worden in de micros.

Macro's èn micros leven met en door elkander.

Een geteisterd zenuwgestel snijdt de mens af van zijn voedingsbron, waardoor hij een zelfparasitisme gaat beoefenen: hartinfarcten, maagkwalen, kanker, astma en nog vele andere aandoeningen zijn daarvan het gevolg.

De mens wordt gedwongen te vegeteren op zijn organische stelsel, zonder dat dit van buitenaf door de Goddelijke levensenergie, die elk schepsel bezielt, wordt gevoed.

Het egocentrische levenssysteem is uitsluitend gericht op een microcosmische leefmethode, nooit op een wisselwerking tussen macro- en microcosmos, of tussen God en schepsel.

In een leer waarbij de zevenheid als opperste heerlijkheid wordt gezien en de acht, waarin de wisselwerking besloten ligt wordt genegeerd, is men ingesteld op de top van de zevenheid als middelend veld, of als leraar, terwijl God, als volmaakte Bron, verheven boven alle levenssystemen

  niet in deze ordening, deze filosofie past. 

Voor hen is God een onbereikbare Bron, maar de Meester is degene die god geworden is en waarmede de nederige discipelen te maken hebben.

Individualiteit , als een spiritueel koningschap, betrekt echter God in leer en religie, de ziel is de middelaar, de persoonlijkheid is de discipel en onze geestvonk is de God-in-ons, die dezelfde is als de God-buiten-ons.

Koninklijke adeldom is het tonen van de drie-in-één: persoonlijkheid, ziel en geest.

De geest omvat ziel en persoonlijkheid en zijn adeldom drukt zich in beiden uit.

Transfiguratie, zoals de Hermetische Gnosis, deze ziet is niet verschillend van de Omzetting der middeleeuwse Katharen.

Voor beide overtuigingen moet men allereerst een "Bonhomme" zijn voordat er van de verwerkelijking van dit Endura sprake zal kunnen zijn.

De Omzetting voltrekt zich in de vrije mens, nooit in de gebonden mens: zij begint in het hart, een aangeboren Re-Ligio en zet zich voort in het denken, aan de onderwerping aan de Re-Ligio-des-harten.

Dit is geen theorie, die aangeleerd kan worden, maar ieder spiritueel mens ondergaat deze gewaarwordingen als een aanraking Gods.

Zodra het hart bezield wordt door de spiritualiteit volgt het denken als een dienaar, waarop het wezen van de mens de vleugels van Intuïtie en Geweten aangordt, en zo verheft de mens zich boven zichzelf, de leeuw ontvangt zijn vleugels, de persoonlijkheid vergeet zijn ware aard.

Boven zichzelf uitstijgen betekent: zijn aard verloochenen, zijn karakter verbeteren, de hoofdzonden uitrukken, iemand anders worden dan men altijd geweest is.

Men zegt dat dit de moeilijkste opgave is in de spiritualiteit: een ander mens worden.

Dat is onmogelijk! zo roepen velen. 

In de spiritualiteit is het zeer wel mogelijk. Omdat de spirituele mens degene is die hij geweest is of zou kunnen zijn.

Hij is twee in één.

Hij kan kiezen tussen de leeuw van de jungle en de gevleugelde leeuw der hemelen. Hij kan zich nooit verontschuldigen met de woorden: "ik ben die ik ben" en mijn medemensen moeten daarmede  maar genoegen nemen.

Zolang hij in zichzelf nog van symbolisch dier verwisselt, is hij niet harmonisch noch kan hij evenwichtig of tevreden zijn.

Iemand die vleugelen mee heeft gekregen om op te stijgen tot de vrijheid der hemelen, kan niet blijvend genoegen nemen met de duisternis van het oerwoud.

Allerlei wetten, dogma's en reglementen kunnen hem wellicht jaren, soms zelfs levens, bedwingen, maar éénmaal wordt de hunkering naar de Hemelen te sterk en zoekt hij zijn vleugels.

Verwar dit verlangen naar vrijheid nooit met een egocentrische zelfbevrediging. De mens die God zoekt of zijn Oerbron zoekt, richt zich niet op horizontale belangen.

Hoogstens vereenvoudigt hij zijn uiterlijke omstandigheden om de ruimte te vinden om zijn vleugels uit te slaan, tegelijkertijd breekt hij met de dwang der materie.

God is niet beneden in de jungle, waar de leeuw der persoonlijkheid vecht, God is in hem en buiten hem, indien hij zijn Re-ligio belevendigt. God is niet in de begeerten der hongerige horden, die hun voeding in hun jungle zoeken. God is daar waar de jungle het licht toelaat, en vooral daar waar de vleugels de mens heen kunnen brengen, zoals in de alchemie de leeuw het symbool is der zelfoverwinning.

Hij is in de Verbeelding van een gevleugelde Mercurius, hij is in de heerlijkheid van het gevleugelde denken, hij is dáár indien de mens roept.

De blanke, kwikzilveren Mercurius, die behoort bij de zuiver loden Saturnus, brengt hem tot de mens.

Zodra de mens evenwicht is, zijn zenuwgestel rustig, zal het hem gemakkelijker vallen de spirituele klanken te verstaan.

God is de mens nader, indien zijn instrumenten goede werken. Denk niet aan deze God, als aan een oppermacht der kerken of een Opperwezen dat straft en beloont, al naar zijn believen. 

Alles is trilling en God is de hoogste trilling, daar waar klank, kleur en trilling één worden, op die heilige berg waar de vorm sterft.

De blanke Mercurius, als de kwikzilverachtige Verbeelding, die tussen de hoogste toppen des Geestes en tot in de cavernen van de hersenen van de neofiet heen en weer snelt, deze Mercurius moet hij voeden met zijn eigen bloed, hij moet voortkomen uit de eenheid der Zeven Werkelijkheden: zijn vlees, zijn bloed, zijn gebeente, zijn denken, zijn zenuwen, zijn ogen en zijn ziel.

Hij is de boodschapper die de reuk der ziel aan God overdraagt; hij is als de Phoenix die uit de as van de oude mens omhoogrijst. Hij is de middelaar der Ouden, die nimmer spreken van een uiterlijke middelaar, die voor zijn medemens de weg kan effenen.

Alles wat uiterlijk is moet verdwijnen, ook zijn meesters, ook de vormen waaraan de neofiet gehecht is, ook die prettige zekerheid van dogma of wet, die hem veilig stelt voor de hemel der organisatie.

God kent geen afgescheiden bewegingen, hij kent slechts trillingsverschillen, waardoor zijn uitstralend licht in stadia wordt verdeeld.

Afgescheiden velden vindt men in de onzichtbare helft van deze aarde, astrale concentraties, gedachtesferen, waarbinnen gelijk-gestemden elkaar terugvinden. De gevleugelde mens reist daar doorheen, hij lost op in de trillingen van het Licht.

Mocht men zich soms verheugen op een gezellige, prettige en rustige thuiskomst in het hiernamaals, dan is men nog gebonden aan de idee van "beloning naar werken" en "hopende op betere tijden".

De leden van iedere beweging hopen hetzelfde.

Bij God zijn zij echter allen onder één noemer teruggebracht; slechts hij, die zijn Re-Ligio nimmer verlaten heeft, snelt door deze sferen heen als de Phoenix.

Alle voornoemde gedachten zijn tot as geworden.

De spirituele kandidaat heeft geleerd zijn Zeven Werkelijkheden te richten op de wijsheid die in hem en om hem vrijkomt. Want hij weet dat geen enkel stoffelijk zintuig de wijsheid der Koninklijke Wetenschap kan onderscheiden, want de sleutel tot zijn poort bevindt zich in dat nog toegesloten wezen, waarvan het ziele-atoom een overblijfsel is. 

Intuïtie en Geweten, als de twee vleugelen, brengen de kennis, het inzicht, en onthullen de verborgen plaats van deze sleutel.

Iemand, die nog gevolg geeft aan de verleiding der hoofdzonden zal nooit in staat zijn de vleugels vliegklaar te maken, want het praktiseren van de hoofdzonden doodt de stemmen van Intuïtie en Geweten en daarmede is de spirituele mens vleugellam geworden. 

Tenslotte vergeet hij de hemelen en zijn vleugels worden ongeschikt.

Is heel het leven van de mens niet één langdurig pogen om deze vleugels gereed te maken en hen uit te breiden? Is de mens niet voortdurend bezig om te trachten gewenning, onwetendheid en zelfoverschatting uit te roeien?

Indien de neofiet niet voortdurend op zijn hoede is, vergeet hij de geestelijke dingen en gaat hij op in de materiële eigenbelangen. 

Is dit geen bewijs dat de jungle-leeuw sterker is dan de hemel-leeuw? En waarmede beluistert hij de klank des Geestes als de jungle-leeuw hem in zijn greep houdt?

Vanzelfsprekend met de stoffelijke zintuigen!

Op zo'n ogenblik bereikt de klank des Geestes hem niet.

Iets dat heel het wezen van de neofiet aangrijpt, dat zijn bloed doortintelt en zijn denken boeit, waarop het gehoor is afgestemd via het vlees, vergeet hij niet!

Men vergeet slechts hetgeen de mens niet volkomen in beslag neemt.

Plichten waarvan zijn levensbestaan afhankelijk is, vergeet hij niet, omdat een verzuim aan den lijve wordt ondervonden.

Spirituele interessen kunnen gemakkelijker terzijde worden ge-schoven, omdat de ego-begeerte daardoor niet belemmerd wordt, noch zal het ego te kort komen wanneer de ziel zijn voedsel onthouden wordt.

Dit is nu de strijd tussen de zwarte raaf en de witte duif uit het "Scheikundig Huwelijk" van Christiaan Rosencreutz. 

Het ego, het saturnale ik is grof en brutaal, het heeft genoeg aan een zenuwstelsel van ijzer, en een denken dat zich baadt in materiële zaligheid.

Dit alles is te bereiken in de begrenzing van de jungle, daartoe behoeft men het Licht niet, en men behoeft de eigen aard niet te verloochenen, noch te sterven in het vuur des geestes om de Phoenix vrij te maken. Men vergeet de stemmen van Intuïtie en Geweten, want wat voor risico's loopt men daarmede? 

De mens heeft behoefte aan de zweep Gods, en grijpt zich daarom vast aan de wet van een leraar of de voorschriften van de meester. Hij is onzelfstandig in spiritueel opzicht, hoe zelfgenoegzaam hij handelt en spreekt, hij is een kind in de spiritualiteit, en moet gevoed worden met melk, niet met vast voedsel. 

Om deze zwakheid zoekt hij steun bij een voorganger, bij een priester of bij een paus, om een uiterlijke god te bezitten. 

De mens is geestelijk een kind, niet puur en open als het kind, maar slechts afhankelijk, onwetend. Hij vraagt nog steeds om melk, en wendt zich van de vaste spijs af, want deze moet hij kauwen.

Hij wil geen weg voor zichzelf exploreren, wanneer er anderen zijn die dit mógelijk voor hem zouden kunnen doen.

De spirituele mens gaat onder aan luiheid en vele intelligente Lichtzonen, gericht op eigenbelang, trekken daar hun voordeel uit. Onwetendheid is een groot beletsel op de weg tot adeldom, en veelal wordt het gevoed door luiheid.

Arbeid adelt, zegt het spreekwoord.

De mens meent dat dit op materiële dingen betrekking heeft, maar heeft men ooit iemand door werken edel zien worden?

Maar adel arbeidt niet, zo voegden de humoristen er aan toe. 

En zij hebben gelijk. Zodra de woorden "arbeidt adelt" in het materiële vlak worden getrokken, worden zij twijfelachtig.

Spirituele arbeid schenkt echter spirituele adeldom.

Vanzelfsprekend gaat het hier niet om organisatorische arbeid voor een of andere beweging.

Innerlijke, spirituele arbeid, waarbij men de leeuw der jungle verandert in een leeuw der hemelen, schenkt de individuele, spirituele adeldom van het Koninklijke Ras. 

Luiheid is één van de grootste vijanden van de leden van dit ras. Door de luiheid, die verslaving aankweekt, wordt de mens de adeldom ontnomen.

Zoals vele wijzen hebben bewezen: de innerlijke adeldom schuwt geen arbeid, noch innerlijk, noch uiterlijk, als logisch gevolg daarvan. 

En het is merkwaardig dat juist de hoogmoedigen, de schijn-adeldom van de persoonlijkheidszon veelal arbeidt schuwt, omdat zij zich er te hoog voor achten.

Zo zal het er innerlijk ook bij hen uitzien! 

Het uiterlijk blijft altijd een reflex van het innerlijk. 

Principiële, zelfwerkzame mensen kennen de zonde der luiheid niet en daarom zullen zij nooit een slaaf worden, en gaan zij aan de verwarrende voetstappen in het zand der woestijn voorbij, om zelf, individueel, de weg te kiezen die tot de hoogten leidt. 

Hun vleugelen van Intuïtie en Geweten tillen hen op het juiste moment beslist uit de woestijn en voert hen naar de wijdse verten van het gedroomde Aurora! 

Voor hen is hun Verbeelding, de zilveren Mercurius, geworden tot het Goud van de Zon des Geestes.

1970 - 2018, copyright Henk en Mia Leene