II

De uitspraken in de Heilige Taal: :"Bidt en u zal gegeven worden", "Uw bede wordt verhoord" en "God zal hen verhoren, die Hem aanroepen", zijn alle gebaseerd op de corresponderende kracht tussen het Licht der Lichten en de ontwakende ziel, die een roep om hulp uitzendt. 

Een gnostiek mens is altijd een wezen, dat, uit een micro-cosmische erfenis gedreven, de natuurreligieuze begrenzingen heeft doorbroken en daardoor in nood ook geen enkele band meer zoekt met een god van deze wereld. 

Spreekt in deze mens de ziel, dan kan zij altijd de oerkracht van het Universum vrijmaken, waardoor een schacht geboord wordt door de velden van deze aardesfeer. 

Dat is het voordeel van de kandidaat op een pad van bevrijding. Hij is altijd weer in staat de verticale balk op de horizontale balk te plaatsen en zo het kruis des Levens te bouwen.

Wanneer zulke Gnostici zich aaneensluiten dan heeft dit slechts de bedoeling, dat ieder van hen doorlopend geattendeerd wordt op de gnostieke Idee in zichzelf, zodat er zo weinig mogelijk risico aanwezig is voor terugval in de horizontale "streberei" van de massamens. 

Binnen het krachtveld dat door deze verzamelde Gnostici gespreid wordt, wordt de ontwakende ziel in een bed van hogere trillingen ondergedompeld, zodat zij zich steeds bewust blijft van haar roeping van Gods wege. 

Uit deze hogere trillingen kan de ziel de beschermende zielemantel weven, die haar omhullen zal als een lichtend, ondoordringbaar pantser, waarop alle aanvallen van haar belagers afketsen. 

In ieder mens leven, als gevolg van de neerstorting in de chaos, twee verlangens: het zich overgeven aan de kracht-met-de-leeuwenkop, (daar dit de gemakkelijkste weg lijkt), en het zich oprichten uit deze wereld van tegenstellingen en terugkeren naar de levenssfeer van het Licht der Lichten. 

Wanneer het verlangen naar het Licht der Lichten sterk is zal de kandidaat automatisch naar levensomstandigheden zoeken (en deze ook vinden), waar hij hulp vinden kan voor zijn strijd met de kracht-met-de-leeuwenkop. 

In een krachtveld, waar hij gelijkgerichte pelgrims aantreft, zal hij onbewust kracht zoeken om zijn verzwakte krachten aan te sterken. 

Hij ondergaat doorlopend de zuiging van de grond-beneden, waardoor het leven en het licht uit hem wegvloeien en hij de neiging gevoelt om zich over te geven aan de kracht met de leeuwenkop. 

In die zuigkracht opgenomen bemerkt hij hoe hij tot een willoze wordt, een ontkrachte, een dode materie waarmee de aanvallers de spot drijven. 

U kunt dat in het Evangelie van de Pistis Sophia nalezen. 

Van alle zijden tracht men de kandidaat zijn lichtmantel te ontnemen en hem te hullen in de schijn-lichtkracht van de macht met-de-leeuwenkop. 

Hierdoor wordt deze kandidaat van het Licht der Lichten af-gesloten en dreigt onder te gaan in de verstikkende omarming van de leeuwenkracht, die hem vult tot in alle vezels van zijn wezen. 

Hij wordt één van hen, één van de aeonen, één van de trawanten der leeuwenmacht, en hij kan het Licht der Lichten niet meer herkennen en terugvinden. 

In deze tijd van verbreking en vernieuwing spannen de saturnale machten zich samen om de mensheid te nagelen aan de materie en de kristallisatie. 

Daarom moet de kandidaat-op-het-pad op zijn hoede zijn, dat hij niet gegrepen wordt door een dogma, waarin het zaad van de verstening reeds besloten ligt. 

Altijd weer zal hij erop bedacht moeten zijn dat iedere bewustzijnsverruiming in hem, en ieder nieuw inzicht een stap vooruit kan betekenen en dat stilstand het gevaar medebrengt van verkilling, sleur en dood.

Iedere kandidaat zal dan ook steeds proberen levend te blijven door zich open te stellen voor de impulsen in het universum, door zich te verdiepen in de beweeggronden achter het wereldtoneel en door zich op de hoogte te stellen van de vorderingen der onderzoekingen op alle gebied. 

Hij weet dat het ritme der historie nauw samenhangt met de ademhaling der generaties en dat de feiten slechts tijdelijke bevestigingen zijn van hervonden oude toestanden. 

Doch niet slechts van buitenaf kan de kandidaat behoed worden tegen het wegglijden in de chaotische levenssfeer, vooral van binnenuit moet hij steun vinden om zich tegen de aanvallers te verdedigen. 

Vanuit hemzelf moet er doorlopend een sterke lichtstraal op de aeonische muur gericht zijn, die hem van alle kanten omringt en die hem tracht in te kapselen in de vibraties van het eigen levensveld.

Zo de kandidaat zichzelf in beslag laat nemen door de dagelijkse beslommeringen en vergeet dat hij geroepen wordt tot de doorbraak door de aeonische muur, zal hij een noodlottige verandering ondergaan. 

Het licht van de leeuwenkop vervult hem zodanig dat het uit zijn ogen gaat stralen, zijn woorden gaan ervan getuigen en zijn denken en handelen komen eruit voort. 

Hij geeft dan de indruk van een gekooid dier, dat langzamerhand de herinnering van de vrijheid vergeet, hoewel het heimwee nog in hem brandt. 

Meestal bemerken buitenstaanders deze verandering eerder dan de kandidaat zelf. 

Hij verwijdert zich langzaam maar zeker van zijn gelijkgerichten, zijn broeders, degenen die van zijn Ras zijn. 

Wanneer hijzelf tot de ontdekking komt van zijn gevangenschap bezit hij dikwijls de moed en de kracht niet meer om de dikke aeonische muur af te breken. 

Hij heeft dan zijn beschermende mantel des Lichts verloren en vermag de woorden des Lichts niet meer uit te spreken. 

Al zijn pogingen leiden tot niets en de eens zo machtige woorden zijn geworden tot dode klanken die geen enkele kracht meer bezitten. 

In onze gang op het pad kennen wij deze toestand van tijd tot tijd, wij kennen die krachteloosheid, die benauwdheid, die afgrond van duisternis, waarin wij niet meer bij machte zijn het Licht der Lichten te bereiken!

De enige mogelijkheid om deze afgeslotenheid en deze donkerte te doorbreken is het gedompeld worden in een bad des lichts. 

Het geconfronteerd worden met de trillingen des Lichts op een wijze, die gelijk staat aan het gebombardeerd worden met Lichtflitsen. 

De kandidaat moet een reiniging ondergaan, hij moet genezen worden van zijn angsten, gered worden uit de benauwenis, bevrijd worden uit zijn ommuring. 

Slechts de kracht des lichts kan deze mens bijstaan.

Zo hij ingezien heeft dat de aeonen-trawanten hem van alle zijden omringen en dat zij hem totaal ontledigd hebben, mag hij nooit terneder zitten en wenen, daar hij zelfmedelijden gevoelt. 

Neen!  Hij moet zichzelf dwingen om terug te keren tot het Licht, om zich over te geven aan de werkingen des Lichts, opdat de machtige goddelijke Lichtstraal het pantser der duisternis zal doorboren.

Daarom gevoelt de kandidaat een nieuwe kracht in zich stromen, de benauwenis trekt weg en hij roept uit: "Nog ben ik niet verloren!" 

De weg tot het Licht der Lichten is wederom opengelegd. 

Deze hulp kan echter slechts hij ontvangen, die zijn zijnstoestand herkent, zijn armoede inziet en zijn schaamte toont. 


Deze mens zal zich trachten op te richten op de woorden van de eerste boetezang, en zijn hart zal niet verhard zijn. 

Iedere keer opnieuw wordt de kandidaat der dertien boetezangen in deze benarde toestand gebracht, opdat hij bezwijken zal, opdat hij verharden zal, opdat hij zich schikken zal binnen zijn gevangenis der aeonische muur. 

Een zware innerlijke strijd kent deze mens! 

Hij gevoelt zich omringd door de trawanten van de leeuwenkop; hij weet dat hij hen roept, niettegenstaande zijn ziel schreit om hetgeen verloren dreigt te gaan! 

Zijn leven is één roep tot de aeonen geworden, hoewel de pijn der ziel hem weerhoudt van een totale overgave. 

Hij wandelt voortdurend op de rand van de afgrond. 

Uit zulk een beproeving komt de kreet van de Pistis Sophia voort, een intuïtieve, niet meer te stuiten schreeuw om hulp: 

"O Licht der Lichten .....!" 

In die woorden liggen dan alle angst, alle verlangen, en alle nood van de ziel verborgen. 

Door die schreeuw splijten de muren en de trawanten van de kracht met de leeuwenkop wijken vol schrik terug. 

Zolang de kandidaat, zolang gij, deze kreet nog niet uitgestoten hebt als een laatste redmiddel, als een laatste gil om hulp, zal hij, zult gij blijven wankelen op de rand van de afgrond. 

En zal hij, zult gij, tot uw afgrijzen steeds weer in het vreselijke gelaat van de kracht met de leeuwenkop schouwen, en zult gij doorlopend door angst verscheurd worden. 

Het is waarlijk: de keuze. 

Of het Licht waaraan gij van den beginne geloofd hebt, of die verschrikkelijke leeuwenkracht. 

Leeft het zielebewustzijn in de kandidaat nog, is er nog die herinnering aan het Licht der Lichten, dan is het gegrepen worden door de verslindende macht van de aeonische tegenstander, een pijniging. 

Alles wat hij eenmaal gewonnen had, zal hij voelen sterven. 

Het is de tragedie van de mens, die zo gaarne wil, maar de kracht tot de verwerkelijking en de moed tot de volharding niet bezit. 

Hij is werkelijk bestolen door de kracht met de leeuwenkop, zij hebben hem al zijn Licht ontnomen. 

Hul u daarom als een magische verzegeling in de trillingen van de woorden der eerste boetezang: 

"O Licht der Lichten, in wie ik van den beginne geloofd heb....." 

Puur kracht uit deze woorden, hul uzelf daarmede en voedt uw ziel daaruit. 

Deze woorden vormen de verbinding met het krachtveld des Lichts, onverschillig waar de kandidaat woont of leeft.  

Deze woorden en deze binding zullen hem veranderen in een zoon des Lichts, één die door de dalen der schaduwen wandelt, maar voor zijn geestesoog het land des Lichts gespreid ziet. 

Deze mens leert zich te hullen in de stilte, daar hij een vreemde wordt in deze wereldse dreven. 

Op het moment waarop de kandidaat bemerkt hoe hij geheven wordt in deze beschermende mantel des Lichts, hoe hij opgenomen wordt in de verheven trillingen van het Nieuwe Land, ziet hij ook zijn eenzaamheid. 

Hij is volkomen alleen met zijn weten, met zijn innerlijke ervaringen en hij zal niet kunnen spreken dan tot hen, die zijn taal kennen en zijn doel verstaan. 

Alle andere mensen zullen in ongeloof tot hem opzien en hem bespotten en hem vervolgen en trachten zijn onbegrijpelijke woorden gevangen te nemen in uiterlijke begrippen. 

De aanvallen van de trawanten der aeonen zullen heviger worden, want deze mens kent de ontsnappingsmogelijkheid! 

Zijn ziele-mantel zal echter dichter worden, zijn innerlijk Licht sterker, zijn stap beslister en met het voortschrijden door de aeonen wordt zijn vertrouwen onwrikbaar. 

En allen die hem de berg zien beklimmen en in het dal worstelen en elkander benijden, en elkander bestrijden en tegenhouden, zij zien niet wat hij reeds schouwt en zij weten niet wat hij reeds weet, want zij kennen het eerste begin niet, waarin het einde verborgen ligt en dat bestaat uit de magische woorden: 

"O Licht der Lichten ....." 

Onder hun zelfhandhavend gevecht dreigt de ene strohalm die hen gelaten is, af te knappen en de woorden van den beginne worden tot dode klanken. 

In het stof aan hun voeten zijn de voetstappen van de voorgangers reeds uitgewist door hun verbeten gestreef en niemand kan hen terugvinden. 

Groei als de bloem, het hart omhoog gericht tot de Geestzon, niets anders verlangende dan lucht en licht. 

Sta als een hunkerende in de stralingskracht van het Licht der Lichten en strijdt niet, laat de ziel in u strijden. 

Zo zal de Stilte der Gezegenden nederdalen in u. 

De kandidaat staat daar in ootmoed, terwijl de ziel het pad betreedt tot aan de top van de berg, waarop alle vorm sterft. 

Uit die ziel stijgen de woorden op, die het pad verlichten: 

"O Licht der Lichten, in wie ik van den beginne geloofd heb, lof zij u!" 

Hij gaat voorwaarts, alléén, niettemin verbonden met allen die van zijn Ras zijn. 

En zij die hem vol afgunst zien opwaarts gaan, zij zullen trachten hem neer te trekken in de stof, maar het deert hem niet, want zijn ziel is gericht op de roep: 

"Keer weder, keer weder, Zoon des Vuurs." 

Slechts het Licht der Lichten kent zijn pijnen en zijn benauwenissen en weet hoeveel tranen hij geschreid heeft en hoeveel hartebloed hij gestort heeft om zijn Licht te behouden. 

Daarom, slechts Gij kent mijn noden en mijn zielepijnen, want aan U heb ik geloofd van den aanvang af en Gij zijt het die mij redden zult, O Licht!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene