De Waterman en de Saffier

Hildegard von Bingen

De Saffier is warm. Hij groeit rond de middagtijd, als de zon in haar gloed in die mate brandt, dat de lucht door haar gloed een beetje dampig wordt en dat de glans van de zon wegens haar uitgestraalde overgrote hitte slechts zo door de lucht dringt, dat zelfs deze glans onder deze omstandigheden niet zo vol straalt, wanneer dit het geval zou zijn, als de lucht wat is afgekoeld. 

En daarom is hij ook troebel en eerder vurig dan luchtig of waterig; en hij vertegenwoordigt de volle liefde en de wijsheid. 

Een mens die het "vel in het oog" heeft (staar), moet de Saffier in zijn hand houden, hem met de hand of door het vuur verwarmen, en het vel (huidje) in zijn oog met de vochtige steen beroeren; zo moet hij dit drie dagen 's morgens en 's avonds doen, en het "vel" zal verminderen en geheel verdwijnen. 

En iemand wiens oog door pijn rood is geworden en "seregent" (pijn doet) of wiens oog zwak is geworden, die neemt de Saffier in zijn mond als hij nuchter is, zodat deze van zijn speeksel vochtig geworden is; dan neemt hij met zijn vinger wat van dit speeksel en bestrijkt daarmede zijn ogen, zodat er ook iets in zijn ogen komt. 

Zij zullen geheeld en klaar worden.

Het nieuwe leven zendt zijn voorboden uit; in de etherische sferen wordt de wedergeboorte reeds gevierd, slechts de stoffelijke bevestiging ontbreekt nog. 

IJzige winden, sneeuw, vorst en bladloze bomen kunnen de hoop op de hernieuwing niet meer verjagen, alles leeft naar de doorbraak toe en hoe meer men daar in gedachten mee bezig is, des te sneller gaan de laatste beproevingen voorbij. 

Het is volop winter; uiterlijk lijkt de natuur dood, maar innerlijk gaat het veranderingsproces verder. De mensen zijn optimistischer geworden, want de kortste dag is voorbij, nu wordt uitgezien naar het voorjaar, naar de periode van de Ram en in de verte lijkt men zijn ongeduldige getrappel al te horen. 

De zintuigen zijn hypersensitief; elke zonnestraal is een voorjaarsbelofte, elke zachte dag de aankomende lente en een te vroeg jong blaadje, dat verschrikt in een witte werèld rondkijkt, wordt enthousiast begroet als de eerste voorjaarsbode. 

Niemand wil meer terug naar het sterven; iedereen staat mentaal reeds in het nieuwe leven. 

Dit is het gezicht van een wijze Saturnus, degene die zijn tegenstand heeft opgegeven, die begrijpt dat zijn stugge geploeter zin heeft gehad, maar ook weet dat hij nu als een ervaren, oude poortwachter de jonge prins toegang moet verschaffen tot het kasteel, dat hij zo lang heeft bewaakt. 

Daarom is hij mild en vriendelijk, scherp waarnemend of hij, die zich aan de poort meldt, wel degene is waarvoor deze zich uitgeeft. Niemand vindt hem nu de ontoegankelijke, wat morrige en onverzettelijke Saturnus, iedereen herkent in hem de vriendelijke oude baas, door wie men zich graag laat raden, bij wie men 't liefst zijn zorgen zou neerleggen, een grootvaderfiguur, die uit eeuwenoude ervaringen kan spreken. 

Dit is Vader Tijd, Chronos, de god El Olam, een oude gebaarde figuur, die vleugels heeft gekregen, de sterke standvastige Saturnus, die op kan stijgen naar de hemelen. Een wonder op zichzelf. 

Hij is de heerser van de Waterman, die zelf ook zulk een figuur lijkt, want hij komt altijd sympathiek, vertrouwensvol en enigszins "etherisch" over; iemand, waarvan men altijd méént dat hij geestelijk of moreel hoogstaand is, en die men dan graag zijn sympathie of vertrouwen zou geven. 

Hij is de mens van de schijnbare of werkelijke wedergeboorte. 

Althans, hij viert deze in gedachten, want zijn denken is altijd een stuk vooruit op zijn realisatie; de praktijk des levens is dikwijls volkomen anders dan hij in zijn verbeelding meent en vooral wenst. 

Een idealistische figuur, deze Waterman, hij bekijkt graag alles door een roze bril, ziet het "licht" en wil niet geconfronteerd worden met wat er allemaal nog gebeuren moet, vóórdat dit "licht" werkelijkheid zal zijn. Voor hem is dat licht er al! 

Ook wat hemzelf betreft denkt hij zo. Hij is al de veranderde, de betere, de "wedergeborene" mens. In zijn hart acht hij zichzelf veel beter, intelligenter, spiritueler dan de naasten; hij doorziet alles en iedereen, hij wéét wat waarheid is en hij gedraagt zich dan ook als een soort uitverkorene. 

Vaak zijn Watermannen uiterlijk keurig verzorgd, houden van reinheid, orde, en trachten ergens, onverschillig op welk terrein, hun gevoel voor wetmatigheid af te reageren. Ze komen enigszins hoogmoedig over, alsof ze een zekere innerlijke standing hebben, die heel dikwijls opgevijzeld wordt door uiterlijk vertoon, zeker bij Watermannen die in hun leven niets bijzonders hebben kunnen verrichten of geen dominerende positie hebben kunnen bereiken. 

Dit tekort vergoeden zij zichzelf door uiterlijke verzorging, soms door veel bla-bla, soms door een hautain zwijgen, waarachter zich hun onkunde verbergt, doch die overkomt als een wijze stilte. 

Hetgeen dan ook zijn bedoeling was. De Waterman is een uitstekende komediant. 

Als hij niet "heilig" is, kiest hij voor schijnheilig. Ten koste van alles wordt geprobeerd een zekere, verkozen, status op te houden. 

Elke Waterman heeft een sterke persoonlijkheid, een krachtige wil, een gedegen optimisme en een onuitblusbaar streven naar het "goede" of het "juiste", dat hij dan natuurlijk met zijn eigen voorstellingen heeft gekleurd. 

Maar denk niet, dat hij van die voorstelling afwijkt. Wat hij méént dat goed is, is goed. Basta! 

Door een voortdurende bezieling om àlles te begrijpen of te doorgronden, is de Waterman een onderzoekend type geworden, doch bepaalt zich bij het mentale onderzoek, bij de theorie, en het overwegen van, "hoe het anders zou kunnen" en "waardoor het zo of zo geworden zou zijn." 

Hij is een theoretisch, dus ook filosofisch mens. Verzamelt graag allerlei opvattingen en leringen, speelt met de gedachte zich ermede te verenigen, maar waagt zich er in de praktijk zelden aan. Daarvoor is hij te "vast", een poortwachter, die aan de poort blijft staan, er eens doorheen ziet, zwetst over wat hij ziet, maar zelf er niet doorheen gaat. 

Als je hem hoort praten, zou je kunnen zweren dat hij zelf in dat Land achter de poort is geweest, doch bij een hard aan de "tand voelen" wordt ontdekt, dat hij praat over wat hij heeft gezien en méént te hebben waargenomen. 

Een vaak indrukwekkende figuur, deze Waterman-poortwachter, maar hij is als de knecht, die zich bijna als zijn meester voelt, omdat hij diens gewoonten en diens verborgen zwakheden kent. 

Hij is echter de meester niet en dat vergeet hij wel eens. 

Het is interessant dat bij hem de saffier wordt geplaatst, een volle edelsteen, niet zo zeldzaam als de andere volle edelstenen, maar toch een volle edelsteen, ver uitstekend boven de andere zodiakale halfedelstenen. 

Daarover zal de Waterman zelfgenoegzaam glimlachen. 

Hij verwacht niet anders. Maar hij wenst over 't hoofd te zien dat de saffier op een diamant wil lijken, maar het niet is, hetgeen duidelijk wordt als men hem met goud samensmelt: uiterlijk een diamant mist hij innerlijk de diamantziel en kenners bemerken dit direct. *) Een "mensenkenner" zal ook de schijn van de Waterman doorprikken, leken trappen er altijd in. 

Als steen van de winterse luchten is de saffier blauw, maar slechts de warmblauwe saffier wordt als schoonheid erkent: de saffier met een warme ziel, die de mens een vrede des harten schenkt, een waarachtige vrede, de vrede van de overgave aan het nieuwe. 

Dat is een lering voor de Waterman. 

Hetgeen lijkt is totaal iets anders dan hetgeen is. Hij moet leren een warmvoelend hart te krijgen voor iedereen, en zich niet alleen te interesseren voor figuren, waarbij hij voordeel kan behalen, of over wie hij kan praten tot eigen roem. 

Een poortwachter ziet zichzelf veelal als een belangrijke figuur, nietwaar, iedereen moet langs hem komen, zoals de knecht of de privé-secretaresse weet dat iedereen zich bij hem of haar moet melden om tot de grote baas te worden toegelaten. 

De Waterman ziet zich een beetje als de eerste bediende van Onze Lieve Heer. 

Zoals de saffier de steen van de vrede, de deugdzaamheid en de waarheid is, zo moet de Waterman streven naar de gaven van zijn steen en er geen genoegen mee nemen een diamant te lijken, zonder er één te zijn. 

Zijn saffier is edel, maar zeker niet uniek! Hij is prachtig als hij saffierblauw is, al zijn andere blauwe nuanceringen zijn niet zo kostbaar, noch zo kenmerkend voor zijn karakter: Het gaat om dat merkwaardige warme blauw. Het blauw dat zijn koelheid opgegeven heeft voor het licht en daardoor een echte saffier werd, direct herkenbaar. 

De ouden noemden deze steen "begiftigd met een erotische uitstraling", omdat hij een hoger liefdesaspect vertegenwoordigt. 

Erotiek is er meestal bij de Waterman niet bij; hij lijkt warm en emotioneel, maar is het niet. Zijn Eros verbergt zich in zijn "liefde" voor zijn ideeën, voor zichzelf, voor zijn geadoreerde figuur. Of voor zijn innerlijke kern, die hij wéét te bezitten. 

Is hij werkelijk spiritueel gericht, dus zonder bijbedoelingen, dan is hij een grootse figuur, onvoorwaardelijk naar het hogere strevend, afstand nemend van al wat "lager" of bezoedeld is, een echte reine saffier, warm door de geestelijke bezieling. 

Een bewonderenswaardige figuur, die wijsheid uitstraalt en die bij nadere kennismaking die wijsheid ook bezit en praktiseert. 

Er zijn ook saffieren in andere kleuren. Deze kleurvariëteiten herkent men in de Waterman aan zijn diverse interessen, waarvan één de door hem meest geapprecieerde zal zijn en waaraan hij zich dan ook zal wijden. 

Maar de naam "saffier" betekent oorspronkelijk "blauw". 

De Waterman ontkomt niet aan dit unieke blauw van zijn edelsteen, al zou hij zelf ook een anders gekleurde saffier zijn. Saffierblauw te worden is zijn opdracht. 

De hardheid is negen, net als de robijn, de steen van de edele Ram, de Michaëlfiguur. Ook de Waterman is evenals de edele Ram een individu, onverzettelijk, hetzij eigenwijs, hetzij wijs. 

Maar zowel de edele saffier als zijn broeder de edele robijn zijn wijs: een heremiet, een vechter voor waarheid, gerechtigheid en vernieuwing. Iemand die zijn medemensen het "licht" overdraagt en bereid is zichzelf daarvoor te offeren. 

Een saffier doet dit mentaal, een robijn doet dit praktisch. Een saffier en een robijn gaan goed samen, zoals de Waterman en de Ram trefpunten zullen hebben, maar elkaar eerst begrijpen als zij beiden wijs en edel zijn geworden. Vóór die tijd wil de ene niet graag voor de andere wijken en samengaan vraagt dan takt, de takt van het innerlijke, verbindende licht. 

De saffier werkt op het hart en de ogen, maakt scherpziende, bevordert ook het inzicht in zichzelf. Hetgeen de Waterman totaal ontbreekt. 

Met zijn rustige uitstraling kalmeert hij spanningen en geneest hart aandoeningen en als men hem "de Steen van de Vrede" noemt, dan moet de Waterman bedenken, dat hiermede de Diepe Vrede van Bethlehem, de waarachtige innerlijke vrede wordt bedoeld, die niets te maken heeft met innerlijke kalmte of schijndevotie en schijnovergave; deze Diepe Vrede is het totale zich wegschenken aan het Licht, zoals de zomerhemel de hete zon draagt en niet zoals de winterhemel, die de zon als 't ware naar buiten werpt en knistert onder zijn stralen, met zijn hard, onverzettelijk blauw. 

Neen, de Diepe Vrede is een totale innerlijke verandering, die naar buiten uitstraalt en die niet teleurstelt bij nader onderzoek. 

Zo zal de saffier de Waterman onderwijzen in de onbaatzuchtige, alles opofferende Liefde, in die totale overgave zonder enige verborgen terughouding. Daarbij zal er vrede in zijn hart zijn, een rustgevende vrede, nu de spanning door het in stand houden van de schijn kon worden afgelegd. 

Kijk naar de adeldom van je steen, Waterman, en let vooral eens op de stersaffier, dan zul je worden herinnerd aan je wedergeboortester, die gedragen wordt door een warm blauw, het blauw van een geestelijke liefde, die alles in allen is. 


*) Als de saffier met goud wordt samengesmolten verandert hij in een heldere steen, flonkerend als de diamant, maar een saffier in zijn kristallogie.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene