XXXV - Tiende Aeon: De Steenbok III

In de tiende aeon kan de pelgrim zich losmaken. van zijn aards-gerichte ego en zich vereenzelvigen met zijn ziele-individuum. 

De Saturnuskrachten, die op deze vergevorderde pelgrim in-stralen, schenken hem bezinning, standvastigheid en innerlijke verdieping. 

Hij ontdekt de ware aard van de saturnale belemmeringen en kan deze aard dus aangrijpen en aldus de belemmeringen overwinnen. 

De "kleine kracht" van het ziele-individuum wordt tegenover de saturnale agressie geplaatst en vol vertrouwen richt hij deze straal des Lichts op het loden pantser van de oude Saturnus. 

Zou hij geen enkele lichtimpuls bezitten, dan zou deze pelgrim verstarren in het saturnale beleven. 

Men kan dat zien bij de doorsnee-typen van het zodiakale Capricornus-beeld. 

Als er een mens een innerlijke belemmering ondervindt dan is hij dat wel! 

Hij is als de mens die de baan van poortwachter tegen zijn zin kreeg opgedrongen en zich nu zonder hoop schikt in een uitzichtloze positie. 

Vandaar zijn veel voorkomende zwaarmoedigheid. 

Hij ligt, in zijn gevoel, geketend aan de onverplaatsbare rots en hij meent zichzelf niet in staat tot bevrijding. 

De diepe wijsheid van Saturnus heeft zich nog niet aan hem geopenbaard, omdat dit slechts geschiedt door innerlijke ver-lichting en zichzelf wurgende door een minderwaardigheidsgevoel en een twijfel aan zichzelf, voegt hij zich altijd naar de overheersing van een autoritaire macht. 

Zoals de vergevorderde en bewust levende pelgrim van de tiende aeon het onbegrensde Licht als oppermachtig en als krachtbron aanvaardt, zo grijpt de onbewuste pelgrim zich in zijn machte-loosheid vast aan een vermeende uiterlijke autoriteit. 

Hij gaat van autoriteit naar autoriteit, zo onbewust het zelfstandige besluit van de sprong over de afgrond vermijdende. 

Deze mens kan waarlijk rondtobben met de gedachte dat hij springen moet, doch ontsteelt zichzelf langzamerhand dit "weten" door zich te verschuilen achter een autoriteit. 

Dit is de lichtloze instelling wanneer men zich in de greep van de oude Saturnus bevindt. 

De laatste heeft met zijn trawanten deze mens dusdanig in-gekapseld, dat hij zijn "woning ver weg meent", zijn denken wordt opgesloten binnen een begrenzing. 

Slechts de spiritueel bewuste mens bezit een mogelijkheid tot bevrijding uit zulk een begrenzing, doordat zijn ziele-hunkering elke begrenzing overschrijdt. 

Een explosie van Lichtkracht kan deze gebonden Saturnus-mens uit zijn remmingen losslaan, niet één woord kan hem helpen, noch een leer, maar voor hem is een abstracte directe Kracht nood-zakelijk om die loden ring en dat loden pantser uiteen te doen spatten. 

De binnenkomst in deze tiende aeon is niet weggelegd voor onwetenden, want na de keuze binnen de achtste aeon zal er in deze tiende aeon niemand zijn, die niet de mogelijkheid bezit tot overwinnen. 

Zij, die zich vastklemmen aan de rots van de saturnale belemmeringen en nog niet tot een zelfstandig denken gekomen zijn, zullen nimmer in staat zijn de sprong over de afgrond van het "zijn" te wagen. 

De onmachtige Capricornus-mens moet allereerst tot het besef komen van zijn opsluiting, tot inzicht in zijn begrensde denken, dat hem niet in staat stelt te verwijlen in de onbegrensde verten. 

In geheel zijn wezen, in zijn denken, gevoelen en willen zoekt deze mens een fundament, een rots, terwijl hij juist deze laatste rots in de tiende aeon moet verlaten om van begrensdheid tot onbegrensdheid over te springen. 

Dit is de typerende en zware strijd van dit type mens. 

Zo hij waarachtig spiritueel is, dan wordt zijn hunkering naar de onbegrensde verten gestimuleerd, en versterkt zich tot een innerlijke schreeuw, hoewel hij zich nog vasthoudt aan een zekerheid. 

Daarom probeert zulk een mens elke autoriteitsband die hem schijnbaar helpen kan, vast te grijpen om hem over die afgrond heen te leiden. 

Zoals de Boogschutter, geïrriteerd door het logge paardelichaam, zich verschuilt achter de hoogmoedige betweterigheid omtrent het doel waarop hij mikt, zo verschuilt de Steenbok zich in zijn zelfgesuggereerde kleinheid, waarin hij zichzelf beklaagt en zich de rol van deemoedige dienaar aanpraat, als een karikatuur van het dienaarschap des Lichts. 

Deze Steenbok-mens is een Steenbok met hoogtevrees. 

Hoewel hij zijn hoogten liefheeft. In zulk een situatie kan de Steenbok-mens zich dikwijls vergissen in de hand die hij tot hulp aanvaardt, omdat vrees hem inspireert. 

Heeft hij eenmaal binding gevonden met een autoritaire macht, dan blijft hij die macht trouw, precies zoals de wijze pelgrim van de tiende aeon het Licht zijn trouw bewijst. 

De strijd om het bestaan, de moeizame klim naar de top van de hoogste berg is voor deze mens een noodzakelijke opgave. 

Hij vindt de moeiten en de innerlijke tobberij vanzelfsprekend, zij passen bij zijn idee omtrent de eigen kleinheid en machteloosheid. 

Hij maakt van zijn verdrietelijkheden een deugd door de moeiten te verheerlijken, de beklimming te omranden met zijn hoop-zoekende blik op de verten. 

Zo houdt hij dikwijls een leven lang de moeiten en de strijd vol, kan men hem belasten met de meest moeilijke opgaven, omdat hij aanneemt dat dit nu eenmaal tot de "gang op het Pad" behoort. 

Hij is de onzelfstandige en de beangste, hem ontbreekt de durf tot de sprong. 

Een zekerheid schenkt hem die moed. 

Vandaar dat zulk een zekerheid moet komen van een autoriteit, dan wel uit zijn eigen innerlijke bron. 

Heeft hij zulk een bron gevonden, dan zal hij zich niet uitputten in beschrijvingen en allerlei woorden, zoals de Boogschutter, maar hij doet, hij springt, en hij blijft trouw tot aan zijn dood. 

Dat is de signatuur van de Saturnus-mens. 

Hij zet zichzelf totaal om of hij bouwt zichzelf een tehuis in de materie en aanbidt de saturnale zekerheid en de eigen schijn-devotie. 

Daarom herkent men in de wijze pelgrim en in de boetezang van de Pistis Sophia die berusting, de vermoeidheid en de conclusie: de grote sprong is gewaagd. 

De grootste tegenstander is overwonnen: de kernangst van deze natuur, het levensbeginsel van de natuurlijke existentie. 

Deze Saturnus-mens is zelden wispelturig, zijn beweging is beperkt, zijn denken cirkelt rond binnen een ommuring, zijn innerlijke hoop houdt hij onbeweeglijk gevestigd op de verten. 

Hij kan verteren door een smartelijke hunkering of zichzelf neerleggen bij de situatie en een toegewijde dienaar van de materie worden. 

In zulk een moment keert hij zijn blik af van de verten, alle hoop is vervlogen en hij verhardt, versteent, hij wordt rots met de rotsen en begraaft zich in zijn machteloze positie en maakt er het beste van. Vandaar zijn fanatieke plichtsbesef. 

Hij buit zijn positie uit om er voor zichzelf nog iets van te maken. 

Daarachter zit, diep verscholen, de angst. 

Zijn lafheid verbergt hij in plichtsbetrachting, zo zich zelf vastklinkende aan een wet. 

Daardoor meent hij zichzelf te helpen. 

Zo men deze lafhartige instelling aantreft bij de spirituele mens, dan wordt hij een verbeten strever, die - daar hij de onbegrensde verten en de berg der versterving niet kan bereiken - toch  een bergtop wil beklimmen. 

Hij zoekt een compensatie voor de innerlijke angst en voor zijn lafheid, die niemand onderkent dan hijzelf. 

Het is tragisch om deze mens te observeren. 

In zichzelf is hij één en al tegenstrijdigheid, zoals Saturnus uit twee scherpe tegenstellingen bestaat die niet te verenigen zijn, zo de ene zijde niet ondergaat in de andere door een totale omzetting. 

De Pistis Sophia en de kandidaat van de tiende aeon kennen deze ervaring. 

Zij kennen nu de aeonische machten, die het verafgode zelfbeklag stimuleren en de schijndeemoed aanmoedigen. 

Hij heeft de laatste belemmering, die zo moeilijk te onderscheiden is, de schijndeemoed, overwonnen. 

Het zichzelf verheerlijken in dienaarschap. 

Daarmede de onzelfstandigheid en de angst bedekkende. 

De laatste regels van de tiende boetezang herinneren aan die fase: 

"Ik smeekte de onbarmhartigen om genade en terwijl ik smeekte gingen zij voort zonder reden tegen mij te strijden." 

De wijze kandidaat constateert dit feit en berust. 

De onbewuste kandidaat blijft de leeuwenkracht-autoriteiten smeken om genade, om hulp en zij helpen haar in een hen ondergeschikte positie en leiden haar de schijn-deemoed binnen en zo de schijn-beklimming op. 

"Er werd mij veel Licht ontroofd," zo zegt de Pistis Sophia, "maar het zal niet tot u gebracht worden!" 

Dat is haar inzicht. 

Het besef dat het Licht der Lichten van een totaal andere geaardheid is dan het licht van de kracht met de leeuwenkop. 

Dit bewustzijn helpt haar moed te vergaren tot de beslissende sprong!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene