XXIX - Achtste Aeon: De Schorpioen III

Één van de moeilijkste opdrachten voor vele mensen en vooral voor de Schorpioen-typen is de overgave, het zichzelf onvoorwaardelijk overgeven aan een doel. 

Vele zoekende pelgrims menen dat zij zeer actief moeten worden, allerlei handelingen moeten plegen, doorlopend zich moeten beijveren in gemoed en denken. 

De westerse mens is een mens vol dadendrang, de oosterse mens neigt meer naar de overgave. 

In deze achtste aeon ontmoeten daad en overgave elkander en dat is een moeilijke opgave en slechts weggelegd voor degenen die voldoende inzicht bezitten. 

In deze achtste aeon van Scorpio leeft de tweevoudige beweging van water en vuur, dus van ontvankelijkheid en realisatie. 

De schorpioen is een warmwaterbeest. 

Het leeft in vulkanische gebieden en kan zowel de hitte van vuur als de soepelheid van het water verdragen. 

Het waterelement is een zich aanpassend element, het vuur is een realisatie-element. 

De westerse mens heeft problemen met de overgave en de oosterse mens kent de problematiek van de realisatie. 

De opgave binnen deze aeon is dan ook gelegen in de versmelting van vuur en water, of het gieten van de metalen zee van Hiram Abiff. 

Het is de opgave van de culminatie. 

Het alles of niets. 

Indien deze metalen zee barst is de mislukking zeker. 

De pelgrims die deze achtste aeon binnengaan worden de meesterbouwers, die in hun innerlijke tempel deze legendarische metalen zee moeten vervaardigen.  

Men herkent deze "alles of niets" werking duidelijk in de schorpioen-typen, hoewel natuurlijk als een flauwe afschaduwing van de hoogste spirituele opgave. 

Zij gaan door tot het uiterste en bij mislukking komen zij tot een zelfvernietiging in de zin van een zich afwenden van de spiritualiteit en iets volkomen anders proberen.

Schorpioenengevechten eindigen altijd met de dood van een der beide partijen. 

De verliezende partij steekt zichzelf met de eigen angel dood. 

Dat is een signatuur voor de Scorpio-beproevingen en voor de risico's binnen deze achtste aeon. 

De serieuze mens zal hier ieder egobelang terzijde stellen en zich in volle overgave bemoeien om de ontvankelijke ziel in binding te brengen met het vuur van de geest. 

Daarvoor zal hij alles over hebben, zelfs zijn eigen genoegens en desnoods zijn leven. 

De oosters getinte mens zal zich moeten realiseren dat er hier iets van hem gevraagd wordt, een positieve daad, de westerse mens zal moeten bedenken dat hij hier moet trachten die strevende actieve houding te laten varen en de strijder in hem het gevecht moet laten leiden. 

Een onvolwaardige en oppervlakkig geestelijke zoeker zal nooit kennis maken met de "alles of niets" opgave binnen deze achtste aeon, want hij is nog niet voorbereid geworden. 

De zevende aeon betekent voorbereiding. 

Het "alles of niets" van dezulken loopt bij voorbaat op een mislukking uit. 

Schorpioen-mensen bemerken maar al te vaak dat zij hun eigen graf aan het graven zijn door hun velerlei experimenten, hun ongedurig zoeken en hun blindelings doorgraven van onbekende materie. 

Zij ontnemen zichzelf het heiligste, dat kleinood der ziel, of die "kleine kracht", die hen beschermt en hen op de weg der zelfinwijding plaatst. 

Zoals gezegd: schorpioenen riskeren alles, zelfs hun leven! 

De boetezang van de Pistis Sophia toont duidelijk dat zij voor de "alles of niets" fase staat en dat zij daartoe door harde ervaringen werd gedwongen. 

De pelgrim moet hier werkelijk in de situatie zijn dat niets hem meer kan weerhouden, noch zijn wilskracht, noch zijn streven, noch zijn egocentrische bedenkingen, noch zijn gemakzucht. 

Hij moet, zoals de Pistis Sophia, in wanhoop kunnen uitroepen: 

"Er is in mij geen kracht, geen vuur meer, alles is verloren gegaan door de ervaringsweg. 

Ik heb mijn kracht vermorst aan onnutte dingen, aan bitterheid en klaagzangen. 

Ik ben een verschrikking geworden voor mijn vrienden!" 

De pelgrim, die de Scorpio-angel in zichzelf slaat of deze uit wraak en bitterheid tot zijn naasten opheft, is waarlijk een verschrikking geworden. 

Hij wordt zowel zichzelf als zijn naasten tot een vijand. 

Met cynisch genoegen zal hij gaan afbreken wat hij na jarenlange worsteling heeft opgebouwd, louter uit teleurstelling, uit chaotische emotionaliteit. 

Zowel het gemoed als het denken zullen in deze mens in verwarring geraken. 

Het gif van de angel maakt hem innerlijk ziek. 

Zo slachtoffert hij zichzelf, geestelijk en dikwijls ook lichamelijk. 

Het geestelijke Endura, de overwinning van de ziel op het ego, loopt uit op een geestelijke zelfmoord. 

Dat is het gevaar binnen de achtste aeon. En tevens de drempel waar overheen de schorpioen-mensen moeten stappen. 

Iemand, die in diepste wezen eigenlijk de spirituele weg niet praktisch wil betreden, moet zichzelf daartoe ook niet forceren. 

Er valt voor de ego-mens geen enkele prijs te behalen op de spirituele zelfinwijdingsweg.  Integendeel! 

Vele pelgrims, die zich van de spiritualiteit afkeerden, moeten zich dat gerealiseerd hebben. 

Vanuit deze achtste aeon is er slechts het onvoorwaardelijke terugkeren op zijn schreden of het voorwaarts gaan dóór de poort van het Endura heen. 

Een andere keuze is er niet. 

De teruggang is meestal een tragedie, omdat zij zo snel verloopt. 

Mensen waarvan men dacht dat zij de inwijdingsweg een heel eind bewandeld hadden, vallen in korte tijd terug op een levensstaat van a-spiritualiteit of geforceerde natuurhygiëne. 

Verder blijft er in hen niets over dan de onrust of de bitterheid.  

Vooral zij, die jarenlang tot een spirituele levenshouding werden geforceerd met behulp van strenge uiterlijke wetten, ontkomen niet aan deze muur tussen voorbereiding en realiteit, tussen de innerlijke toebereiding van de zevende aeon en de daaruit voortkomende daad van de achtste aeon. 

Elke zelfstandige, zich van autoriteiten vrij makende pelgrim zal zijn geestelijke werkelijkheid ontmoeten en die houdt altijd in: teruggang of de vooruitgang met inbegrip van het "alles of niets". 

Filosofische en beangste pelgrims worden hiermede nooit geconfronteerd, omdat hun spiritualiteit geen werkelijkheid is. 

Het terugkeren op zijn schreden kan inhouden dat alles wat men eens vernomen heeft wegvloeit uit het wezen, of het versteent, wordt een dode materie. 

Dit is ook een vorm van het samengaan van water en vuur, dezulken worden een zoutpilaar, verhard water en een latent vuur en iedere benadering stuit terug op de harde buitenkant. 

Overal kan men zulke mensen tegenkomen. 

"Zij zijn een verschrikking geworden voor hun vrienden", ook omdat deze het geestelijke vuur uit hen zagen wegebben of worden tot een zelfvernietigende bitterheid. 

Dat is altijd tragisch en pijnlijk om aan te zien. 

Voor hen die de achtste aeon waarlijk doorleven komt er die onbeschrijflijke eenzaamheid, die voorafgaat aan het "anders" worden, het zich losmaken uit de gelederen van de zich toebereidende zielen. 

Dan komt deze pelgrim waarlijk alleen te staan, omdat de achtste aeon een individuele beslissing verlangt en men hier niet kan terugvallen op raad en hulp van derden. 

Bij voorbereidende fasen kan men met raad en daad terzijde worden gestaan, maar in deze "alles of niets" fase komt het er waarlijk op aan. 

De oude vrienden zullen deze mens niet meer begrijpen indien zij dezelfde ervaring niet kennen.  

Dat is nu de "omwending", waarover gesproken wordt in o.a. het Scheikundige Huwelijk van Christiaan Rozenkruis.  

Nadat hij zich omgewend had, werd hij een eenzame figuur, stond hij terzijde van de anderen. 

Er komt een verwisseling van levensveld, waarbij procesmatig andere beelden op deze pelgrim toe zullen komen en ook andere naasten. 

Het ene gaat heen met alle leed daaraan verbonden en het andere komt met alle vreugde die daarmede annex is. 

Geen enkele georganiseerde spiritualiteit kan deze fase reëel maken voor zijn leden. 

Geen enkel lid van een religieuze organisatie zou dit ook willen, omdat hier de veiligheid van het hiërarchieke lichaam wegvalt en dat betekent altijd onzekerheid. 

Het tegelijkertijd ervaren van een "stervensuur" en een "geboorte-uur" is een eenmalige ondervinding. ~

Men kan dan niet de pijn van het sterven, het afscheid nemen afhouden en met beide handen naar de vreugde van het nieuw geborene grijpen. 

Zonder moeiten komt niets tot stand. 

Noch kan men heengaan uit de oude levenssfeer, noch kan men binnengaan in een nieuwe levenssfeer, zonder de diepten en de hoogten van smart en vreugde te hebben doorleefd. 

In waarheid zijn smart en vreugde een en dezelfde.  

Ook daarin krijgen de woorden uit het Thomas-evangelie een diepere betekenis: "zodra de mens de twee tot één kan maken" zal hij de overwinning smaken. 

De trawanten in de Scorpio-aeon beogen niets anders dan deze mens in zichzelf te splitsen, hem uitéén te scheuren op spirituele wijze, ego en ziel scherp tegenover elkander te plaatsen. 

"Ik gevoel me innerlijk verscheurd" zuchten dezulken. 

Inderdaad! 

Deze mens wordt met opzet innerlijk verscheurd, opdat de "kleine éénmakende kracht" in hem zal wegkwijnen. 

De serieuze pelgrim moet dit spel duidelijk doorschouwen. 

Men wil hem losrukken van het Licht der Lichten en opnieuw opsluiten in de ring van Saturnus; de oude bedeling, de levenssfeer van de kracht met de leeuwenkop. 

Sommigen kunnen als 't ware gevoelen hoe hun zielekracht uit hen wegvliedt en zo stervende zijn zij toch gedwongen door te leven. 

Dat leidt tot cynisme en bitterheid. 

Niemand kan de pelgrim deze ervaringen besparen, want zij behoren tot de loutering. 

Zelfs de beste meester en de meest wijze gids kan nooit een enkele boetezang voor de pelgrim zingen. 

Hoofdzaak is dat de zoeker en vooral de serieuze kandidaat nooit het geloof in het Licht der Lichten verliest. 

Dat hij altijd opnieuw het moment terugvindt om zijn blik omhoog te richten en het gebed van de Lichtzoon uit te spreken, dat altijd aanvangt met: 

"O Licht der Lichten in wie ik geloofd heb vanaf het begin......"

Dat is het koord van Ariadne dat de pelgrim verlost uit de duistere spelonken waarin het ziele-vretende monster op de loer ligt.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene