Inleiding

Wanneer wij de kosmos en de wereld om ons heen bezien en al die gedragingen der mensheid gadeslaan, dan moeten wij wel verstaan dat vanaf het bestaan der wereld de aarde en haar schepselen gebonden zijn aan kosmische, leiding gevende stralingen. 

De oude Gnostici noemden die kosmische leiders, die bestuurders van bepaalde wereldperioden: aeonen. 

Gelijk de Heer J. van Rijckenborgh in zijn bespreking over het Gnostieke Evangelie van de Pistis Sophia zegt: " Twaalf aeonen houden de mensheid gevangen." 

Om deze gevangenis te doorbreken moet de mens beschikken over een nieuwe kracht. 

Doch niet slechts deze twaalf aeonen zal hij moeten wederstaan, hij moet eveneens door de sluiers van de dertiende aeon heen-breken. 

Op basis van deze 12-voudige worsteling zong de Pistis Sophia haar dertien boetezangen. Wanneer men zulk een aeonen-door-braak van nabij beschouwt, dan wordt het gehele pad van ziele-wedergeboorte begrijpelijk en ontdekken wij ook de onontkoombaarheid van die merkwaardige obstakels op zulk een pelgrimsweg. 

De twaalf aeonen waren in oorsprong, volgens de opvattingen van de Gnostici, dienaren van de dertiende aeon, van die ene machtige leider van het universum. 

Deze leider was in den beginne begiftigd met goddelijke macht en deze macht gaf hij door aan zijn lagere aeonen. 

Deze aeonen-heerschappij kunt u dus zien als het fundament waarop onze natuurorde rust. 

Oorspronkelijk - zoals u overal in de Universele Leringen lezen kunt - was de natuur één met de Schepper en reinigende, ver-heven stralingen werden opgenomen in haar materie, opdat daaruit de schepselen der aarde en de planeet zelve, leven zouden. 

Hoe meer echter deze natuurorde zich bewust werd van haar eigen macht, des te verder dwaalde zij af van haar goddelijke Ingever en trok zij zichzelf terug in haar eigen machtsbewustzijn. 

Zo vormden zich langzaam maar zeker twee werelden, twee natuurorden: de Hoge goddelijke Natuurorde of Statica, bevolkt met goddelijke entiteiten en de lagere natuurorde of dialectica, bevolkt met gevallen oorspronkelijk goddelijke wezens en natuurlijke wezens, ontstaan uit de kernkracht van deze lagere natuurorde. 

De leer van de twee natuurorden is zuiver gnostiek en wordt verklaard uit de kristallisatie en degeneratie van de aeonen. 

Zodra een entiteit uit de lagere natuurorde zijn dertien boetezangen gaat zingen, zoals de Pistis Sophia dat gedaan heeft, dan wil dat zeggen dat hij zich gereed maakt om de ketenen van de natuurkrachten te verbreken. 

Zich bewust geworden van de eigen levensstaat en van de hem omringende aeonenmuur, zoekt zulk een mens, gedreven door de prae herinnering, naar het Licht van den Beginne. 

Hij gevoelt zich ongelukkig met de stralingen der natuur-aeonen, die het goddelijke Licht verloren hebben en wendt zich dus tot een andere kracht, om hem bij te staan in zijn worsteling. 

Om deze andere kracht te vinden, zoekt zulk een mens altijd een gnostieke leer, omdat hij intuïtief gevoelt dat het Gnosticisme een waarlijk stof-bevrijdende leer uitdraagt. 

De dertien boetezangen worden dan ook slechts gezongen door praktizerende Gnostici, die leer en leven in harmonie gebracht hebben. 

Elke boetezang, u zult dat zelf ervaren, wanneer u het Gnostieke Evangelie doorleest, straalt een bepaalde kracht uit, projecteert een bepaalde straling in het universum. 

Elke boetezang heeft zowel een verbrekende als een vernieuwende waarde en correspondeert met de goddelijke opdracht die ieder mens van Gods wege heeft. 

Zodra de mens zich bewust wordt van zijn gevallen levensstaat, en deze niet slechts ziet als een armelijke toestand-van-zijn, die door de barmhartigheid en de genade van Jezus den Heer op-geheven kan worden, maar tevens duidelijk verstaat dat hij zelf iets dient te veranderen aan zijn levenstoestand, dan kan het niet anders of zulk een mens maakt binding met het Licht der Lichten. 

Hij trekt die andere levenskracht binnen zijn microcosmos en tracht daaruit te denker, en te handelen. 

Is het verwonderlijk dat het binnenkomen van dit onaardse goddelijke Licht in een natuurgebonden ordening, op zijn zachtst uitgedrukt: bevreemding wekt? 

Bevreemding bij al die gevestigde natuurgebonden krachten, verwondering bij al die entiteiten, die de mens als hun prooi beschouwen, doch zulk een binnenkomst zal angst veroorzaken bij de aeonen. 

Zoals er ook geschreven staat in het Evangelie van de Pistis Sophia: 

"en zij werden zeer bevreesd." 

Al de aeonen met hun archonten zien en bemerken hoe een wezen  zelfstandig en uit het eigen bewustzijn, de Lichtkracht tot zich trekt. 

De Lichtkracht, die zij verloren hebben! 

En dan is de reactie als volgt: 

De twaalf aeonen bundelen hun energie en zij wenden zich om meerdere kracht tot hun dertiende aeon, en zij stellen alles in het werk om die ene, ongehoorzame, weerspannige mens wederom van die goddelijke kracht te ontdoen. 

Zo is dus de reactie van de twaalf aeonen, van die heersers der natuur, wanneer iemand besluit de dertien boetezangen te gaan zingen of, anders gezegd: een pad van zielebevrijding wil gaan bewandelen. 

Het betreden van zulk een Pad is waarlijk weggelegd voor moedigen, voor vrije metselaren, d.w.z. autonome zielebouwers en bewust denkenden. 

U kunt uzelf, op het moment van de aanhef der dertien boetezangen, zien als een eenling, een vreemde in deze natuurordening, waar de gevallen natuurmachten hun eigen heerschappij uitoefenen en afgunstig zijn op iedere kracht van buitenaf en U, de eenling, wordt dan als een gevaar beschouwt, wanneer u het Licht waarachtig tot u trekt. 

Zo u dat niet lukt, zo u van tijd tot tijd wederom wegglijdt in de tredmolen der natuur-aeonen-heerschappij dan zal er over u geen ongerustheid bestaan in de natuureaonen-regering. 

Maar ieder mens, die zich daadwerkelijk vrijmaakt van zijn natuurgebondenheid, zal ervaren hoe zijn levensgang één grote worsteling wordt en hoe hij een uitgestotene wordt in deze lagere natuurorde en hoe hij, gedwongen door zijn prea-herinnering, niet anders meer kàn dan zich geheel en al te richten op het Licht der Lichten. 

Deze weg der dertien boetezangen kan niet als een bijkomstigheid in het leven van de mens beschouwd worden, doch hij zal centraal moeten staan in zijn leven, wil hij werkelijk het zo vurig begeerde bevrijdende resultaat zien. 

Wil hij de dertien boetezangen overtuigend en krachtopwekkend zingen, dan behoort hij zich te gedragen als de Pistis Sophia en de wereld om hem heen schouwen als een val, waarin de kracht-met-het-leeuwengezicht niets anders doet dan haar aan te vallen en haar kracht te ontstelen. 

Waar deze mens ook om zich heen ziet, hij ontwaart niet anders dan aanvallers en rovers, dan machten die hem beschouwen als een gevaar voor hun eigen leven. 

En dan blijft deze gnosticus, deze Pistis Sophia niets anders over dan de verzuchting: 

"O Licht der Lichten, Gij kent mijn verdrukking ....."

En deze woorden zullen de leidraad moeten zijn voor deze mens: 

"O Licht der Lichten....." 

Want er zal, zo hij begint met zijn boetezangen, geen enkel ander wezen zijn dat zich zijn lot aantrekt. 

Dat wil zeggen: zijn ziele-lot! 

Er zijn maar weinigen, die bewust en alles overheersend de nood van de eigen zijnstoestand inzien en die de moed en de kracht en vooral de hunkering bezitten om hun mond te openen en de verbrekende en vernieuwende klanken in deze wereld van ongoddelijkheid uit te zingen! 

Zodra enig mens de eerste klank van de zangenrei vertolkt, plaatst hij zich buiten de wereld, buiten de natuurordening en zijn aeonen, die deze geheel gevallen orde in eigen hand willen houden. 

Daarom is het volkomen logisch en aanvaardbaar dat zulk een mens, die wezenlijk de boetezangen zingen gaat, de eenzaamheid van het eigen zelf gaat ontdekken. 

Hij gaat verstaan dat hij het vreemdelingschap vrijwillig aanvaard heeft en hij zal dus al de consequenties daarvan aanvaarden moeten! Het is onmogelijk dat hij, die reeds zover gekomen is, zich terugtrekt met een excuus of terugtreedt om andere belangen te behartigen. 

Een ieder, die de eerste klanken van de eerste boetezangen uitgesproken heeft, roept weerstand op in de natuurvelden en trekt tegelijkertijd Lichtkracht tot zich. 

Nu wordt hij het onderwerp van twee machthebbers, die om hem een strijd gaan leveren. 

Hier herinneren wij u aan de woorden uit: "Het Licht op het Pad". 

"Weest niet gij de strijder, doch laat de ziel in u strijden."

Deze woorden haken volkomen in bij de ervaringen van de Pistis Sophia. 

Zij ziet hoe de kwade machten om haar heen zich samenspannen om haar aan te vallen en zij ziet de giftige kernkrachten hun levensessenties bundelen en alles maakt zich gereed om haar te belagen. 

En. nog een aanvangend vertolkster der boetezangen zijnde, ziet zij nog niet hoe het Licht der Lichten haar benauwenis schouwt en hoe die duisternis rond haar reeds door een lichtstraal doorboord wordt. 

Zij is zich echter bewust van de duisternis en zij proeft aan den lijve de woorden: 

"Het Licht schijnt in de duisternis, maar de duisternis heeft het niet begrepen." 

Daarom rest zulk een in de benauwenis gevoerd mens slechts het uitspreken van de woorden, die alle kracht op hem doen toestromen 

"O Licht der Lichten, in wie ik van den aanvang af geloofd heb, help mij....." 

Iedere gnosticus, die deze woorden als een werkelijkheid in zichzelf bewaart, zal in staat zijn verder te gaan op zijn weg. 

Hij zal daadwerkelijk een begin kunnen maken met het verbreken van de aeonenmuur, die hem van alle kanten omringt en die hem belet het Licht te schouwen, waaruit hij eenmaal nedergedaald is.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene