VI - Eerste Aeon: De Ram III

Iedere kandidaat die uit de valse leeuwenkracht leeft, negeert het zingen van de eerste boetezang. 

Deze zang is voor de, door de eigen wil bezeten kandidaat, een grote irritatie, een belachelijkheid. 

Hij wil zich liever direct tot de tweede aeon wenden, want deze trekt hem veel meer aan. 

Niettemin kan niemand de eerste-boetezang overslaan en zo worstelt vrijwel geheel de wereld in de greep van deze eerste aeon, zonder enig verlangen zich aan deze eerste aeonenmacht te onttrekken. 

Integendeel, overal bespeurt men hoe de mensheid zich het in de greep van deze eerste aeon comfortabel heeft gemaakt en er niet naar taalt de gang door de volgende aeonen te maken. 

Het niet willen zingen van een boetezang, een schuldbekentenis, drijft de mens tot een compromis met de trawanten uit de eerste aeon. 

Religie, kunst en wetenschap, oorspronkelijk drie mogelijkheden om de mensheid tot bewustwording te brengen, werden bij de toestand binnen de eerste aeon aangepast en zij gingen op ge-raffineerde wijze het goddelijke imiteren. 

De leeuwenkracht bereikte in deze drie godsgaven zijn culminatie, zijn meest geraffineerde imitatie om iedere mogelijke zoeker terug te houden van de thuisweg. 

In de religie werd het occultisme de meest geraffineerde vorm van imitatie en de grootste versterking van de macht der eerste aeon-trawanten, want, zo suggereerde men de kandidaat: 

"Zonder de boetezang te zingen, zonder verootmoediging en zonder het belijden van de eigen onwetendheid, kun je ook de doortocht bewerken." 

In het occultisme wordt de mens op dusdanige wijze aan "Avidya" gebonden, dat hij eeuwenlang niet meer daaraan ontsnappen kan. 

Het kruis, het endura of de ondergang van het eigen "ik" door middel van de barmhartigheid en de genade des Lichts, wordt geheel afgewezen, want de eigen wil, zo denkt men, is eveneens in staat tot het grijpen van de zielemacht. 

De verdieping van de val in de chaos wordt hier bewaarheid. 

Dit is het streven van de trawanten uit de eerste aeon, de mens het kruis laten afwijzen, hem bepalen bij de eigen wil en de eigen macht. 

Men ziet de greep van deze eerste aeon ook duidelijk in de middeleeuwen weerspiegeld, toen de Katharen (de Franse middeleeuwse gnostici) het "endura", de Ik-versterving, opnieuw tot de mensheid brachten als een mogelijkheid tot ziele-verlossing. 

Direct waren de dienaren der imitatie gealarmeerd en stelde alle mogelijke methoden in het werk om dit Kathaarse endura volkomen in een verkeerd daglicht te plaatsen, opdat de mensheid niet de juiste opvatting zou vernemen. 

De Katharen vormden voor de imitators een werkelijk gevaar. 

Nog tot op de dag van vandaag meent het overgrote deel der mensheid dat het Kathaarse endura niets anders was dan een mystieke zelfmoord, een religieuze exaltatie. 

Op deze wijze verdoemde men het innerlijke Christendom, dat de weg van Bethlehem tot aan de kruisdood op Golgotha verwerkelijken wil, tot een uiterlijk dogma. 

Zodra er in de wereld een leer geboren wordt, die de waarheid omtrent de verwerkelijking der ziele-verlossing bekend maakt, snellen de trawanten van de eerste aeon naderbij om deze waarheid in de kiem te smoren. 

In deze Aquarius-tijd, waarin zovelen gebukt gaan onder de geboorteweeën van een nieuwe idee, van een innerlijke ver-lichting, of van een universele Waarheid, wordt de mensheid rijp voor de bekendmaking van het enduristische beeld der Katharen, maar de eerste aeon, het valse wilsvuur der kosmos en zijn trawanten zijn op hun hoede. 

Er wordt hard gearbeid aan een imitatie-leer, overal worden dienaren van de valse leeuwenkracht opgeroepen tot activiteit en zij geven een prachtige imitatie van het endura, of vullen de handen der mensen met indrukwekkende wonderen, opdat de mens vooral niet nadenken zal! 

Onze tijd wordt gekenmerkt door de strijd om de zielen. 

Velen zijn bezig te ontwaken, men ontdekt de schijn-leringen, de misleiding, de onwaarheid, hoewel men nog niet de eigen onwetendheid ontdekt heeft. 

Juist het ontdekken van de onwetendheid stimuleert de mens tot het verdiepen van zijn kennis, van "Avidya", waar het occultisme zo prachtig bij aansluit. 

Het bereiken van de hoogste sport op de ladder der ontwikkeling betekent tevens dat de mens méér uitzicht krijgt en dat hij ontdekt dat het voor hem liggende landschap niet zo schoon is als hem gesuggereerd werd en als hij in zijn zelfbewustheid geloofde. 

Hieruit spruiten de hedendaagse ontdekkingen voort omtrent de vervuiling en de onbewoonbaar wordende atmosfeer van de aarde. 

Het bestijgen van de ontwikkelingsladder ging ten koste van de aarde-planeet, gelijk alles in deze wereld bereikt wordt ten koste van iets anders. 

De mens is echter een zeer eigengereid schepsel. 

Teleurstelling brengt hem dikwijls tot tegenactie en zo wenst hij niet van zijn eindelijk verworven kroon afstand te doen, maar zoekt hartstochtelijk naar oplossingen, compromis, die hem in staat zullen stellen zijn verworven bezit te behouden, terwijl daarnaast de oplossing van het probleem bereikt kan worden. 

Overal om u heen kunt u bemerken hoe de mens, op alle gebied, zoekt naar een oplossing, een uitweg, want hij heeft het aller-uiterste van de imitatie bereikt. 

Daarom is deze tijd rijp voor een Johanneïsche leer, - zoals men ook de Kathaarse leer Johanneïsch noemde. 

Een leer waarin de mens zelf bewijst dat er een waarheid en een oplossing of verlossing is, zonder negatieve of schadelijke gevolgen. 

Dit kan hij niet anders doen dan door de boetezang der eerste aeon te zingen, door: 

erkenning van de eigen onwetendheid; 

belijdenis van de eigen schuld; 

het uitdragen van de eenvoud, zowel uiterlijk als innerlijk. 

Hij moet deze, door het verlies van de eigen wil bezeten mens, bewijzen dat onwetendheid en erkenning van innerlijke armoede geen teruggang betekenen, maar integendeel het begin van een regeneratie. 

De gearriveerde hedendaagse mens schaamt zich voor onwetend en innerlijk arm te worden aangezien. 

De woorden: onwetendheid en armoede hebben een zeer onaangename bijklank verkregen, omdat men ook deze woorden tot een uiterlijk begrip veroordeelde. 

"Zalig zijn de armen van Geest, want hunner is het Koninkrijk der Hemelen", zo staat er in de Bergrede. 

Deze geestelijke armoede wordt door de mensheid afgewezen, zij verrijkt haar uiterlijke geest (haar hoofd) en zo wordt zij tot de rijkaard die zijn eigen armoede niet onderkent. 

Geestelijk arm zijn wil in de Bergrede zeggen: het ontbreken van intellectuele overlast en het volledig erkennen van de spirituele onwetendheid van de arrogante ik-mens. 

Het vergaren van theologische kennis (Avidya), en het onder-wijzen van Gods woord op basis van universitaire graden, bewijzen reeds hoezeer de mens "de armoede des geestes" mis-verstaat en hoezeer hij zich schaamt om "arm" genoemd te worden. 

Deze schaamte is tot een dekmantel geworden waarachter de leegte zich verbergt. 

Aan deze waan mededoen betekent de dood binnen de begrenzing van de eerste aeon, ook voor de kandidaat die zich een "gnosticus" noemt. 

Gnosticus zijn betekent afstand doen van iedere speculatie met het "ik" en dus met de eigen waan. 

De valse schaamte over de eigen onwetendheid met betrekking tot de ziele-wijsheid, is altijd een goede aanleiding om de kandidaat wederom te verstikken in de waan-spiritualiteit. 

Zijn onwetendheid zal altijd door deze trawanten worden toe-gedekt door de rijkdom van de uiterlijke 

vormen, opdat noch hij, noch zijn medestrevers de innerlijke armoede zullen onderkennen en belijden. 

Zodra de kandidaat de verstikking der uiterlijke rijkdommen afwijst, wordt hij een gevaar voor de eerste aeon en men zal trachten hem tot een verstotene te maken, tot een bespotte, een eenzame die onder hoongelach zijn eerste boetezang gaat zingen. 

Deze beproevingen kunt u duidelijk nalezen in het Evangelie van de Pistis Sophia. 

De kandidaat die zich durft te vertonen in zijn innerlijke armoede, in de naaktheid van zijn niet-weten en de eenvoud van zijn boetekleed, wordt tot een bespotting gemaakt! 

Men lacht om zijn nederigheid, om zijn boete en men besmeurt zijn boetekleed, terwijl men hem tracht te verblinden door de eigen rijkversierde gewaden. 

Dit is het punt waarop vele pelgrims struikelen. 

De eigen nederigheid wordt hun tot een obsessie en heel het eigen ik komt in verzet, zodat men gauw gaat grijpen naar de aan-geboden uiterlijke rijkdommen aan kennis, macht en zekerheid. 

Velen vallen hier wederom in het occultisme, in een dogmatisch geloof, waarin uiterlijke organisaties veiligheid verzekeren. 

De pijn van het herkennen van de eigen armoede was hen te veel, te smartelijk. 

Het opleggen van het kruis vervulde hen reeds met zwakte! 

Maar in deze eerste aeon is dit juist de opgave voor de kandidaat: offerande van de eigen superioriteit, die het sterkste in het mentale ik zetelt. 

Het is voor de Aquarius-mens, de supermens der moderne tijd, een onoverkomelijke opgave, want zijn gehele zelfbewustzijn ligt juist in dit brein. 

Daarom verschuilt hij zich in al die uitwegen, leringen die geen zelf-offerande vragen, maar hem zoet houden met àndere mogelijkheden, die alle aansluiten bij zijn superieure ontwikkeling. 

Hij speelt verstoppertje met zichzelf. 

Hij wil God benaderen via de kennis die hij vergaard heeft en daarom neemt hij deze God gevangen in een theologisch begrip, dat hij in uiterlijke klanken omvatten kan. 

Nu hij niet tot God kan en wil gaan, dwingt hij God tot hem te komen. 

Dat denkt hij tenminste. Deze theologische God kan hij begrijpen, hij kan hem ontleden, vernietigen, prijzen, vervloeken, en hem aanspreken als zijn gelijke! 

God is voor deze mens ontdaan van Zijn onuitsprekelijke naam. 

Hij bezit een naam, die de mens op alle mogelijke manieren uitleggen kan. 

Daarom wordt er van de gnostieke kandidaat gevraagd dat hij de onwetendheid omtrent deze naam wederom erkent. 

De Schepper van het Al moet wederom buiten de sfeer van het eigen "ik" geplaatst worden. 

Al deze belachelijke, en toch tragische pogingen om God te vinden, doen de mens zich hoogst kundig gevoelen, terwijl hij vergeet dat hij de erbarmelijke gevangene is van de waan der eerste aeon. De kandidaat, die de grens van deze eerste aeon wil passeren, zal moeten wennen aan de ontluistering.

Zijn ik zal alle smarten moeten doorleven, die er te vinden zijn, want het vuur van het ik wordt hier aangetast. 

Zolang het "ik" weent en klaagzangen aanheft, kan de ziel haar stem niet doen horen. 

Zolang het "ik" huivert van angst of schreeuwt om genoeg-doening, kan de ziel niet ontwaken. 

Zolang het "ik" nog trilt van levensverlangen en hoopt op de uit-verkiezing, kan de ziel niet Het leven belijden. 

Zonder deze ziel zullen de boetezangen niet gezongen kunnen worden! 

De waan, de grote imitatie in deze eerste aeon, kan slechts doorstoken worden door drie ziele kwaliteiten: eenvoud - nederigheid - rechtschapenheid. 

Deze rechtschapenheid doet de kandidaat de verlossende woorden spreken: 

"O Licht der Lichten, verberg Uw Aangezicht niet voor mij, want hier ben ik, een nieteling, een bespotte en ik heb U niets anders aan te bieden dan mijn geloof in U!" 

Mogen de trawanten u pijnigen tot aan het uitroepen van deze woorden.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene