XXIII - Zesde Aeon: Maagd III

"Mijn ziel heeft op Uw Woord gewacht!", zo zingt de Pistis Sophia in de boetezang van de Maagd-aeon. 


"Ik heb gewacht tot Uw tijd gekomen was, o Heer, ik heb gewacht en heel mijn wezen heb ik gereed gemaakt voor die wake. 

Ik ben bezig mij toe te bereiden, opdat Uw Licht en Uw Majesteit straks kunnen indalen in heilige aarde. Gelijk mijn ziel hoopt op Uw Licht, gelijk mijn ziel geleerd heeft te wachten, zo hoop ik dat mijn gehele aarde van Israël, Uw land, al mijn krachten en machten, wachten zullen op Uw Licht! 

Daartoe benut ik mijn tijd van de ochtend tot de avond. En als het uur gekomen is, het moment van de doorreis naar de volgende aeon, dan heeft Uw Licht, O Licht der Lichten, heel Israël verlost van zijn ongerechtigheden!"


Niemand kan de intense geloofskracht en het vaste vertrouwen van deze kandidaat verstaan dan hij die in diezelfde binding staat en dit Licht eveneens kent. 

Allen die twijfelen, die voortdurend heen en weer geslingerd worden tussen hoop en vrees en uitgeput worden door de aanvallen der archonten, zij kennen nog lang niet die ononderbroken vervoering, die voortkomt uit de herontdekking van het eigen innerlijke Licht. 

Zij kennen de betekenis van het bezit van dit innerlijke Licht en van de binding tussen Vader en Zoon niet. 

Om zulk aan kandidaat uit zijn evenwicht te brengen, zo weten de aanvallers, de trawanten, moet men een geestelijke kracht tegen hem in het geweer brengen, want de greep op het ego herstellen is onmogelijk door de lichtende muur die deze mens omringt. 

Daarom concentreren de aeonen-trawanten hun verkrachte, magische, innerlijke licht, dat in werkelijkheid dieper is dan de diepste duisternis. 

Uit de verkrachte lichtbron brachten zij duisternis voort, het bewuste kwaad, de doelgerichte zwarte magie, die zielen pijnigen kan. 

Met deze magie hopen zij het innerlijke Licht van deze pelgrim te kunnen afzwakken. 

Want deze mens is oneindig sterker dan alle pelgrims in de voorgaande aeonen, daar hij zich baseert uitsluitend op zijn innerlijke Licht, daarom moet hij daarin worden getroffen, dit Licht moet verontreinigd worden, zodat zijn fundament onder zijn voeten zal afbrokkelen. 

Tegenover de onontkoombare, rechtvaardige waarheid plaatsen de trawanten nu de schijnwaarheid, een gevallen waarheid, een occulte kracht, die men onder allerlei benamingen tegenkomt, soms Gnosis, soms licht, soms Christus, soms God, soms verlossing. 

Deze strijd wordt niet meer gevoerd met uiterlijke wapenen en zo zullen velen het gevecht niet onderkennen, want zij ligt ver boven het inzicht van het massabewustzijn. 

Dit gevecht is meedogenloos, zoals de waarheid en de gerechtigheid onbarmhartig kunnen zijn. 

Het toebereiden van een nieuwe aarde wekt de afgunst op bij alle archonten en hierdoor zou de sfeer van de Maagd hard en wreed zijn wanneer daar het Licht niet was. 

Liefde en warmte zouden er ontbreken zo de vuurgloed van die innerlijke bezieling afwezig was. 

Deze Maagd-pelgrim moet van binnenuit stralen en zo dit niet geschiedt werkt hij zielloos, bekrompen, vechtend tegen de eigen ledigheid, zich verdedigende door hardheid en cynisme. Om deze reden zoekt de Pistis Sophia haar heil en haar vrede in de vergeving. 

Zij herkent de Liefde Gods door middel van die vergeving. 

Omringd door deze vergeving bloeit zij open en zo kan zij worden bevrucht door het Licht der Lichten zelf, zo de verbintenis vierende van de vereniging van Hemel en Aarde, geest en ziel. 

De Materia Mater kan en wil het zaad des Lichts in haar schoot opnemen en zo vangt de schepping aan. 

Zo vindt het waarachtige begin plaats van de vorming van de Nieuwe Mens. 


De trawanten van de Maagd-aeon zullen zich concentreren op de zenuwether van de pelgrim, het veld waar de middelaar woont tussen geest en ziel, en ziel en lichaam. 

Het is een beproeving voor de onvoorbereide mens om deze rust van de Maagd-aeon te ondergaan en besloten te worden in het eigen aurische veld. 

Datgene dat de Tweeling-pelgrims vrezen geschiedt in doe Maagd-aeon: de mens wordt alléén gelaten met het eigen zelf.  

De bewuste pelgrim ondergaat daardoor vreugde, omdat hij de Lichtbron in zichzelf ontdekt; de onbewuste pelgrim gevoelt bitterheid, omdat hij voor een innerlijke ontgoocheling staat. 

Oppervlakkig bezien schijnen de Virgo-mensen daarom dikwijls onaangenaam; gevangen genomen binnen zichzelf, te eerlijk om de waarheid in en buiten zichzelf te ontkennen, weigert hij zich te verbergen achter een maskerade van liefelijkheid en schijn-spiritualiteit. 

De consequentie van de aeonengang der Pistis Sophia brengt mede dat wij in deze tweede driehoek de reflectie van de Geestzon binnen de Kreeft-aeon aanvaarden, dat wij uitsluitend de Geest-zon als leider erkennen en afgerekend hebben met koning ego binnen de Leeuw-aeon en dat wij dan tenslotte binnen de Maagd-aeon nederknielen voor de vergeving. 

De hardheid van de Maagd-trawanten moet ontdooit worden door werkelijk liefde uit te dragen, een mededogendheid die meehelpt om het zwaard der gerechtigheid uit liefde en niet uit bitterheid te hanteren. 

Allen die lang een liefdeloze situatie en een onverzettelijke hardheid hebben moeten ondergaan snakken naar enige liefde, naar warmte en vergeten en vergeven. 

Zulk een verlangen kan ons achter medeslepen in een oppervlakkige, emotionele vervoering, waardoor wij maar al te dikwijls een prooi kunnen worden van mediamieke toestanden, warmte uitstralende persoonlijkheden. 

De liefde die in de Maagd-aeon tentoon moet worden gespreid, wordt echter gedragen door reinheid en waarheid en daarom is zij in haar kern hard, een eenheid, een edele steen. 

Zelfs temidden van religieuze groeperingen zijn deze aeon-gevoeligheden te herkennen: er zijn Leeuw-bezetenen, die uit-sluitend gericht zijn op de eer, de belangrijkheid en het gekend worden van het eigen ego en er kunnen Maagd-gevoeligen zijn die reinheid en waarheid zoeken, maar niettemin hunkeren naar een liefde om het eigen hart, dat geleden heeft door de achter hen liggende fasen, te troosten. 

Leeuw- en Maagd-kandidaten vinden altijd aansluiting bij elkander, omdat de eersten verlangen naar de rust en de ongecompliceerdheid van de Maagd-pelgrims en deze op hun beurt gedwongen worden los te breken uit zichzelf, om hun naasten te helpen. 

Want iedere spirituele mens, die een geestelijk pad betreedt, kàn zijn naasten niet in de kou laten staan, omdat hij gehoor moet geven aan de liefde impulsen. 

De Maagd-pelgrims hebben de vergeving leren kennen, indien zij althans bewust spiritueel strevende zijn, en in die vergeving hebben zij het hart der liefde kunnen ontmoeten. 

De overweldigende ontdekking van vergeving en liefde dwingt hen hun ego-cel te openen, naar buiten te treden uit hun stille beslotenheid, zodat anderen deze wonderlijke macht der stilte zullen leren kennen. 

Ook iedere spirituele arbeid wordt geboren onder een bepaalde aeonische instraling, want zolang er op aarde wordt gewerkt, is men gebonden aan de wet der aeonen. 

Iedere arbeid moet allereerst losbreken uit deze eigen aeonische wet, en uit de werkzaamheid van deze aeon zal de mens  de taak van het geheel kunnen herkennen. 

Wanneer de Maagd-aeon een arbeidsveld omspant, moet daarbinnen gearbeid worden om de Materia Mater uit te dragen, zo niet, dan wordt het zwaard der gerechtigheid en der waarheid op de eigen arbeid gericht. 

Als men de geschiedenis van de middeleeuwse Katharen beziet, die eeuwenlang o.a. in Frankrijk hebben gearbeid, dan kan men herkennen hoe de Maagd-aeon hen omvat hield, totdat zij de reinheid zouden uit dragen met alle consequenties daarmede verbonden. 

Door de realisatie van deze reinheid, zoals de "Purs" aantoonden, heeft de groep vier tot vijf eeuwen kunnen voortwerken. 

Het zwaard van de waarheid werd door hen tegen de hiërarchieke kerken gericht en het sprookje van de keizer werd daardoor voor de kerk tot een bittere waarheid: de ontluistering van Rome, dat onder de heerschappij van de Leeuw staat, volgde. 

Wie het zwaard der waarheid durft opnemen zal moeten verwachten dat dit zich eveneens tot de hanteerder keert. 

De binnentredenden in de Maagd-aeon zullen de Zang van het Vertrouwen moeten gaan zingen, de zesde boetezang, en deze zang is een gebed van overgave, geloof, lichtkracht en hoop. 

Wanneer de mens zich overgeeft aan het oordeel Gods, aan Zijn gerechtigheid, ontdekt hij dat er vanuit deze Bron der Liefde vergeving nederdaalt en deze is voor de zo ervaringsrijke mens als een balsem die de hartewonde heelt. Zich te hullen in een Lichtmantel, zich beschermd te weten door een muur van Licht, dat is een troost, een genade en een voorrecht. 

Zij die eerlijk, waarachtig en vertrouwend hun pad vervolgen, zij zullen bemerken dat er inderdaad zulk een Lichtmantel om hen heen geweven wordt en als zij dan de essentie van de Maagd-beproeving verstaan, dan zullen zij weten dat daar waar het Licht is, het uitgedeeld moet worden. 

Dan overwint de Maagd-pelgrim die subtiele ijverzucht op zijn eigen kostbare innerlijke schat en zal hij hem tonen aan allen, die hem verlangen te zien! Wat er ook van komen moge. 

Want waarlijk, hij die de binding met het Licht der Lichten bezit, vreest niet!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene