XV - Vierde Aeon: De Kreeft III

De kandidaat, die bemerkt dat de eerste woorden van de boetezangen: 

"O Licht in wien ik geloofd heb van den beginne, vergeef mij en red mij!" 

tot een dode letter zijn geworden, lijdt daar onder. 

Hij gevoelt zich als de blindelings tastende en hij weert zich intensief tegen elke vermeende aanval en tegen elke schaduw van tegenstand. 

Hij strijdt wederom, maar geheel anders dan voorheen. 

Hij strijdt een innerlijke strijd. 

Zijn wezen, ontledigd door de vierde aeon-trawanten, die zichzelf volvreten aan zijn licht, is één en al angst geworden, omdat hij zijn krachteloosheid onderkent. 

Omdat hij zijn verlies beseft. 

Dan doet hij het enige dat hem schijnt over te blijven: hij grijpt terug naar wat is geweest. 

Hij vlucht in het verleden, in die toestanden van heerlijkheid en in de lichtervaringen, die hij ondergaan heeft. 

Deze vlucht beleeft hij in de geborgenheid van zijn hol. 

Hij sluit zich af voor het heden. 

Hij doet alsof hij de werkelijkheid niet ziet, want deze benauwt hem. 

Niettemin leeft de impuls in hem tot verder gaan op deze gang, dit heimwee naar het Licht aan het einde van de terugtocht, is niet meer te onderdrukken. 

Hij is reeds te ver gegaan op zijn weg door de aeonen om dit heimwee nog te kunnen uitroeien. 

Zo kan het gebeuren dat in deze mens dit heimwee, dat hij uit angst wil onderdrukken, ontaardt in een ziekte: hij wordt innerlijk door dat heimwee aangetast, opgevreten, een woekering ontstaat, omdat hetgeen hij zozeer begeert, niet tot uitdrukking komt in zijn handeling. 

Hij zou zich moeten losrukken uit de emotionele angsten, hij zou zich moeten overgeven aan de onbevreesdheid, die zich fundeert in het vertrouwen op het Licht. 

Te dikwijls verbergt hij zich echter achter de schijn-spiritualiteit, omdat hij waar wil hebben hetgeen hij ziet, hij wil de emotionele beelden niet loslaten, omdat hij bang is ook deze grond onder zijn voeten te verliezen. 

In de tweede aeon werd de kandidaat de zekerheid van de materie ontnomen, en niettegenstaande de tegenstand en de slagen kwam hij tot bezinning en waarheid. 

Nu wordt hem de eerste spirituele zekerheid ontnomen. 

Hij beseft, als eer herinnering aan het verleden, dat de ontgoocheling en het nedergeworpen worden in het niets, hem opnieuw zullen aangrijpen. 

Hij vreest deze ervaring en daarom laat hij niet los, zoals de Kreeft. 

Hij klemt zich vast aan de schijnbare mogelijkheden, aan het eventueel wonderbaarlijke, aan een schat, aan een situatie. 

Iedereen die hem deze waarde, dit bezit wil ontnemen, tracht hij weg te houder door een angel vol bitterheid. 

Zijn emotionaliteit, zijn liefde, zijn spirituele beleven, zijn door-trokken van deze angst om het mogelijke verlies. 

Doch ook uit deze toestand worden de Pistis Sophia en de pelgrim gered. 

Hij zit verscholen in zijn donkere hol en ziet en weet niets meer; de Pistis Sophia weent haar boetezangen, zij treurt en kankert, d.w.z. zij verbittert zichzelf, zij vreet zichzelf op in een ver-wrongen, mismaakte weerspiegeling van een ego-versterven. 


"Ik ben geworden tot een vreemde demon, die zonder innerlijk licht woont in de materie; ik ben als een valse geest geworden, die woont in een sterfelijk lichaam zonder dat er lichtkracht in hem is." 

Inderdaad is in dit ogenblik de Pistis Sophia één van de spiegelbeelden geworden, die zij eerst heeft aanbeden. 

Zij is een medebewoner geworden in het pantomine-spel, tot een valse geest. 

De eerste schreden in het onstoffelijke gebied worden zo voor de pelgrim tot een beproeving, doch daar is altijd nog het Licht der Lichten, die zijn gezel, de oer-essentie van de Lichtzoon in de pelgrim, aanraakt en zo de toestand tot klaarheid brengt: 

"Inplaats van met het licht dat haar eerst vervulde, hebben zij haar met chaos gevuld", 

zo spreekt deze gezel en hij snelt de Pistis Sophia, de pelgrim, te hulp. 

In het diepste van zichzelf, van dat innerlijke duistere hol, had de Pistis Sophia reeds tot zichzelf gezegd: 

"Het zweet mijns lichaams heb ik ingezwolgen en de angst der tranen van de materie mijner ogen, opdat zij, die mij verdrukken, niet het overige nemen!" 

Dit is het dieptepunt, de grens tot waar de kandidaat in deze aeon kan gaan. 

"Ik heb alles trachten vast te houden, O Licht, alles wat ik nog had, zodat zij dat ook niet van mij zouden nemen. 

Het berouw dat ik heb, de tranen mijner ogen, het water mijns harten dat uit mij opwelt in deze bittere stonde, ik heb het ingezwolgen, opdat zij het niet zouden nemen."

Daarmede zegt zij: 

"Ik heb begrepen O Licht, dat ik mijn innerlijke kracht heb vermorst, en dat ik daarmede mijn vijanden heb gevoed en hun daardoor het leven heb geschonken". 

De eerste stralen van het inzicht gaan gloren, het Licht der Lichten en de pijn der oerherinnering, de smart om het weten en het niet verstaan, en het verlangen en niet grijpen kunnen, volgen de pelgrim tot in zijn diepste schuilhoeken. 

Hierdoor kàn hij zich niet verschuilen. 

Dit is nu de zegen van de vierde aeon. 

De pelgrim kan niet meer terug. Hij kan niet meer aan het Licht ontkomen. Hij heeft de eerste drie aeonen achter zich gelaten als een overwinnende driehoek en wordt nu tot zijn val of zijn opstanding met de geest geconfronteerd. 

Hij wordt gedwongen om het licht van de geestzon door te laten, gelijk de maan de zonnestralen en hij moet worden tot een "koningin des hemels" en niet zijn als een dode planeet, die de occulte leugen belevendigt. 

Daarom zoekt het Licht hem in zijn schuilhoek op en pijnigt hem, totdat hij de materie van zijn ogen inzwelgt. 

Zelfmedelijden wordt hem niet gegund, want zijn lijden zet zich om in een innerlijk lijden. 

Het Licht der Lichten zal zijn aangezicht niet blijvend verbergen en deze lijdende pelgrim eens optrekken binnen de glanzen van zijn majesteit. 

Men zal kunnen verstaan dat de mens in deze fase een aangrijpend lijden doormaakt. omdat het hem dieper treft dan alle voorgaande smarten. Dit is ook op te maken uit de vierde boetezang van de Pistis Sophia. 

Zij is bitter en wanhopig. Zij lijkt al haar geloof en hoop, en vooral de zekerheid van de magie der eerste boetezangen verloren te hebben. 

Zij looft en prijst nu niet, noch bidt zij en smeekt om vergeving. Haar houding is die van een moedeloze.

Het is de typische levenshouding van de mens die ontdekt dat al zijn streven en zijn offeranden hun einde vonden in de sfeer van het zelfbedrog. 

Hoe zwaar valt het degenen niet die mediamiek beelden zien, deze tot goddelijkheid verheffen en adoreren, hun vermeende gaven te verlaten. 

Om deze vierde aeon te doorschrijden, moet de mens de moed bezitten om in het "kokende water" van de harde realiteit af te dalen, zoals dit in de praktijk met kreeften geschied, die gekookt worden om verteerbaar te worden. 

Deze kandidaat moet bewust een water-vuur proces ondergaan, waarin hij sterft om als een ander mens herboren te worden. 

De aanvang van dit proces zal zijn als een pijniging omdat hij steeds weer de oude beelden, de schijn wil vastgrijpen, daarvan kan hij bijna geen afstand doen. 

Daarom moet het water kokend, de realiteit ingrijpend zijn. 

De herinnering aan de weerspiegeling moet dichtgeschroeid worden, zodat hij niet meer terug kan vallen in een toestand van mediamieke adoratie. 

Zijn honger naar het Licht kan van deze mens een redeloze maken, een meedogenloos alles verslindend monster, een waarachtige trawant van de Kreeft-aeon. 

Hij gaat over lijken om die honger te stillen, en zijn pantser verbergt zijn innerlijke pijn en zijn grote heimwee. 

Het enige dat deze mens redden kan is het Licht, omdat hij niemand toestond zijn hol binnen te gaan, zijn pantser te doorsteken, slechts het Licht breekt zich een baan door het pantser van verharding en bitterheid. 

Dan geschiedt het ongelooflijke: 

Staande tegenover het Licht, in het diepste van zijn eigen duistere zelf, brokkelen de laatste stenen van de ommuring, de pantsering, af en zal de kandidaat, zoals de Pistis Sophia, reeds in overgave spreken: 

"En dit alles O Licht, is over mij gekomen vanwege Uw gebod en Uw bevel en het is Uw beschikking dat ik mij hier bevind." 

Zijn bitterheid vloeit langs deze woorden weg en hij bevindt zich wederom in verbinding met het Licht. 

"Het is Uw bevel en Uw beschikking, O Licht!"

1970 - 2024, copyright Henk en Mia Leene