De Vissen en de Jaspis

Het sluitstuk van de wedergeboorte, met de ondergang van het oude, vindt nu plaats. Sneeuwklokjes, kerstster, forsythia durven dit restant van een wegstervend oud leven te trotseren om hun blaadjes reeds te ontplooien; voorlopers van de Ram, moedige en vooral optimistische schepsels, die zich volkomen verlaten op de warmte van een herboren zon.

Vogels beginnen te zingen, wolkenflarden laten wat zonnestralen door hun donzige dekbedden schijnen, de aarde begint te herademen. De winter is werkelijk voorbij, hoewel de wispelturigheid van de natuur de eerstelingen van het voorjaar nogal eens doet verstijven in een voortijdige stervensstuip, redelijkerwijze gesproken is het voorjaar in aantocht. 

Maar wat is redelijk?

Vooral in de maanden februari en maart mag de mens geen redelijkheid verwachten, want voordat de definitieve dood toeslaat krijgt de stervende altijd een helder moment, een opleving. 

Met Koning Winter gaat het al niet anders: zijn oplevingen verrassen degenen, die het voorjaar in hun hoofd hebben.

Ook moeders waarschuwen hun kinderen om niet af te gaan op het warme maart zonnetje, want Koning Winter regeert nog zolang er een R in de maand zit.

Onbetrouwbaar is die stervende koning, humeurig, wispelturig, maar meestal niet kwaadaardig.

Het is de koning van de Vissenmens; een stervende koning en daarom zoekt "de Vis" een nieuwe vorst, liefst één die hem begrijpt, aan zijn luimen gehoor geeft en bereid is met hem de etherische beeldenwereld te doorkruisen.

Een stervenstijd gaat gepaard met emoties, daarom is het type van deze tijd emotioneel, laat zich zelden door zijn hoofd leiden, maar gaat vrijwel uitsluitend op zijn hart af. En wat voor een hart! 

Onstabiel, sterk en snel bewogen, meehuilend met de huilenden, meelachend met de lachenden, vrijwel nooit zeker van de eigen stemming. 

Vissen zijn kinderen van de god Oannès, half mens half vis, die volgens de legenden de aarde-mensen onderwees in alle takken van wetenschap, cultuur en kunst. Een wezen uit een bovenaards gebied, bereid de domme aarde-wezens met zijn gaven te dienen. 

De Vissen worden dan ook sterk beïnvloed door een meevoelen, een mede-lijden met hun minder bedeelde naasten, met de lijdenden en met de zwakken. 

Een bewonderenswaardige levensinstelling, doch de Vissen laten zich tè sterk door hun emoties leiden, zo dat zij te nonchalant met hun hulp en hun spaarzaam voorradige energie omspringen. Zij gaan af op hun gevoel. En daar ze wispelturig, ongedurig, zenuwzwak en dikwijls onevenwichtig zijn, bedriegt dit gevoel hen helaas maar al te vaak. 

Een beetje afstandelijkheid, hardheid of intellectuele logica zouden bij hen wel op hun plaats zijn. Vissen zwemmen rond in de oceaan van Ea, de etherische wateren, die echter vooral helder moeten zijn, willen deze Vissen er voordeel van hebben; helaas blijven ze soms in troebele etherische of emotionele wateren rondzwemmen, waardoor ze volkomen van slag raken. 

Zelf nogal onzelfstandige typen, zoeken ze naar een leider of een "school" waardoor of waarin zij kunnen zwemmen. Zijn zij eenlingen, dan zijn zij "roofvissen", doorlopend op zoek naar voordeel, proviand, voedsel om hen te voldoen. 

Er is geen zodiakaal teken dat zoveel verschillende soorten kent als de Vissen: dit teken omvat immer kleine proviandvisjes, dan wel enorme roofvissen, mooie siervisjes, dan wel lelijke kuitschietende visjes. 

Deze herkent men ook bij de mensen van dit type. En eveneens ziet men dit bij hun edelsteen: de Jaspis. 

Een emotioneel type behoort een steen te hebben, die op hem lijkt, maar hem tevens geneest van zijn zwakheid. Een Vis is een melancholiek mensentype: de zee is zo groot, er zijn zoveel haaien, de zon is soms nauwelijks merkbaar en vissen zijn er om gegeten en gevreten te worden dan wel worden ze zelf tot vreters. 

Neen, het leven is niet zo eenvoudig voor de Vis; hij kan van een luttel iets een probleem maken, zich er totaal emotioneel door uitputten en zijn zenuwgestel ermee verwoesten. 

Veel Vissen zoeken daarom troost in een religie, maar een innerlijk individueel geloof, opgebouwd uit hun geestelijke kern, bezitten ze zelden. Zij zoeken houvast, veelal aan uiterlijke vormen, aan tekens, die zij menen te herkennen, aan mensen, die zij voor "heilig" verslijten. 

Vaak zijn zij mediamiek en gaan daar ook veelal prat op, ervan uitgaande dat hun etherische gevoeligheid hen de juiste beelden voorhoudt. Hun verbeeldingsleven is sterk, maar helaas dikwijls troebel, zoals het water waarin zij vissen troebel zijn kan. 

Zij voeden zich dan met sensatie of zoeken aandacht door hun etherische beeltenissen uitgebreid te vertellen aan mensen, die zich er meestal totaal niet voor interesseren. Bemerkt hij dat, dan trekt de Vis zich beledigd terug in zijn "hol" en wacht totdat het moment komt, waarop hij op die "onsympathieke" mensen wraak kan nemen, gelijk een inktvis in zijn hol zijn belagers verrast. Kleine, mooie, vriendelijke Visjes worden heel vaak bewonderd, en dat vinden ze heerlijk; maar ook zet men hen dikwijls in een 'aquarium", worden zij de prooi van een verzamelaar, een man of vrouw die hen jaloers bewaakt, hen verwent, maar wel als een privé-bezit beschouwt. 

Er zijn zelden Vissen die tegen de stroom opzwemmen. Over 't algemeen houden zij niet van vermoeiende inspanningen, noch kunnen zij tegen spanning en strijd. Gauw geneigd het ongelijk te erkennen, dan wel een uitgebreid excuus zoekend, of compromissen sluitend, haast hij zich de strijdbijlen te begraven, de conflictstof uit te wissen. Zijn gevoeligheid verdraagt geen spanning. Dat vreet aan zijn zenuwgestel. 

Maar pas op voor de roofvissen! Zij vreten hetgeen in hun buurt komt en vullen zich met de energie en de etherische kracht van hun medeschepselen. 

Elke Vis moet streven naar meer individualiteit, naar redelijk denken en naar innerlijke bewustwording. Hij moet duidelijk gaan zien wie hij is. Zelfkennis is zijn sterkste punt niet, maar dit kan hij aankweken, hetgeen hij ook doen zal indien een geliefde persoon of een bewonderd iemand hem daarop attent maakt. 

Hij moet zich veel minder laten leiden door zijn stemmingen, veel minder laten meesleuren door de "stroom" van wereld- of familie- of vriendengebeurtenissen; de Vis moet leren in zichzelf, in die Vissentwee-eenheid een evenwicht te scheppen. 

Heel dikwijls kan hij n.l. versteld staan over zichzelf, omdat hij plotseling allerlei Vissoorten in zijn eigen wezen herkent, van roofvis tot goudvisje en van de consumptie-haring tot de sierlijke, maar venijnige maanvis. 

Een gecompliceerd geheel, die Vismens, volkomen ondoorzichtig, ook voor zichzelf. 

Net zo ondoorzichtig als de Jaspis, een prachtige steen, met ontelbare variëteiten en vormgevingen, bruikbaar voor alles en nog wat. 

Zijn hoogtepunt lag in het Pisces-tijdperk (analogie duidelijk), nu is zijn populariteit snel achteruitgegaan omdat men talloze Jaspisvindplaatsen kent. Daarom is het ook geen kostbare steen, maar wel een schoonheid, als hij een unicum is. Een werkelijk mooie Jaspis vinden is zaak van de kenner. Ook dat is een analogie. 

Vissen zijn onder alle typen het meest vatbaar voor liefdesrelaties, zoeken altijd liefde (ook vaak zinnelijkheid) en veelal straalt hun uiterlijk zoveel behoefte aan liefde uit, dat er menige teleurstellende liefdesrelatie door ontstaat. 

De kenner herkent direct de meest aantrekkelijke Vis! 

Een andere analogie is, dat veel vis eten de mensen zinnelijk maakt. 

De Vissenmoeder is een zeer bezorgde, soms zelfs overbezorgde moeder, die gek is op haar kinderen en er geen kwaad woord over kan horen. In tegenstelling met de Kreeftmoeder is zij echter niet zo egocentrisch en bezitterig tegenover haar kroost. 

Er lijken altijd meer Vismensen en Steenbokmensen te zijn dan de andere zodiakale typen, dat hoort men nogal eens van gemeenschappen, sekten, kantoren en ziekenhuizen. 

Zo zijn er ook meer Agaten en meer Jaspissen dan de andere zodiakale stenen. Maar de Jaspis is ongelooflijk gevarieerd in zijn soorten. 

De Vismens moet dan ook de soort kiezen die hem aantrekt, alleen moet hij op één ding letten: de steen moet uitgesproken groen, rood, geel dan wel bruin zijn, in zijn specifieke soort moet hij een uitblinker zijn. 

Nooit zomaar een Jaspis nemen. De éénkleurige Jaspis is zeldzaam, maar zou voor de Vis juist uitstekend zijn. 

De kristallen ziel van de Jaspis is trigonaal (3), op zoek naar licht, gevoelig voor licht, hopend op verlossing (3) en geboren uit de vereniging (aggregaat). 

De therapeutische werking van de Jaspis verschilt onderling enigszins, afhankelijk van zijn kleur, maar alle geven zij troost, roepen regens op voor een verdorrende aarde (een vis heeft water nodig). Zoals de Jaspis van het water houdt, zo houdt de Vis van tranen, van emotionele bewogenheid of van gevoelsindrukken die hem in vervoering brengen. Hij is typisch de mens voor de extase. 

Het tegendeel kan ook gebeuren: dan is hij bang voor een tè grote bewogenheid, omdat hij weet dat hij dan op drift geraakt. Hier helpt de Jaspis om zichzelf te leren beheersen. 

De dieprode Jaspis geeft n.l. energie, maakt individueler en vooral bij kleine, zwakke Visjes versterkt hij hun zelfverzekerdheid. 

Roofvissen hebben een groene, of een bruine Jaspis nodig. 

De gele werken voornamelijk op de rede, iets dat een Vis ook goed kan gebruiken. Meestal zie je echter de bontgekleurde, de zebra-, de band-, of de landschap-Jaspissen, grillig in hun tekening, verrassend in hun voorstelling. 

Hij is zacht, de Jaspis, zijn gewicht schommelt tussen de 2 en de 3, maar hij splijt niet! 

De Vismens is weekhartig, kan wegsmelten in tranen, maar barst niet zo gauw, geeft iets niet zo gauw op, daar hij innerlijk bezield wordt door een onrustig verlangen en zijn "weltfremdheit", die herinnering aan een "eigen Land", met begrijpende zielen, steeds levend houdt. 

Hij is taai, maar niet hard. Volhardend, dan wel zeurend over steeds hetzelfde, maar niet direct van zins zijn "gevoel" op te geven. 

Hermes Tresmegistos zegt dat de rode Jaspis bloedstelpend is, dit geldt zowel uitwendig als inwendig. Hij stelpt bloedende wonden èn een bloedend hart. 

Het hart van een Vis lijkt altijd enigszins te blijven bloeden. 

Een kleurzuivere, diepgroene Jaspis roept regen op, troost verdorde harten, neemt bitterheid weg. 

Een bloedrode Jaspis echter, ontsteekt uit zichzelf de vlam op het altaar, bezielt de mens met een sterk idealisme en maakt individueler. Bovendien bevordert een rode Jaspis de bevalling, maar hij moet dan wel zuiver rood zijn, zonder vlekken. 

De groene Jaspis, diep van kleur, gelijkend op een ondoorzichtige Smaragd, maakt de zwijgzamen spraakzamer. 

Dan is er nog de Heliotroop, de schone groene met rode spikkels bedekte Jaspis, zeldzaam indien de spikkels evenredig zijn verdeeld en vrijwel rond zijn. Hij heeft zijn kracht van Boötes en maakt de drager ontvankelijk voor etherische invloeden (voor onevenwichtige Vissen) en geeft voorspellende dromen, dan wel kan hij iemand sensitiever maken. 

Bovendien geneest hij epilepsie, verjaagt sombere gedachten en voorkomt steen- of gruisvorming en werkt ook gunstig op de bevalling. 

Verder beschermt elke Jaspis tegen vergiftiging door water. 

Een leuke analogie is nog, dat de ouden hem voorschreven tegen tè veel zinnelijkheid. 

Jammer dat de Jaspis geen stralende ziel bezit, maar slechts mooi is in vorm en tekening. Dat moet de Vismensen tot een lering zijn. Zij zijn dienaarstypen, zij zullen genoegen moeten nemen met uiterlijke erkenning, met goede posities, prettige plaatsen in de vriendenkring, maar zij zullen geen "leiders" genoemd kunnen worden. Achter elke Vis drijft een andere figuur, een groep, een clan, een sekte, een religie. 

De eenling, nogmaals, is een "vreemdeling" onder de Vissen, en hij zal het prototype zijn van een wraakzuchtige, gefrustreerde, niet bepaald door liefde geleide Vis. 

Het beste komt de Vis uit in gemeenschapsleven, in samengaan, in harmonisch begrip tussen medemensen, kortom, een Vis kan fantastisch zijn als dienaar en als weldoener van zijn medemensen, mits hij zichzelf kent en wéét wat voor soort Vis hij is. 

De Jaspis steunt hem in zijn beste zijde, welke Vis hij ook zijn mag, maar bedenk wel, dat juist jouw Jaspis de mooiste moet zijn, Visje!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene