III

Wanneer wij de Pistis Sophia gaan volgen op haar weg door de aeonen en wij met haar de boetezangen willen zingen, dan moeten wij allereerst de werkelijkheid zien van de aeonische muur. 

Wij moeten duidelijk begrijpen hoezeer de Pistis Sophia gevangen ligt en hoe zij als 't ware verstikt wordt door een web van astrale draden, die elke vezel van haar wezen omvatten. 

Wij moeten tot op de bodem de gevangenis en benauwenis van de Pistis Sophia doorleven en aan den lijve ondervinden hoe groot haar uiterlijke en innerlijke verwarring kan zijn. 

Daarom moeten wij eerst het karakter van de "kracht met de leeuwenkop" doorgronden en hem niet slechts zien als een enkelvoudig, ontstellend machtig monster, maar wij moeten hem herkennen als een kernkracht, die in de kosmos en in onze microcosmos aanwezig is. 

Hij is één van de scheppingen van Authades, zo zegt het Evangelie van de Pistis Sophia, en dat betekent dat de wil (Authades) hem deed ontstaan. 

Zijnde een schepping van de luciferische macht, wordt hij kenbaar als een grote vuurkracht in de chaos. 

Hij is de leeuwenkracht, die gelijk is aan de zevenkoppige draak uit de mythologie. 

Hij zendt zijn valse vuurkracht tot de mens door middel van het planetenstelsel en de zodiak. Hij is de dienaar van de gevallen aeonische stralingskrachten der natuur en imiteert op geraffineerde wijze het Licht der Gnosis in al Zijn aanzichten. 

Die leeuwenkracht vinden wij terug in de vuurkernen van ons aurisch lichaam en wij treffen hem aan in de zeven onheilige vlammen van onze kandelaar in het hoofdheiligdom. 

Al deze vlammen, die de vertegenwoordigers zouden moeten zijn van de Trooster of de Heilige Zevengeest, en die de pelgrim zouden moeten toe bereiden voor het pad van Verwerkelijking, zijn bij de nog niet "omgewende mens" in het bezit van het vuur van de "kracht met het leeuwengezicht". 

In het Heilige der Heiligen (het hoofdheiligdom) brandt deze onheilige kandelaar voor het hoofdaltaar. 

Zolang deze kandelaar het Licht van de Trooster niet uitstraalt, blijft de pelgrim staan in de toebereiding, of zelfs in de fasen daaraan voorafgaande. 

Hij blijft op deze wijze een gevangene van de leeuwenkracht en het valse vuur dreigt in hem en om hem. 

Zolang dit valse vuur in het hoofdheiligdom niet gedoofd is, kan de pelgrim niet ontsnappen aan de vuurkracht van de leeuwen-demon en zijn al zijn pogingen nutteloos. 

Zich in deze toestand bevindende (en hierin bevindt de pelgrim zich in meerdere of mindere mate door al de boetezangen heen), kan hij zich slechts staande houden met de woorden: 

"O Licht der Lichten vergeef mij en red mij......"  

Deze woorden ontsteken een tegenlicht, een tegengestelde trilling wordt binnen de microcosmos van de pelgrim getrokken en dooft door haar kracht het valse licht van de kandelaar. 

Daarom is de raad aan elke pelgrim: Tracht deze woorden met hart en ziel uit te spreken en benader deze woorden niet slechts uiterlijk, maar ontleedt hun mysterie. 

Dring door tot de essentie van deze woorden en maak hun kracht vrij, opdat die kracht het valse vuur van de leeuwendemon vernietige. 

"In haar onwetendheid," zo zegt de Pistis Sophia, "zag zij het licht van de "kracht met de leeuwenkop" voor het gnostieke Licht aan." 

De onwetendheid, die zij ten volle erkent, is het gevolg van haar eigengereidheid, het resultaat van haar geïsoleerdheid in de chaos.

Toen haar metgezel achterbleef in het Rijk der Heerlijkheid onttrok hij aan de Pistis Sophia het innerlijke weten. 

Daarom werd zij onwetend en kon zij de noodlottige vergissing maken. 

Deze situatie moeten wij allen herkennen!

Alleen gelaten door onze metgezel, door het oeratoom of de roos des harten, waarin de prea-herinnering bewaard gebleven is, nemen wij onze toevlucht tot de zintuigen der stoffelijkheid, tot de wapens der gevallen natuurorde. 

Wij vielen op hetzelfde moment waarop wij zeiden: 

"Ik ga heen om de leeuwenkracht zijn licht te ontnemen om daarvan voor mijzelf lichtaeonen te maken." 

Op dit ogenblik verhieven wij ons op de basis van ons persoonlijke zelfbewustzijn en richtten ons op in de arrogantie van het eigen ik. 

Het is vanzelfsprekend en verklaarbaar dat zulk een mens zegt: 

"Ik daal neder zonder mijn metgezel." 

Hij erkent en ervaart die metgezel niet meer en is reeds binnen-getreden in de denkkracht van het valse vuur. 

Zo vangt de wisselwerking aan tussen de Pistis Sophia en de lichtkracht met de leeuwenkop. 

Op dezelfde wijze komt de pelgrim oog in oog te staan met de macrocosmische - en microcosmische leeuwenkracht. 

Hij ontsteekt, in zijn zelfoverschatting, de kandelaar in zijn hoofdheiligdom door het onheilige vuur, nadat hij tevoren het goddelijke Vuur teruggewezen had. 

Dat bleef achter bij zijn metgezel. 

Het is voor deze mens, die zo met de chaos is verweven en zo afhankelijk is geworden van de scheppingen van Authades, een onvoorstelbaar zware opdracht om tot het inzicht van zijn fout te komen. 

Van buitenaf, vanuit de goddelijke Oerschepping, wordt telkens getracht hem te bereiken, hem tot een reactie te voeren, doch iedere keer opnieuw stuiten de pogingen af op zijn eigen valse innerlijke vuur, dat hem het leven schenkt en hem tot een marionet maakt. 

Daarom is er de school des levens, en om die reden is er dat getob in deze gevallen natuur en zijn er die harde levenslessen, en die op- en neergang in het proces op het pad der Heiligmaking. 

Wanneer de nood deze pelgrim, u, tot aan de lippen stijgt, dan kan het gebeuren dat u het uitschreeuwt in uw benauwenis: 

"O Licht der Lichten....!" 

Maar als de leeuwenkop een moment zijn afschrikwekkende gedaante niet aan u toont, dan vergeet u zijn voorkomen, zijn misleiding en zijn bedoelen en dan vertrouwt u zich wederom aan hem toe en de schijnbare rust keert tijdelijk in uw wezen weer. 

Totdat de Gnosis, de liefderadiatie Gods, deze mensen opnieuw voortjaagt, opnieuw confronteert met de angstaanjagende werkelijkheid, en hij wederom heel die benauwenis om zich heen ziet en zijn Licht en zijn Kracht uit zichzelf gevoelt wegvloeien. 

Dit is het ogenblik waarin de Pistis Sophia de scheppingen van Authades weer tegen zich ziet optrekken en hun wanstaltige figuren herkent. 

Nog steeds vertoeft zij in de situatie van de eerste boetezang, waarin zij inzicht moet verkrijgen en berouw moet tonen. 

Zolang zij het mysterie van die eerste boetezang niet heeft volvoerd, zal zij de naam van de eerste aeon niet kunnen uitspreken.

Wil zij veilig door het rijk der aeonen heenreizen, dan behoort zij al hun namen te kunnen uitspreken, om hen terug te wijzen naar het land hunner wederkomst. 

Daarom moet zij het karakter en de trilling van elk van deze aeonen kennen en weten waaruit zij hun macht en hun rijk hebben geschapen, opdat zij hun fundament opbreken zal. 

De zevenvoudige onheiligheid, gebruik makende van de zeven planeten of demonen, straalt doorlopend in de pelgrim in en maakt hem een gevangene van de 12 aeonen, die hun kracht putten uit de dertiende aeon, waarbinnen de vrijheid heerst om het Licht der Lichten aan te wenden tot een opstanding of tot een val. 

Iedere pelgrim moet allereerst terugkeren tot achter de sluiers van deze dertiende aeon, waarbinnen zijn innerlijke vrijheid hersteld wordt en hij waarlijk het goddelijke individuum genoemd kan worden. 

Om deze dertiende aeon te bereiken moet de pelgrim al de twaalf rijken der aeonen doorreizen en hun macht overwinnen, hun naam griffen in zijn boetekleed, zoals de Pistis Sophia leert. 

Deze aeonengang kan slechts begonnen worden op basis van berouw. 

Berouw is het gevolg van Inzicht. 

En Inzicht is het gevolg van harde levenslessen. 

Allen, die dus aan het begin van deze boetezangen-reis staan, zijn zij die inzicht verkregen hebben, voldoende inzicht om de poort tot de eerste aeon te kunnen openen. 

Laten wij ons dan verplaatsen in de situatie van de pelgrim, die op basis van berouw en inzicht de poort tot de eerste aeon opent. 

Wij gaan uit van de gedachte dat u allen de woorden: 

"O Licht der Lichten, vergeef mij en red mij.... !" 

op de juiste wijze hebt uitgesproken. 

Daardoor maken wij binding met onze metgezel en onze boete-zangen worden één grote smeekbede aan Hem en het Licht der Lichten om tot ons terug te keren, opdat het goddelijke Licht ons valse licht zal doven. 

Zo heffen wij dan onze eerste boetezang aan die ook wel "de mensheidszang" wordt genoemd. 

Wij herkennen het aanheffen van deze boetezangen eveneens bij de oude Gnostieken, zoals in de Ginza, het heilige boek der Mandeeën, de volgelingen van Johannes de Doper. 

De pelgrim, wiens woorden men kan lezen in de Ginza, roept op een gegeven ogenblik uit: 

" Ik lachte om de kracht van de planeten, en ik was niet meer bevreesd voor hun macht, want ik ben geroepen tot het Licht der Lichten en de Plaats des Lichts werd mij getoond."

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene