Een woord over het wonder uit de schoot van moeder aarde

Van oudsher hebben edelstenen de interesse van de mens geboeid en hun uitstraling en werking brachten hem ertoe allerlei wonderbaarlijke verhalen te vertellen over deze "tranen van de hemelen". Een kristalvorm van een mineraal, een edelsteen, heeft eeuwen van bewerking nodig om zijn uiteindelijke schoonheid te bereiken.  

Onder invloed van de vier elementen: water, vuur, aarde en lucht verkrijgt hij zijn specifieke eigen karakteristiek, terwijl de ether zijn ziel erin legt. Aldus vertelden het de ouden. 

De ziel van een edelsteen bestaat uit zijn kristallogie; een octaëder heeft een totaal andere uitwerking dan een trigonaal b.v. Daarnaast hebben de kleur en de chemische bestanddelen een lichamelijk therapeutische invloed. Ook de hardheid van de steen vertelt iets over zijn aard. En ook het soortelijk gewicht spreekt een woordje mee. 

Door de inwerking van de eeuwenlange confrontatie tussen lucht, water, vuur en aarde bouwde zich een stenenlichaam op, dat een bepaalde stenenziel waardig werd. 

Net als bij mensen bevat de ene steen meer lucht, de andere meer vuur, de derde meer water en de vierde meer aarde. Alle edelstenen hebben een adeldomsgraduering en als we hen zouden willen beoordelen naar de maatstaf van Herrnes Tresmegistos dan zou de steen, die het licht het schoonste en werkzaamste omzet, de meest edele steen zijn. 

Al naar het karakter van hun eigen ziel transformeren zij het licht. De lichtloze steen is dus achtergebleven in adeldom, maar kan evenwel een schone steen zijn, in haar eigen soort. "De creaturen worden gerangschikt naar de mate zij zich tot het licht wenden." (Herrnes Tresmegistos) 

Elke schepping en elk schepsel hebben behoefte aan licht. 

Er zijn er die het licht doorlaten, zonder er iets mee te doen, er zijn er die het licht gedeeltelijk dan wel geheel omzetten, en er zijn er die het licht geheel niet toelaten. 

Zo kunnen ook de stenen worden gerangschikt. Indien een steen alle golflengten van het licht doorlaat, dan is hij kleurloos, worden alle golflengten geabsorbeerd dan is hij zwart, wordt van alle golflengten evenveel tegengehouden dan is hij troebelwit of grijs, doch worden slechts zeer bepaalde golflengten geabsorbeerd dan heeft de steen de kleur van het achterblijvende mengsel. 

De kleurnuance zegt dus veel van het karakter van de steen.  

De aanwezige metalen zorgen mede voor een kleurbepaling, omdat deze specifieke golflengten absorberen. 

De fundamentele natuurwet werkt in de steen net zo uit als in het menselijke organisme. De omzetting van licht bepaalt het wezen van alle creaturen. 

Van oudsher kende men drie soorten stenen: de beschermende stenen, de z.g. talismans, de genezende of therapeutische stenen en de magische stenen. 

Het geloof in edelstenen is voornamelijk gebaseerd op de uitstraling of de trilling. De gehele schepping berust op de aantrekkings- dan wel de afstotingskracht van de trillingen van elk scheppingsonderdeel. Gelijke trillingsvelden trekken elkander aan (sympathie), tegengestelde trillingsvelden stoten elkaar af (antipathie). Volgens deze grondwet beoefende men vroeger de geneeskunde met behulp van sympathieke dan wel antipathieke natuurvoortbrengselen. 

Hierin hadden de stenen een voorname rol. In de loop der tijden ging echter het oude weten verloren en benutte men de edelstenen voornamelijk als sieraad, meestal voor profane doeleinden. Men hield totaal geen rekening meer met de ziel van de steen en bewerkte hem zodanig dat hij ter meerdere glorie van het ene of andere object, ofwel de mens, kon dienen. 

Door zulk een bewerking werd de steen dikwijls aan grote spanningen blootgesteld, die zijn uitstraling beïnvloeden en zijn karakteristieke ziel naar de achtergrond drongen. 

Ook ging men ertoe over hem te combineren met metalen en/of mineralen, die in het geheel niet bij hem pasten en zijn werking ondermijnden. 

Net als met het goud, het meest edele metaal, populariseerde en degradeerde men de edelstenen dermate, dat hun werking soms tot een vloek kon worden. Zowel het goud als de edelstenen behoorden eens tot natuurproducten, die men om hun adeldom benutte bij heilige, genezende dan wel hoogstaande praktijken. 

Elke edelsteen werkt en reageert volgend zijn eigen kristalvorm of ziel. De edelste stenen hebben de edelste zielen. 

Volgens de alchemisten vormden de stenen zich onder inwerking van de planeten en waren zij het uiteindelijke resultaat van de ontmoeting tussen water, vuur, lucht en aarde. 

De stenen van het vuur zijn de rode, die van de lucht de blauwe, die van het water de kleurloze en die van de aarde de gele stenen. Hun aard is dienovereenkomstig: de rode zijn warm, de blauwe zijn koud, de kleurloze zijn vochtig en de gele zijn droog. 

Overeenkomstig aan deze zienswijze gebruikte men hen als therapeutische stenen en genas dus koorts met koude of droogte met vochtige stenen. De ingeschapen liefde tot het gelijke maakt dat iemand sympathiseert met bepaalde stenen, terwijl andere stenen zijn antipathie kunnen opwekken. 

Ook een organische of psychische behoefte kan iemand ertoe brengen zijn sympathie op een bepaalde steen of kleur over te dragen. De spontane keuze van bepaalde kleuren of edelstenen zegt dus altijd iets van iemands karakter of momentele toestand. 

Edelstenen bevatten de eeuwenoude krachten en trillingen van de aarde en juist deze kunnen die bepaalde werking aan de steen verlenen. Ook kan een steen zich vullen met de trillingen van zijn drager, zodat veelal afgeraden moet worden stenen van anderen over te nemen. 

Een ziekte kan zich zo gemakkelijk overdragen. Ook bepaalde karaktereigenschappen kunnen op deze wijze van de ene mens op de andere overgaan, zonder dat de betrokkene beseft wat er met hem aan de hand is. 

Paracelsus meende dat de edelsteen de meest volmaakte vorm is waarin de natuur kleur, klank en trilling vrijmaakt. Daarnaast bezit de edelsteen een geur, die zijn uitwerking op de mens niet mist. 

In 1757 heeft een zekere Dr. Olëus Borrichius een smaragd, een hyacint (bruinrode zirkoon), een saffier, een robijn en enige parels, tot een fijn poeder vermalen. Dit verbreidde in de kamer de heerlijke geur van maartse viooltjes. 

Voor elke filosofisch ingestelde mens zal dit feit volkomen vanzelfsprekend zijn, daar de oudste filosofen reeds wisten dat een ziel een geur bezit, en dat de meest edele ziel de meest welriekende geur kent. Hierbij kan men denken aan de geurtherapie, aan de welriekende offers voor de goden en aan al die verhalen over de geurende zielen van gestorven heiligen. 

In het Boek Henoch zegt God dat Hij de geur in de ziel legt. 


Tot de volle edelstenen worden gerekend: 

de diamant; 

de smaragd; 

de robijn 

en de saffier, 

hoewel men later nog een vijfde steen hieraan toe voegde, en wel de edel-opaal, omdat deze een voorbeeld was van het samengaan van de vier elementen: vochtigheid, warmte, droogte en koude en slechts een kleine disharmonie deze viervoudige eenheid zou kunnen verstoren en hij zo kon worden tot een ongelukssteen, een steen van strijd en ijverzucht tussen de vier elementen. 

Alle andere stenen zijn eigenlijk z.g. half-edelstenen. 


Moge dit boek ertoe bijdragen dat mensen begrip krijgen voor de ziel van de edelsteen, die één der schoonste kunstwerken is, die Moeder Aarde na eeuwenlange weeën heeft voortgebracht. 


*) Das Buch der Geheimnisse Henochs. Uitg. Ercee.

1970 - 2024, copyright Henk en Mia Leene