XIV - Vierde Aeon: De Kreeft II

Nadat de pelgrim de derde aeon achter zich heeft gelaten en de vierde aeon binnengaat, betreedt hij een geheel ander levensveld. 

Indien hij binnen de innerlijke stilte de jagende stormen van de derde aeon heeft kunnen overwinnen, schouwt hij binnen deze vierde aeon eindelijk de beelden uit een onstoffelijk gebied. 

Hij ervaart de aanrakingen uit een spiritueel levensveld en zijn gehele gevoelsbewustzijn wil daarop reageren. 

De Oosterse astrosofie noemt deze aeon dan ook "de aeon der weerspiegeling", 

Uit de diepten van het eigen zelf omhoogstijgende roept de mens uit: 

"O Licht, waarop ik heb gebouwd, verberg uw aangezicht niet voor mij, want mijn dagen zijn als rook vergaan". 

De tijd is heengegaan.

En sterker dan ooit tevoren hunkert de Pistis Sophia, de kandidaat, naar het Licht. 

In deze toestand is haar wezen één en al hunkering, een ver-langen, dat niet anders omschreven kan worden dan, een grote alomvattende liefde-impuls, die de hele persoonlijkheid met al zijn zintuigen in beslag neemt. 

Zij gevoelt zich opgenomen in de etherische stralingen van de liefde tot het Licht en daarin wil zij geheel en al ondergaan. 

Zij wil één worden met dat Licht, één met de Geest, zij wil al die stralingspracht opnemen en weerkaatsen. 

Hierdoor ontstaat de grote valstrik van deze vierde aeon. 

De kandidaat bezit nu echter één voordeel: hij heeft de bezinning en bovendien de realiteiten de waarde van het Niet-Zijn en Ontheven-Zijn leren kennen. Hij treedt niet als een strijder op de trawanten van deze aeon toe, maar hij wacht integendeel af, vervuld van een onbewuste hoop en vol gespannen verwachting. 

Bij iedere aanval der aeonen-trawanten trekt hij zich terug in zichzelf, gedachtig aan de ervaringen binnen de derde aeon. 

Zo zal deze kandidaat de aeon Cancer in al zijn lagen en listen leren ontdekken. 

De mens die deze vierde aeon binnentreedt heeft veel geleden, door dat lijden heeft hij zich een pantser aangemeten en hij is achterdochtig en voorzichtig geworden. 

Er is in hem echter een grote alles overheersende kracht, een vertrouwen dat de liefde tenslotte toch nog zal overwinnen, een hoop dat er achter dat "kwade" wellicht toch nog het "goede" schuil gaat. 

Dit is niet de allerhoogste liefde-uitdrukking, maar zij is wel veelomvattend. Deze liefde richt zich op alles en allen. 

Het is een hart-straling die gemotoriseerd wordt door de solar plexus, de zonnevlecht. 

Deze kandidaat staat zeer open en is zeer kwetsbaar, hij is blootgelegd voor de kwade bedoelingen van de Cancer-trawanten en hun maankrachten. 

De solar plexus waarmede de emoties en de trillingen van de zenuwether worden geregistreerd, wordt in deze aeon sterk beroerd. 

Op deze wijze kan de kandidaat in aanraking worden gebracht met een hoger gebied, en zou hij zich los kunnen gaan maken van de harde materie. 

In de derde aeon heeft hij de strijd gestreden, tussen het wegzinken in de stoffelijke belangen en het omhoogstijgen en opgaan in de stilte en de bezinning van het hogere gebied. 

Nu zal hem de etherische sfeer, de sfeer der ontstoffelijking worden geopenbaard en hij zal zich daar een weg doorheen moeten banen. 

Meedogenloos wordt in deze aeon de kandidaat voor de realiteit van het spiritisme en het occultisme geplaatst, hij zal een blik achter de schermen van het bedrog kunnen werpen. 

Mits hij bereid is te leren en inzicht te betonen. 

De trawanten van de vierde aeon komen hem opnieuw in zijn hunkering tegemoet en reflecteren het zozeer begeerde licht in alle etherische vormen. 

In deze aeon, zegt de Oosterse astrosofie, ziet de kandidaat het godsbeeld in alles. 

Hij is werkelijk in de sfeer der weerspiegeling aangekomen. 

Hij treedt dit onbekende gebied binnen met de woorden op de lippen: 

"O Licht, verberg Uw aangezicht niet voor mij, als zij mij kwellen ten dage als ik U roep, red mij haastiglijk!" 

De pelgrim is zich ervan bewust dat de kwellingen zullen komen, maar zijn hunkering, die heel zijn wezen verwarmt, ontneemt hem de scherpe blik. 

Hij gevoelt zich door licht en schoonheid omgeven, maar hij weet intuïtief, gezien de ervaringen uit het verleden, dat hij voor een ontzaglijk bedrog moet staan. 

Hij weet dit, maar hij kan het niet zien. 

Hij is als de maan, die de stralingen var de zon ervaart, door zijn lichaam voelt stromen, maar hij kan er uit zichzelf niets mede doen, hij kan noch scheppen, noch bezielen, noch uit zichzelf stralen. 

Zulk een mens kan zich als een doodlichaam gevoelen, dat door de stralen van de zon wordt verwarmd, maar die hem steeds weer ontglippen op het moment dat hij hem grijpen wil. 

Hij reageert altijd emotioneel, handelend op een gevoels-impressie, hij wéét dat er een zon is die hem verwarmt, maar hij weet nog niet hoe deze zelfstandig in lichtkracht om te zetten. 

De Pistis Sophia, de pelgrim, beleeft hier waarlijk een tragische en aangrijpende periode in haar aeonengang.

Zij ondergaat de aanrakingen des Lichts en heel haar emotionele wezen snelt op de bron toe, doch zij is nog niet gereed om het Licht te kunnen verwerken, zij kan nog niet actief medewerken. 

Zij is één groot verlangen, en zij moet dit verlangen uiten. 

Zij kan niets anders, want zij wordt daartoe geforceerd door de Cancer-trawanten. 

Doch tegelijkertijd is zij bang voor een ontgoocheling, bang voor vergissingen, bang om deze innerlijke warmte te verliezen. 

Deze angst gaat echter met de pelgrim mede tot aan zijn laatste snik. Het is een uiting van de ik-versterving, het ik sterft onder duizend angsten. 

In haar wanhoop, haar nood en haar hunkering, roept de Pistis Sophia uit: 

"Verberg Uw aangezicht niet voor mij!" 

De woorden zijn als een kreet! 

"Ik wéét dat Gij daar zijt! Ik ken U! Ik heb U ervaren! 

Mijn God, schenk mij nu de heerlijkheid van Uw aangezicht!" 

Daarom zijn zij, die zich in deze aeon bevinden, geneigd alles te offeren, alles terzijde te schuiven, alles te doen om maar een glimp op te vangen van de heerlijkheid des Heren. 

Het geloof in het Licht is voor hem een noodzaak, een levens-brood geworden. 

Dezulke zullen altijd een doel moeten hebben om hun hunkering en hun geloof op te vestigen. 

Op het horizontale vlak kan men bemerken hoe deze mensen zich vast gaan klampen aan medemensen, aan kinderen, aan dingen, aan humanistische idealen. 

Zij moeten de innerlijke drang tot liefde-uitstorting af reageren. 

Zij projecteren heel hun verlangen op de ander, zichzelf daarin reflecterende volgens de wetten van de Cancer-aeon. 

Dit is een verkapte vorm van eigenliefde, waarin zulk een mens soms kan vervallen. 

Zo kan het gebeuren dat in deze vierde aeon de pelgrim omringd wordt door de Cancer-trawanten, en dat deze zijn liefde-potentie absorberen, en hem volkomen leegzuigen. 

Alles wat de Pistis Sophia, de pelgrim, te schenken heeft, heel die uit haar emotionele lichtbinding voortkomende stralingskracht, drinken zij in en verslinden deze. ~

Zij wordt als een ontledigde, omdat zij de wet Gods: "Werpt geen rozen voor de ezels, noch paarlen voor de zwijnen" niet heeft opgevolgd. 

Zij wil de trawanten omhullen met haar liefde (hoewel deze nog onvolkomen en meer een vorm van begeren is) en zij beseft dat haar kennis van de vierde aeon nog niet volkomen is. 

Zij neemt haar vierde aeon-kracht: haar liefdehonger en haar humane verwachting, in de hand en richt deze op haar aanvallers en daarop komt de reactie: 

"Zij hebben mij al mijn licht weggenomen en mijn kracht is verdord! Het mysterie dat ik vroeger trouw vervulde ben ik vergeten?" 

Dit is nu de tragedie van de vierde aeon. 

De kandidaat ontmoet de niets ontziende begeerten van de Cancer-trawanten. Het is de culminatie van de Maankracht: de zelfzucht der egocentrische liefde. 

Dat is het stadium waarin de pelgrim zich gaat opsluiten in zijn hol, gelijk de kreeft, die vol angst in zijn hol terugkruipt, wanneer de aanvallers komen. 

Hij gelooft niet meer in het licht, want hij gevoelt zich lichtloos, en krachteloos, en gevoelloos. 

Al zijn hunkering is uitgestort, al zijn verlangens zijn vervlogen: 

"Door de stem van de angst en de kracht van Authades  is de kracht in mij verdwenen!" 

Zo kan het geschieden dat in zulk een ontreddering deze pelgrim zijn eigen vijand wordt, er tevens een gevaarlijke vijand voor anderen. Want hij staat onder de Maan-invloed en hij heeft zijn eerste mysterie verloren. 

Dat wil zeggen dat de eerste sleutel: 

"O Licht, in wie ik geloofd heb van den beginne, vergeef mij en red mij", voor hem tot een dode letter is geworden en hij weet dit! 

Dit is zijn lijden, te weten dat hij de eerste sleutel verloren heeft en zich machteloos te gevoelen. 

Doch ook hij zal tenslotte de naam van de vierde aeon in zijn kleed kunnen schrijven!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene