XXVIII - Achtste Aeon: De Schorpioen II

Het vuur binnen de achtste aeon brengt licht, warmte, maar ook verbranding. 

Het wilsvuur van Mars wordt hier op een geheel andere wijze aangewend dan in de Ram-aeon. 

De innerlijke, voor de uiterlijke zintuigen verborgen, mens wordt naar buiten gedwongen en kan zich op tweeërlei wijze declareren: Hetzij als een giftig dier, een gevaarlijke schorpioen, die zijn gifangel naar alles uitsteekt, hetzij als een zelfloochenaar, een endura-ganger, de schorpioen die zijn eigen aard opgeeft om een adelaar te worden. 

In de astrologie wordt altijd geleerd dat de schorpioen typen een uitgesproken hoger en een lager type kennen, het lagere type brandt van driften die de ziel vermoorden, het hogere type is een zoeker, zichzelf uitdiepende, een onophoudelijke graver die op zoek is naar een innerlijke schat. 

Het martiale type van de Scorpio uit zich of als een oorlogsgod tegenover de medemens, dan wel als een Michael, die de eigen draak verslaat. 

Scorpio-mensen zijn altijd innerlijk bewogen mensen, hetzij door het eigen emotionele vuur, hetzij door een spirituele geestdrift, die zich ook kan uiten in een sociale bezieling.  

De daadkracht die in de achtste aeon van de pelgrim wordt gevraagd, wordt door de horizontaal gerichte Scorpio-mens altijd verkeerd uitgedragen. 

Niettemin zal hij altijd een daad stellen, onverschillig welke! 

De opgetekende herinneringen uit oude tijden vertellen dat slechts de Scorpio-mens de enige mens is, die waarlijk een magische mantram kan uitspreken, zowel met een funeste als met een goede uitwerking. 

In de Scorpio-mens leeft een vuur, maar men vergeet dikwijls dat in de waarachtige Scorpio water en vuur op een bepaalde wijze samengaan. 

Dat is het mysterie van de achtste aeon. 

De schorpioen is een heet-waterbeest en leeft veel in vulkanische, hete wateren. 

In de astrologie geldt Scorpio als een waterteken, niettemin is zijn heerser het vuur, Mars. 

Binnen deze achtste aeon staat de pelgrim voor de beslissende fase van het samengaan van water en vuur, de schijnbaar onmogelijke eenheid. 

Deze vereniging bestaat uit het verhangen (Tarotkaart no.12) van de lagere vuurmens en de opstanding van de etherische of waterstofmens. 

Daar is het naar buiten treden van de verborgen mens in deze fase gelijk aan een declaratie, een bewijs van wie er waarlijk in deze pelgrim leeft. 

Is hij een gedrocht, een wanstaltige, een misvormde, die noch het hete reinigende water, noch het brandende vuur heeft verdragen en daardoor overal gif rondspuit. 

Of is hij een gehangene, die omstraald wordt door een Christus-aureool. 

Hier krijgen de woorden "de smalle weg is voor de sterken" waarlijk hun betekenis, want men moet sterk zijn om dit wanstaltige gedrocht als zichzelf te durven herkennen en men moet tevens sterk zijn om de verwerkelijker te aanvaarden zonder zichzelf op de borst te slaan in eigenwaan. 

Hij, die de overwinning voelt naderen, laat hij toezien dat hij niet valle! 

Deze beproeving kan men ook lezen in de boetezang van de Pistis Sophia: de natuur-aeonen wachten om te zien wie of wat er uit de Pistis Sophia te voorschijn komt.  

"Zij lieten haar met rust, omdat zij meenden dat zij uit de chaos gevoerd werd!" 

Zodra de natuur-aeonen weten: Hij of zij is niet meer één van ons", kunnen zij deze mens niet meer benaderen. 

Maar zij bemerkten dat de Pistis Sophia zich met haar eigen lichtkracht omhoog wilde trekken, dat zij werkte met weinig en zwakke lichtkracht, hoewel zij dit van zichzelf niet bewust was.  

De aeonen-trawanten bemerkten direct de onvolkomen

kracht en dan geschiedt hetgeen vele spirituele pelgrims onder-vonden hebben: als een horde vijanden storten zich de natuur-aeonen op deze mens en versterken zijn eigen onvolkomenheid, bepalen hem bij zijn eigen kleine kracht, tonen hem zijn zwakte en zijn belemmeringen. 

Kortom, zij achtervolgen deze mens totdat zijn ego wederom gewekt wordt en zijn eigen lichtloosheid hem tot een obsessie wordt. 

Dan gebeurt waarop de Scorpio-trawanten hopen: hij slaat zijn gifangel zo diep in zichzelf dat zijn ziel wordt verjaagd. 

Mensen op een weg van autonome innerlijke verwerkelijking hebben het dikwijls moeilijk, omdat het ene ogenblik het licht er is, als een Lichtwand, en dan weer is er plotseling duisternis, die echter bij de waarachtige pelgrim niets anders is dan een schijnduisternis. 

Want de serieuze pelgrim uit de achtste aeon wordt waarlijk naar een ruimer oord gevoerd, zoals er geschreven staat, hoewel dit oord zich nog in de chaos bevindt. 

Hij kan zichzelf staande houden, omdat hij meer inzicht verkrijgt, omdat hij meer licht ervaart, omdat hij waarlijk een bevoorrechte is vergeleken bij al die anderen, die zich nog in de vorige aeon bewegen. 

Zo kunnen wij in de achtste aeon lezen wat de Pistis Sophia doet: 

"Zij legt het gereinigde van haar Licht in de handen van het Licht der Lichten!" 

Zij legt dus de binding tussen het eigen innerlijke Licht en het universele, haar omringende Licht. Zij laat dit innerlijke ge-reinigde licht naar buiten treden, zelf deemoedig blijvende, en legt het in de handen van het grote Licht. 

Zijzelf staat als ego buiten deze handeling. 

Hier wordt dus in  enkele regels de daad vermeld waar in de gehele wereld, door alle spirituele kandidaten, naar wordt gestreefd. 

Zo zegt zij: 

"Gij hebt getoornd over degenen die mij bewaken en mij toch niet geheel zullen kunnen overweldigen!" 

Gij hebt, zou men kunnen zeggen, al de aanzichten van mijn ego verbrand door Uw vuur en toch, O God, vertrouw ik die waarlijk ben  (de ziel) op U en zoek mijn verlossing door U! 

Gij zult "mijn kracht" uit de chaos bevrijden, zo roept de Pistis Sophia. 

Gij zult het enige dat waardevol aan mij is, die gereinigde en kleine kracht die ik bezit, uit de chaos bevrijden. 

Dat is haar hoop en dat is de verlossingsdaad. 

Zij gevoelt de veranderde innerlijke beweging in zichzelf en hoe haar denken zich verheft, opklimt, grenzen verbreekt en daardoor ondergaat zij hoe zij naar een "ruimer oord" wordt gebracht. 

In deze pelgrim is een grote bewogenheid, zoals uit de boetezang blijkt. 

Een ogenblik is hij vervuld van angst wanneer hij bemerkt hoe de natuur-aeonen het overgebleven natuurgebondene wezen in hem ontdekken, die gevoelig is voor hun misleiding en hoe zij zien dat de kracht die hij naar buiten brengt nog klein en zwak is. 

Dit is het ogenblik waarin deze pelgrim al zijn vergaarde lichtkracht moet concentreren om de intensiteit en de onoverwinnelijkheid van zijn "kleine kracht" duidelijk te tonen. 

Dan treedt de sluimerende wil van de "kleine kracht" of het nieuwe Wezen naar voren als een nieuw potentieel vuur. 

De oosterse astrosofie noemt deze achtste fase: "Het stadium van het opklimmen door de vrije wil". 

In die behouden "kleine kracht" sluimert het oervuur van de geest. 

Zodra deze pelgrim de aanvallen van de materiële aeonen bespeurt, wendt hij zich tot zijn "kleine kracht" en zal hij bemerken hoe zich uit deze "kleine kracht" een enorm vuur ontwikkelt, dat hem buiten het bereik van de materiële aeonen voert, slechts omdat hij zich uit vrije wil tot het universele licht gewend heeft.  

Omdat hij vrijwillig de "kleine kracht" verkiest boven de geweldige schijnmacht van de natuur-aeonen. 

Vanuit deze achtste aeon is er dan ook werkelijk sprake van een opklimmen. 

Tot aan dit moment heeft hij gezocht, geëxperimenteerd, zichzelf onderkent, en getracht zichzelf onberoerd te houden. 

Nu gaat hij een daad stellen met alle risico's daaraan verbonden. 

Hij gaat gehoor geven aan de ziele-impulsen en een handelingsleven leiden dat dikwijls in tegenspraak zal zijn met het gewone natuurgebonden leven. 

Hij gaat scheppen met zijn wilsvuur dat beschermd is door het grote universele vuur des geestes. 

De ziel gevoelt zich bewogen door het hernieuwde geestvuur en toont zich ontvankelijk, waarna de geboorte uit geest en ziel zich uitdrukt in het denken. 

Het vuur zoekt zich een woning in het hart en verdrijft alle lagere emoties, die hem aan de natuur-aeonen binden en hem kwetsbaar maken. 

Deze innerlijke bewogenheid zal iedere serieuze pelgrim op het Pad van Verwerkelijking kunnen herkennen. 

U zult steeds dieper willen graven in uzelf om de verborgen zielekracht te vinden waarop u wilt steunen. 

U riskeert daarmede dat u zichzelf verliest in het zoeken naar de "kleine kracht" en vergeet dat het Licht der Lichten deze uit u te voorschijn zal brengen. U zoudt kunnen vergeten dat deze "kleine kracht" door middel van zijn eigen vrije wil of middelaar Christus, opklimt naar de hoogten.

Indien men in de spirituele verwerkelijking staat beseft u dit en zo komt deze Kracht naar u toe, gaat u tegemoet. 

In deze fase kunt nooit het risico nemen var het luisteren naar de natuur-aeonen, wanneer zij zeggen: "

Zij is chaos, zij heeft haar kracht verloren, zij is één van ons" 

U hebt uw kracht nooit verloren, zo u de binding met het Licht bewaart, denkt u daaraan, vergeet dat nooit! 

Doe als de Pistis Sophia: Laat de ziel, de "kleine kracht" naar buiten treden en leg haar in de handen van het Licht.  

Maak u geen zorgen om de hoedanigheden van die "kleine kracht", om de mogelijke narigheden die mede naar buiten komen, omdat er nog chaos in u is. 

Maar geef alles over in "de handen van het Licht der Lichten" en leg u, die ego is, te ruste in het wonder dat u aanraken zal!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene