XIII - Vierde Aeon: De Kreeft

Voordat wij deze vierde aeon gaan behandelen, willen we even kort stilstaan bij de vorige drie boetezangen, daar op het fundament van deze drie fasen de vierde boetezang zal moeten worden aangeheven.


In de eerste zang, waar Ariës en Mars de heerschappij voeren, wordt de waan doorbroken, wordt de eigen wil opgegeven en dringt de pelgrim tot in het waarheidslicht door.

De eerste zang, ook wel de "mensheidszang" genoemd, is noodzakelijk om de pelgrim los te maken uit zijn afgesloten individualiteit, uit zijn waantoestand van het eigen denken, willen en gevoelen; kortom, hier moet het pad worden geschouwd en waarop hij zijn eerste schreden zal gaan zetten. 

Hij moet de hoge werkelijkheid van deze aeon gaan ervaren en dat betekent dat hij in alle oprechtheid, eenvoud en waarheid een "kudde" tot aan de "top der bergen" wil voorgaan, maar het wil tevens zeggen dat hij zichzelf als een "lam" ten offerande wil schenken. 

Wanneer hij in staat is het "mensheidslied" aan te heffen, dan wordt hij een leider en tegelijkertijd een nederige dienaar. 

De waan van het in zichzelf besloten Ik, die waan van "streberei" en de leugen van de ik-drift, wordt dan volkomen uitgebannen. 

Zulk een mens kan de tweede fase binnengaan, waar de aeon Taurus, stralende in het Venus-licht, hem de schoonste verten voorspelt. Er wordt hier direct aangeknoopt bij zijn innerlijke, vreugdevolle gemoedstoestand, ontstaan na het overwinnen van de eerste aeon en men wil de pelgrim nu de zekerheid bieden. 

De zekerheid van de overgave, de onomstotelijkheid van het spirituele beleven, een zekerheid die kan eindigen in een ontstellende dodelijke kristallisatie en in een gevangenschap binnen de mystieke beelden en de oerheiligheid, waaruit het vernietigende fanatisme wordt geboren. 

Altijd weer zal er worden getracht de Pistis Sophia, de kandidaat, in te kapselen in de bedrieglijke schijn; steeds opnieuw nemen de aeonenkrachten de gestalte aan die bij de situatie van het moment past. 

Er moet ten koste van alles worden getracht de Pistis Sophia - de kandidaat - de doortocht door de dertien aeonen te beletten en hem vast te houden binnen één de aeonen. 

Is het niet gelukt de pelgrim op te sluiten in de oorden van de waan, dan moet hij gevangen genomen worden in de oorden van de zekerheid, van de eigen overtuiging. 

Er zal steeds weer geprobeerd worden om de beweging tegen te houden, om onrust en nieuw denken, onderzoek en innerlijke opbraak te voorkomen. 

Want innerlijke verbreking kan de stoot tot ketterij worden. 

Daarom zijn zij, die in de tweede aeon vastgelopen zijn, altijd trouwe, van hun eigen mening overtuigde mensen. 

Zij bevinden zich als binnen een ommuring, waar geen enkele lichtstraal van buitenaf binnenkomt, en binnen die ommuring bouwen zij aan hun eigen luchtkastelen. 

Daarom wordt deze tweede zang "de bewustzijnszang" genoemd: de mens moet zich bewust worden van het universum, van de aanwezige latende krachten om hem heen, buiten die gevangenismuur. 

Dat kan slechts geschieden wanneer een licht hen van binnenuit opbreekt. 

Hij moet naar buiten leren treden, zonder vooroordeel, maar open en met een pure intuïtie, zoals dat in de goede zin bij de tweede aeon-mens kan gebeuren; hij moet gebruik maken van zijn innerlijke licht. 

De mens in de eerste aeon is bezeten van de a-vidya, zegt de Oosterse gnostieke leer, hij werkt en leeft door het tegendeel van vidya, de wijsheid. 

Hij leeft dus in de waan. Hij is bezeten van de eigen kennis. 

Hij moet vidya herontdekken zo hij de poorten van de tweede aeon wil bereiken. 

In die tweede aeon maakt hij kennis met het "afstand doen". 

Het afstand doen van elke zekerheid, het vrijwillig onder zichzelf wegbreken van elke wereldse basis. 

Na de wijsheid daalt in deze mens dus de onthechting in. 

Deze beide gaven: wijsheid en onthechting zijn lijn recht het tegenovergestelde van de gebonden aardse aeonen: Ariës en Taurus. 

Ariës bevordert het vergaren van kennis, van a-vidya en Taurus zet de kandidaat aan tot het baseren van een zekerheid, opdat hij nooit in ongerustheid zal geraken. 

De, met deze aeonen samenspannende "duivelen der kosmos", Mars en Venus, dragen daar het hunne toe bij, want met inzet van al zijn wilskracht, niets en niemand ontziende, wil Mars zijn schatten veroveren, als in een onbeheerste drift. 

De liefelijke Venus wil de pelgrim binnen haar eigen schittering behouden, zodat hij niet zal bemerken dat er een groter licht is; zij wil dat hij zal worden verblind en zijn schatten als een mol in de aarde zal gaan zoeken. 

Daarom zegt de Oosterse gnosis van deze aeon: afstand doen, afstand nemen, geen gehechtheid aan wat dan ook! 

Leer, o mens uit de tweede aeon, dat slechts door niets te bezitten, door niets te zijn en door niets fanatiek te verafgoden, de mogelijkheid tot vrijheid kan blijven bestaan. 

Zo komt deze mens uit de tweede aeon na ingrijpende ervaringen tot voor de poort van de derde aeon. 

Hij is dan een ervaren mens, d.w.z. hij is tot op de bodem van het eigen zelf doorgedrongen. Zowel de hoofd-schatten  als de hart-schatten zijn hem ontnomen en werden aan de kaak gesteld. 

Hij gevoelt zich een niets, waarlijk een nieteling. 

Hij durft niets meer te verwachten en hij durft nergens meer op te vertrouwen. 

In hem is slechts de echo van de allereerste woorden, van die magische woorden waarmede hij de aeonen-reis aanving. 

"En toch, o Licht, in u heb ik geloofd van de aanvang af, redt mij en help mij!" 

Deze woorden blijven als een stil glanzend licht in zijn innerlijk gloeien, zij blijven voor hem tot een voortdurende warmtebron. 

Zou hij de kracht van deze woorden verliezen, dan zou hij zijn als een loos omhulsel, als een vertwijfelde, als wrakhout her- en derwaarts gedreven door de golven van de levenszee. 

Deze innerlijke kracht, deze magische binding met het Licht der Lichten zal hij van node hebben wanneer hij voor de poorten van de derde aeon aankomt. Want hier, zoals gezegd, wordt hem de slotfase van de eerste driehoek bereid. 

Viermaal moet de pelgrim zulk een driehoek afwerken, wil hij tot de volheid van de glorieuze dertiende aeon komen. 

Achter de poorten van deze dertiende aeon wachten hem de leeuwenkop-trawanten en zij zijn feller en geraffineerder dan ooit tevoren. 

Nu de pelgrim de onthechting is binnengegaan, sluiten de tra-wanten van de derde aeon zich daarbij aan, en zij werpen hem in de beproeving van de onrust. 

De onrust die in de tweede aeon voorkomen werd, wordt nu, nu de pelgrim in het niets staat, tot een zweep die hem voortjaagt. 

De trawanten drijven hem heen en weer, gunnen hem geen rust tot nadenken, zij jagen hem op zodat hij nooit tot enig bezinnen kan komen. 

Zij testen op alle mogelijke manieren zijn innerlijke onthechting, die een onaardse stilte in de mens te voorschijn moet roepen. 

Deze trawanten van de aeon Gemini, onder heerschappij van de rusteloze Mercurius, willen de kandidaat zijn innerlijke stilte ontnemen. 

Zij willen hem, juist omdat hij zijn aardse zekerheid heeft op-gegeven, vast laten lopen in deze uiterlijke fundamentloosheid. 

Zij willen hem angst aanjagen en zeer verontrusten. Daarom noemt de Oosterse gnosis deze fase: het stadium van de tijd. 

Het enige waarom de mens in deze aeon zal vragen is: tijd. 

Hij wordt zozeer door de verschijningen van deze aeon-trawanten opgehouden en zozeer door hen bezig gehouden, dat hij geen tijd meer heeft om in te dalen in de innerlijke stilte. 

"Laat mij tijd!" zo zal hij op een gegeven moment uitroepen. 

Doch zij zullen hem geen tijd laten, want betekent voor de kandidaat in dit stadium: de overwinning. 

Zou hij werkelijk kans zien om zich te ontrukken aan deze trawanten en zou hij in staat zijn zijn wantrouwen - geboren uit de vorige ervaringen - af te werpen, dan herkent hij de werkelijkheid van de hogere Mercurius-krachten,  die de middelaar gaan worden voor de bewuste pelgrim. 

Ziet hij eenmaal die werkelijkheid, wel, dan zou hij in hetzelfde ogenblik het spirituele laboratorium der alchemisten kunnen binnengaan, waar de hogere Mercurius het goud vervaardigt. 

Deze derde aeon vormt waarlijk een beslissende stap voor de pelgrim en vele mensen zullen juist hier van hun innerlijke gnostieke gerichtheid gaan afvallen. 

Niet omdat zij dit willen, maar omdat zij in volledige zelf-overschatting en in de arrogantie van hun ervaringsbewustzijn doende blijven om de trawanten van de leeuwenkop het masker af te rukken, om daarna triomferend de vlag van de eigendunk te hijsen, trots op de behaalde overwinning. 

Totdat zij zich gaan realiseren dat de "tijd" voorbijgaat en dat deze trawanten hier niets anders doen, dan een spel met hem spelen, opdat de kandidaten niet rusten zullen. 

Daarom heet deze derde zang: de zang van de ootmoed. 

Niet de pelgrim behoort de strijder te zijn, niet hij moet door-lopend bezig zijn om die trawanten te ontmaskeren, zich in-beeldende een wetende te zijn, maar het Licht-in-hem zal die trawanten gaan verdrijven, terneder werpen en ontmaskeren. Zo de pelgrim de ootmoed bezit om die strijder-in-hem de leiding over te dragen. 

Hij is echter zo wantrouwend, zo zeker van zichzelf, zo scherp ontledend, dat hij de trawantenhorden met een felle kreet te lijf gaat. 

Dit is de houding van de gevangene der derde aeon, een felle strijder, een zelfverzekerde vechter, een rusteloze spoorzoeker. 

Doch ook deze pelgrim zal zijn ervaringen ontvangen en hij zal gedwongen worden - door de omstandigheden - om de rust in te gaan. 

Zo hij een waardevol mens is, zal het Licht hem zodanig treffen, dat hij niet meer in staat zal zijn om al die uitdagende trawanten te lijf te gaan. 

"Zit neder en wacht!" 

"Keer u in en vertrouw op het Licht der Lichten!" 

Dit moet de houding worden voor de ziel binnen de derde aeon. 

En zo hij niet wil, wel, dan zullen de omstandigheden hem daartoe dwingen gaan. 

In die stilte, in die pauze tussen het beweeg der tijden, raakt hem het Licht aan en kan hij zich wederom verheffen op die magische trillingen van de gouden sleutel: 

"O Licht, in wie ik van de aanvang af geloofd heb, red mij, en vergeef mij, want Gij zijt mijn mysterie!" 

Dan komt het ogenblik waarop de Pistis Sophia voor de poorten van de vierde aeon wordt geleid en al de trawanten van de eerste drie aeonen vervolgen haar, want zij willen getuigen van haar val.

Maar de Pistis Sophia, de kandidaat, zal hen niet zien. 

De mens, die de derde aeon doorschreden heeft, is een naar binnen gekeerd mens geworden, en dat betekent dat hij de geestelijke krachten nu waarlijk heeft ontdekt. 

Voor de derde maal is aan hem bewezen worden dat het licht hem waarlijk uitredt. De Pistis Sophia sluit zich op in haar stilte, in haar ootmoed, en klopt aan de poorten van de vierde aeon. 

Dat is de aeon: Cancer, beheerst door de Maan-krachten. 

Zo vangt een nieuwe fase aan, een periode waarbinnen "de zang van de Verbrijzeling" gezongen zal moeten worden.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene