V - de saturnus inwijding

Wanneer een pelgrim de Saturnus-inwijding wil volbrengen, dan moet hij zijn tegenstander zeer goed leren kennen. 

Hij moet weten dat Saturnus heerst over de dingen die sterk stofgebonden en traag zijn. 

Hetgeen wil zeggen dat Saturnus binnen de ring van de zeven planeet-demonen degene is die de mens aan de materie bindt. 

Saturnus is gelijk aan de rasgod Jehovah, die de mensen binnen zijn ring "tot hiertoe en niet verder" houdt. 

Om deze Saturnus te overwinnen bestaat er maar één mogelijkheid: de Geest te hulp roepen. 

In de astrologie zegt men dat de Zon de Saturnale werkingen bestrijdt. In de astrosophie leert men dat het lichaam door de Geest overwonnen moet worden. 

Het lood, het metaal van Saturnus, moet in het Vuur des Geestes omgesmolten worden tot het goud der alchemisten. 

Staande voor "de poort van Saturnus" wordt de mens sterker dan ooit tevoren voor de stof, de materie, zijn ik, of de kristallisatie, geplaatst. 

Wanneer een zoeker verstart in de kristallisatie, wil dat zeggen  dat "de poort van Saturnus" hem tegengehouden heeft. 

Alle zoekers gaan blijmoedig op weg in de hoop verlichting, innerlijke rijkdom of verlossing van de ziel te vinden. 

De demonen van deze natuur laten deze zoekers hun gang gaan, omdat hun zoeken nog steeds een spel gebleken is, totdat...... totdat de Saturnusinwijding komt, en blijkt dat de zoeker tot aan de Poort van Saturnus is opgeklommen. 

Dan komt de moeilijkste overwinning: dan staat de zoeker, elke ziel, voor zijn meest gevaarlijke vijand, want de saturnale ring "tot-hiertoe-en-niet-verder" wordt om deze zoeker heen gelegd en wurgt hem in een benauwende greep. 

Deze ziel gevoelt die wurgring, hij ondergaat de angst van het sterven der ziel, hij weet zich gevangen, maar dikwijls blijkt hem de moed te ontbreken om zich aan de wurggreep te onttrekken. 

Dat is het lijden van de mens die voor de Poort van Saturnus  staat en er niet doorheen weet te gaan! 

Hij heeft veel geleerd, veel ervaringen opgedaan en hij denkt dat hij bijna aan zijn doel gekomen is! 

Kortom, zulk een mens is dikwijls overmoedig, eigengereid en arrogant in zijn spiritualisme. 

Hij onderschat Saturnus met zijn machtige ban, die de opdracht heeft om elke ziel binnen de begrenzing van de natuuraeonen te houden. 

Begrijpt nu waarom er gezegd wordt dat de mens nooit alleen door de Saturnuspoort kan gaan, maar dat hij in gemeenschap wandelen moet. Alles wat de mens heeft volbracht, alle leringen die hij heeft vergaard, en bovendien de inwijdingen der voorbereiding, worden hier aan de zwaarste proef onderworpen. 

Hier moet de mens kiezen tussen: stof en Geest, Saturnus of de Geestzon. 

Elke aarzeling wordt aangegrepen om de wurgende greep van  deze demon te versterken. 

Daarom moet men goed onder ogen zien waaraan een groep mensen op het achtvoudige Pad begint: ieder ogenblik kan één van hen het slachtoffer zijn van de grote wurger, iedere seconde en ieder moment zal die moordenaar der ziel aan hun zijde gaan en elke zwakheid observeren, opdat hij zal kunnen toeslaan. 

Daarom vraagt deze weg door de Poort een voortdurende aandacht, een doorlopende innerlijke kracht en een alles onderkennende liefde in een alles overwinnende broederband. 

De zich bevrijdende ziele-mens wordt op dusdanige wijze aan de materie gebonden dat hij meent een Pad te bewandelen. 

Zijn denken wordt aan banden gelegd en gaat in een kring van oude leringen, oude ervaringen, oude methoden ronddraaien: de ring van Saturnus heeft dan in het hoofdheiligdom toegeslagen. 

Het hart hunkert naar de emoties uit het verleden, naar mystieke vervoeringen die geen verbreking vereisen, naar vormen en beelden die het omvatten kan: de ring van Saturnus legt ook het hart aan banden. 

Tenslotte wordt de vrije wilskracht, d.w.z. het vuur van de herboren wil langzaam gedoofd door in alle opzichten aan het oude wilsverlangen voeding te geven. 

De oude wil zoekt altijd veiligheid, als reactie op de catastrofale gebeurtenis der zondeval. 

Ieder mens, die de Verlossing der ziel zoekt, wil in diepste wezen eveneens de veiligheid en daarom sluit Saturnus zich daarbij aan en biedt die wil de geborgenheid van religieus dode lichamen, waarbinnen de Saturnale begrenzing in ere wordt gehouden. 

Iedere gnostieke oorspronkelijke zielebevrijdende leer wordt op een gegeven moment geplaatst voor de saturnale Ring en dan  gaat het er om of het bemiddelende religieuze lichaam die gnostieke leringen verstaan heeft of niet. 

Of de absorberende groep binnen dat lichaam de ring van Saturnus doorbreken kan of niet! 

In de historie zijn het altijd de enkelen geweest, die de grote wurger wederstaan hebben; massaal ging men te gronde aan de drukkende zwaartekracht van de Saturnus-demon. 


Als er gezegd wordt dat de episode van Petrus, de rots, is voorbijgegaan, dan bedoelt men daarmede, dat uit de mensheid een groep zielen moet opstaan, die de rots der materie durft los te laten. 

Die het durft te wagen met een astraal, etherisch bouwwerk met een lichtend lichaam, waarin de Geestzon huist. 

Wij maken in deze era de strijd mede tussen Petrus en Johannes, tussen Saturnus en de Geestzon. Het is een worsteling op leven en dood, want iedere ziel, die door de Geestzon is aangeraakt en deze aanraking tot in zijn bloed ondergaat, verzet zich tegen de materiële wurger en betekent een gevaar voor de natuur-aeonen. 

De pelgrim kan erop rekenen dat, met het Nieuwe Land der Ziel in zicht, hij zal stuiten op onvoorstelbare tegenstanden. 

De pelgrim wordt geplaatst voor de hel van zijn eigen persoonlijkheid, voor de hel van het kokend hete saturnale lood van de  ik-razernij, omdat hij het gewaagd heeft zich te verzetten tegen de grenswachter Saturnus, Satan, die de Tempel des Konings bewaakt. 

Zijn persoonlijkheid zal zich in al zijn furieuze macht oprichten en zich veranderen in Satan, de wachter die de sleutels tot de Tempel bezit. De overwinning op deze wachter betekent de sleutels van de Tempel in bezit krijgen. 

Overwint deze wachter echter de pelgrim, dan worden de sleutels slechts gebruikt tot de verdoemenis in de kerker der natuur-aeonen. 

Indien echter in gemeenschap tegen deze Satan, deze wurger, opgetrokken wordt, dan kan men hem tezamen binden en één of enkelen kunnen de tempel binnengaan en daar de Ridder Roseae Crucis worden die de sleutels bezit en allen, die hem lief zijn en van zijn koninklijk Ras zijn, zal helpen om binnen te gaan. 

Als eenling is men zwak, als groep kan men sterk zijn en uit de gezamenlijke geestelijke inspanning kan de Overwinnaar geboren worden! 

Zodra de mens nu gaat denken: ik wil overwinnen, ik wil binnengaan, ik wil de sleutels bezitten, valt hij in handen van de poortwachter, die hem overmeestert via de begeerten van het ik. 

Daarom is juist nu, in deze fase van de gang op het Pad elke ik-centrale gedachte, elke ik-centrale wending, funest. 

Men wordt hier niet slechts geobserveerd door zijn naasten, maar men wordt op de voet gevolgd door de natuur-aeonen, door de demonen des hemels, maar eveneens, tot troost, door de krachten des Lichts. 

Allen, die intens met het Pad verbonden zijn, die sterk medeleven en zich overgeven aan deze doorgang door de Poort van  Saturnus, zullen toch ervaren hoe er innerlijk aan hen gewerkt wordt?  

Zij zullen toch ervaren hoe aan de ene kant het Licht als een juichende roep zich in hen nederlaat, terwijl aan de andere kant de nacht zo zwart is als nooit tevoren! 

Zij moeten toch allen ondergaan hoe de innerlijke strijd, heviger dan ooit tevoren, hen heen en weder werpt in de golven van de Jordaan?! 

Daarom wordt er steeds weer opnieuw gezegd: 

Keer in tot de Stilte, o kandidaat, 

Ga de rust binnen, 

Ga het zwijgen binnen. 

Op dit ogenblik van de Jordaan-reis is elke vorm van strijd, hoe goed ook bedoeld volkomen fout en zeer gevaarlijk. Want een verzet tegen de poortwachter roept zijn woede op, hij is dan op zijn hoede.  

Daarom moet de pelgrim volkomen anders reageren. 

Hij zal deze wurger niet gaan bestrijden met zijn eigen wapenen, maar hij behoort de wapenrusting Gods aan te doen, het reine kleed der Jordaan. 

Hij moet zijn blik afwenden van deze demon des hemels en zijn handen van zijn bezit af houden. 

Hij moet zijn hart niet binden aan het saturnale lied der aarde, noch het denken overgeven aan zijn lied der aeonen-sferen. 

De pelgrim beseft misschien zelf niet hoe zeer Saturnus' kracht hem kan verdoven en hoe ontstellend groot zijn macht is! 

Saturnus overwinnen wil zeggen: Petrus' hunkering om een stenen huis of tent voor Christus te bouwen, negeren, zijn verloochening logenstraffen en zijn eerzucht om het rijk van Christus in de materie te funderen op te geven! 

Dat is de opgave van het Achtvoudige Pad door de Jordaan: geen jachten naar een omvangrijk organisatorisch religieus apparaat, waarin men het Licht wil gevangen nemen, geen ontkenning meer wanneer het moment komt waarop Christus de pelgrim vraagt  om Hem te belijden, geen uitvluchten meer, geen schone frasen  en geen aan de aarde gebonden woorden. 

En tenslotte, geen enkele hunkering meer naar een troonsbestijging, hetzij in het zichtbare, hetzij in het onzichtbare gebied. 

Dat betekent afstand doen van de materie, van de rots van Saturnus, en het aanheffen van het Lied van de Geestzon. 

Indien er in de pelgrim geen enkele interesse meer is voor de materie - in welke vorm dan ook - kan Saturnus hem niet tegenhouden, kan hij hem niet aangrijpen. 

Hij behoudt slechts hetgeen van hem is en dat zal niets anders zijn dan het oude kleed, het oude denken, willen en gevoelen.

Wel, dat mag de pelgrim bij hem achterlaten en Satan zal er zijn lust op kunnen botvieren, maar de pelgrim zelf zal verder gaan in het nieuwe kleed, in het boetegewaad der Pistis Sophia, waarop reeds vele namen geschreven staan. 

Niemand zal hem dan meer kunnen tegenhouden, omdat hij ongrijpbaar geworden is! 

Zolang de pelgrim hangt aan het oude, hij zich emotioneel, intellectueel, wilsmatig bindt aan het rijk der natuur-aeonen, is hij binnen het bereik van Saturnus' ring. 

Iedere keer opnieuw zal hij bemerken hoe de ring hem wil doden, hoe de wurgende greep hem dreigt te verstikken en - zo hij dit beseft - zal er ieder ogenblik een kreet om hulp in hem omhoog stijgen en hij zal antwoord ontvangen, omdat hij nog Levend is, omdat de ziel-in-hem nog hunkert en worstelt om verlossing. 

Denk er daarom aan, pelgrim, dat u deze ziel kracht toevoert, dat  u haar niet laat ondergaan in deze worsteling in doodsnood.

Spreid een veld van Reinheid om haar heen, bouw innerlijk aan het veld der Liefde, geef haar ruimte om adem te halen.

Versta het toch, pelgrims op de Thuisweg: dompel uw ziel onder in het Bad des Lichts, opdat zij tussen haar worstelingen door, opnieuw gevoed zal worden. 

Laat al uw streven, al uw zoeken, al uw hunkering niet voor niets geweest zijn, want u staat nu op het Achtvoudige Pad, voor de beslissing, begrijpt u. 

Velen hebben reeds besloten, maar zij beseffen misschien nog niet wat het zeggen wil voor de Satan in het Voorportaal van de Tempel des Konings te staan. 

Zij grijpen wellicht in doodsangst nog eenmaal terug naar de vaste rots, de veilige materie van Saturnus. En zie, op slag, in hetzelfde moment is daar de worsteling, die felle strijd om de ziel. 

Die krachtige aanvallen van het Ik, dat leeft uit en in de saturnale velden. 

Zo u waarlijk overwinnen wilt, zo u ernstig en vooral hongerend zijt naar het Goede Einde, breek dan radicaal met alle uiterlijke vorm, met alle schijn, met alle kennis, met alle schittering dezer wereld. 

Laat alles achter bij de poortwachter, opdat hij zich zat eten en zo hij slaapt, hem de sleutels ontnomen kunnen worden. 

Laat hem niet vechten om zijn voeding, integendeel, doe het anders, doe het op de manier van de ziel, en gééf hetgeen hij vraagt, geef hem het zijne, maar behoud hetgeen Gode en des Lichts is.  

Zo wordt het geleerd in de verborgen taal der Schrift. 

De houding van de pelgrim moet zijn als van Johannes: wetende glimlacht hij, ziende weent hij om hen die niet verstaan en ontvangende juicht hij en tenslotte zwijgt hij, daar de woorden  van deze wereld niet bij machte zijn de grootsheid van zijn ontdekking te bevatten.  

De pelgrim leert te zwijgen, zoals alle wijzen gedaan hebben, en  in het zwijgen, door het zwijgen, breekt in hem de grot van Bethlehem open en de geboorte vindt plaats. 

Dat is het ogenblik waarop hij aan Saturnus de oude mens zal schenken om met het Kind des Lichts verder te gaan. Dan tekent de Diepe Vrede van Bethlehem het stralend aureool om zijn hoofd en de Ster gaat lichten aan zijn voorhoofd. 

Zo wordt hij de uitverkorene, degene, die de wachter heeft overwonnen en die de sleutels tot het Heiligdom heeft ontvangen. 

Allen zijn geroepen om deze overwinning te behalen, maar  slechts enkelen zullen uitverkoren worden, omdat de doortocht zwaar is. 

L··t dan die enkelen door gaan. 

L··t dan die enkelen overwinnen, opdat zij terwille van allen die na hen komen, een smalle doorgang kunnen bereiden en de praktische leringen kunnen doorgeven. 

Belemmer niemand door de eigen saturnale ingevingen. 

Ban ook déze satanische eigenschappen uit en ga staan in de onthevenheid aan elke vorm van natuuroverheersing. 

Neem afscheid van de eigen persoonlijkheid, maar klem u ook  niet vast aan de persoon van uw naaste, zie de ziel! 

Indien er een waarachtige pelgrim naast u gaat, zal ook hij  doende zijn met het overwinnen van Saturnus en het stofgebonden Ik. 

Nagel uw naaste niet, door uw eigen gebondenheid, aan de rots van Saturnus. 

Zie door alles heen: de ziel, en waak over uw eigen lichtkracht. 

Vermors uw tijd en kracht niet door u te verdiepen in de mogelijkheden, de belemmeringen van uw naaste.  

Waak over uw Leven, zo staat er geschreven. 

Wel, doet u dat dan, pelgrim! 

Doe dit in stilzwijgendheid, iedere ziel dragende in de Liefdekracht van uw medeleven. 

Laat de sfeer om u heen niet gevuld zijn met de kreten van het gevecht, maar bouw het Veld der Stilte om u heen. 

Bouw een veld van Verwachting en een veld vol Licht. 

Door de inspirerende ingevingen van dit veld zullen alle moeilijkheden opgelost worden, zal elk gevecht eindigen en zult u altijd het juiste antwoord vinden. 

Daarom, vreest de poortwachter niet, vreest de grote wurger niet, want hetgeen hij bezitten wil, wilt u afwerpen. 

Zo zal de pelgrim in harmonie en overgave en vooral gedragen door een onuitsprekelijke Vreugde de zo zwaar schijnende doorgang volbrengen. 

En hij zal weten, als een Nieuwe Zekerheid, dat het Licht der Lichten met hem is. 

Dit nu is de Nieuwe Zekerheid die hij ontvangt in ruil voor het weggeworpen kleed. 

Moge de Zekerheid u van alle zijden omringen, pelgrim!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene