De tweeling en de chrysopraas

Hildegard von Bingen

De Chrysopraas groeit in het uur dat de zon zich als geheel aan de blik heeft onttrokken; dan hebben lucht en water in sterkere mate een troebele en "grünvar" (groenachtige) kleur dan anders. 

Daarom heeft deze steen 's nachts een bijzondere kracht, wanneer de maan, van de zon uit, het krachtigst is, d.w.z. als hij half, maar nog niet vol is. 

Daarom heeft hij ook sterke krachten en is van een evenwichtige en gelijkmatige warmte, zodat hij niet al te warm is, maar gematigd. 

Als een mens ergens aan een ledemaat door de jicht wordt geplaagd, legge hij op de betreffende plaats de Chrysopraas, en wel op de blote huid en de jicht zal verdwijnen. 

Als iemand geweldig in toorn geraakt, moet hij de steen zolang op zijn keel leggen tot hij warm wordt, en deze mens zal geen toornig woord uitspreken kunnen tot zijn toorn is geluwd.

De zomer komt in zicht; de zon klimt naar zijn hoogste punt en heel de natuur tooit zich op haar mooist. Om beurten loven de zomerbloemen de gouden godheid, anderen wedijveren met de diepblauwe zomerhemel en weer anderen geuren het verleidelijkste als koning zon op hen neerkijkt. 

Het is het seizoen van de charme, de kleurrijkheid, de vrijheid en het genot. Talrijk zijn degenen, die de gouden heerser willen aanbidden en nog talrijker degenen, die de herinnering aan een koude winter uit hun hart willen bannen. 

Het is het seizoen van Castor en Pollux, de tweeling. De ene speelt op zijn Apollonische lier, de andere draagt de knots van Hercules. Twee tegengestelde wezens strijden om de eerste plaats in de Tweelingmens: de harmonische, spirituele Castor en de energieke, materialistische Pollux. 

Ook hier weer die verdeeldheid tussen het hogere en het lagere. 

Aan de ene kant is de Tweeling verzot op verfijning, cultuur, ontwikkeling, beschaving, een sausje van educatie en kunstzinnigheid; aan de andere kant is hij een keiharde materialist, wéét dat hij zonder financiële welgesteldheid niets kan beginnen en doet zijn uiterste best om dit te bereiken. 

Is hij financieel in minder goede omstandigheden, dan zal hij zo zuinig zijn, dat zijn spaarcentjes hem nog die schijn van welgesteldheid kunnen verzekeren. 

Dit type mens is verzot op het uiterlijk: zoals zijn seizoen zich tooit met een kleurrijke natuur, zo probeert hij door zijn uiterlijk, hetzij in kleding, hetzij in schoon gepraat, zijn medemensen voor zich in te nemen. Ook die veelzijdigheid, die de natuur siert, vindt men bij hem terug in zijn uitgebreide, maar veelal oppervlakkige interesse voor allerlei onderwerpen, die hij dan vlot en charmant tentoonspreidt voor kennissen en vrienden, die hem altijd een charmante meid, of een vlotte kerel vinden. 

Maar schijn bedriegt. 

De kwieke Tweeling maakt zelden goede vrienden; zijn hart is te onrustig, zijn gedachten vliegen te snel van noord naar zuid en van oost naar west en hij is tè intens bezig met zijn bestijging van de ene of andere "ladder" (zoals de zon aan de hemel) om lang stil te kunnen staan bij een vaste verbintenis, een diepgaande interesse of een geestelijke verstildheid. 

Zijn zomertijd is de tijd van belofte; de mensen worden hoopvoller, de kommer is vergeten. De Tweeling is dan ook optimist, soms zelfs wat tè oppervlakkig, omdat hij de consequenties van diepgang en vooral van neergang vermijden wij. Dan weer is hij kunstzinnig, geboeid door allerlei vormen van het creatieve leven, dan weer wil hij niets anders dan materiële zekerheid, die hij coûte que coûte (de knots) wil veroveren. 

Er schuilt toch wat levensangst in hem. De angst voor een einde van de kleurrijkheid, een vrees voor het doorschouwen van zichzelf en een vage twijfel aan de bestendigheid van het heden. 

Maar als Castor hem enigszins dromerig maakt, dan komt Pollux met zijn knots en mept hem eruit, zodat de realiteit, zijn momentele toestand hem weer opwekt om méér te lijken dan hij is, om méér te worden dan hij kan en om méér sympathie te vinden bij iedereen, die hij ontmoet. 

Hij is een uitgesproken gezelschapsmens. Een animator en een prettige prater, omdat hij van alle markten thuis is. Iemand die je graag als buurman of buurvrouw wilt hebben, maar niet als betrouwbare vriend of vriendin. Hij is een snel bewogen mens, maar ook die bewogenheid is van korte duur; snel geïrriteerd, snel ontvlambaar, snel geneigd het voor iemand op te nemen, zonder dat er voldoende inzicht is. 

En als hij het voor iemand opneemt dan is het met de knots van Hercules. Maar mag hij iemand niet, dan slaat hij eveneens om zich héen met die vermaledijde knots. 

Hij heeft één laakbare fout en dat is: jaloezie. Jaloezie op allen die hoger stijgen dan hij, op allen die méér sympathie vinden dan hij, op allen die méér bezitten dan hij. Een voortdurende concurrentie-drift jaagt hem op. 

En als Castor hem zijn fout doet inzien dan is hij berouwvol, wekt medelijden, maar slechts voor een enkel moment. Hij is de mens van de stijgende zon, van de langste dag, maar ook van de noodgedwongen zonsondergang. Ook zijn leven kent zulke ups en downs: zo is hij hoog gestegen, zo smakt hij naar beneden. 

Dat belet hem niet nogmaals een klimpoging te ondernemen. Want vluchtig is hij in alles, ook in leren. Hij leert gemakkelijk en vergeet gemakkelijk. Dat wil niet zeggen dat hij gemakkelijk vergeeft. Er zij Tweelingmensen van wie men zegt dat ze "met alle winden meewaaien", maar dat is wel zijn slechtste zijde, veel meer kan hij neigen naar fel fanatisme: ik zal en moet omhoog komen. 

Ook zijn zwakte om iedereen te vertellen wat waar is, wat ze doen moeten, hoe ze het beste vooruit kunnen komen en zelfs wat bemoeiallerig zich ermede bemoeien, kan de Tweeling dwars zitten. Want hij is de mens van het gezellig praten en vooral, alles willen uitleggen. Wie hijzelf is, hoe hij precies denkt, blijft meestal in het onduidelijke, want hij vormt zich nooit een definitief standpunt. 

Een medemens kan hem dusdanig beïnvloeden dat hij voor de volle 100% omdraait en dan zal hij zijn nieuwe, tijdelijke gezichtspunt even fel verdedigen als zijn vorige. Vervelen doe je je nooit met een Tweeling. Hij zal wel vrijwel altijd klagen over zijn "gebrek aan tijd", want hij heeft altijd zoveel te doen (met zijn mond) en zoveel dingen te onderzoeken (oppervlakkig) en bij zoveel mensen moet hij nog in de gunst komen. 

Eigenlijk zou hij meer tijd moeten vrijmaken voor een bezinning. 

Castor zou hem sterker met zijn harmonische hemelmuziek moeten beïnvloeden, zodat zelfs Pollux geboeid zijn knots zou laten zakken. 

Daarom past de chrysopraas zo prachtig bij deze Tweelingmens. 

Een appelgroene Chalcedoon, wiens Griekse naam eigenlijk "goudprei" betekent. Er is géén steen die zulk een appelgroene kleur heeft en daardoor zo direct in het oog springt. Maar de chalcedoon heeft nog een bijzonderheid: zijn lichtweerschijn. 

Laat men kunstlicht op hem vallen dan licht hij van binnenuit met een sympathieke, het gemoed verzachtende, glans. Dat is het specifieke kenmerk van de chrysopraas. 

Zelden vindt men zuivere, ongevlekte stenen en meestal zijn ze ondoorschijnend. Maar de mooiste is van binnenuit lichtend, zijn ziel blootgevend en vooral: iedereen voor zich innemende. 

De hardheid van chrysopraas is 7, getal van de overwinning en het opklimmen, zoals de zon op de langste dag. Op naar de overwinning! 

Maar daar het hier een maangetal betreft, is die streberei niet zo hard als hij lijkt. In de Tweeling is Castor de verzachtende, degene die Pollux van tijd tot tijd ontwapent. Op zo'n moment kan deze mens als zijn chrysopraas lichten, met een zachtgroene kleur, de kleur van het middelen, het verzoenen en het mededelen terwille van een humane hulpverlening. Dan schijnt hij van binnenuit; een edelsteen. 

Maar pas op, als Pollux het voor het zeggen heeft, dan is hij scherp, soms zelfs kwaadaardig en vooral op eigen gewin uit. Dan is het de vuil gevlekte, ondoorzichtige chrysopraas, die men meer vindt dan de doorschijnend lichtende exemplaren. De chrysopraas heeft een trigonale ziel, hij wordt door scherp denken (3) geleid en vooral zoekt hij op alle mogelijke wijzen verlichting. Hij vecht zich een uitweg naar zijn schoonheid. 

Te veel hitte is niet goed voor de edelsteen, noch te veel zonlicht. 

Ook de Tweelingmens moet men niet onder te sterke spanning zetten, niet boos maken, noch te veel opwinden. Hierdoor verliest hij die sympathieke, prettige uitstraling, waarop hijzelf en anderen zo gesteld zijn. 

Een chrysopraas kan zijn kleur verliezen, denk daaraan, Tweeling! 

Dit kun je niet van alle edelstenen zeggen. Het prachtige groen van de chrysopraas is eigenlijk een harmonische vermenging van het redelijke geel (Pollux) en het intuïtief hemelse blauw (Castor). Beide zijn hier op hun best. Zodra hierin een verandering komt wordt het appelgroen vuilgroen, gifgroen, vitriool, dat slechts door de diamant wordt verdragen, maar dat zwakkere typen vernietigt. 

Denk om je vitriooltong, Gemini! 

De hardheid van de chrysopraas is een aanwijzing voor de Tweeling, dat hij zich op één doel moet richten, waarbij zijn trigonale ziel (3), vol met microscopische aggregaten (veelvoudigheid), vertelt dat hij behoefte heeft aan licht, verlossing en ook aan realisatie. 

Maar een realisatie door en met licht, het kenmerk van het getal 3. 

Groen is de kleur van een heilige natuur, een Pollux die zich in dienst stelt van Castor. In het groen van de chrysopraas is de zachtgele toon duidelijk waarneembaar, de kleur van de rede, de intelligentie, het verlichte denken. 

Een prima opgave voor de Tweelingmens. Want hij denkt zo graag en zo vlug. 

Therapeutisch helpt de chrysopraas tegen hoge bloeddruk en maakt evenwichtig. Een uitgezochte edelsteen voor jou dus, Tweeling! 

Hij werkt op de hersenen en maakt bedachtzaam en zwijgzamer, heft waandenkbeelden op. Dit alles doet de goudgroene, lichtende edelsteen. 

Een chrysopraas, voortdurend op de blote huid gedragen, maakt zijn drager wijzer en vooral, helpt hem tegen allerlei soorten levensangst. Ook dit is iets wat de Tweeling nodig heeft. Zijn veelzijdigheid kan ook wel eens uitmonden in een voortdurende twijfel aan zichzelf, die hij echter door allerlei uiterlijke schijn tracht te bedekken. 

Een mooie chrysopraas kan licht geven in de duisternis. Ook een Tweelingmens kan zulk een lichtbron zijn voor pessimistische mensen of temidden van een groep verveelde mensen. Maar hijzelf moet hiervan leren dat zijn edelsteen, met dat voortdurende zachte innerlijke licht, géén dwaallicht volgt, maar in zichzelf, zijn innerlijke vlam, gelooft. 

De edele chrysopraas trekt zich niets aan van de onzekere Pollux, Gemini-mens, die zich slechts zeker waant in gezelschap van zijn knots. Eenmaal het licht veroverd, blijft dit licht in je steen branden. 

De chrysopraas is tegelijk warm en koud. Kan het welsprekender? 

Zijn gaven ontvangt hij van Mars en van de Noordelijke Kroon, die hem doorlopend doorlicht. Mars schenkt hem zijn moed, als van een zichzelf offerende Michael (hogere Mars) en van de geestelijke Venus ontvangt hij zijn groene straling, terwijl de Noordelijke Kroon zijn leidende licht in hem legt. 

Je edelsteen, beste Tweeling, maakt je optimisme blijvend, zelfs wanneer je moet afdalen, of wanneer je terug moet treden, wat een aanleiding voor depressie kan worden. 

Hij laadt je energie bij (hetgeen je hard nodig hebt, want je gaat er te nonchalant mee om) en werkt eveneens tegen astma, vooral als deze uit nerveuze spanning ontstaat. 

Een edele chrysopraas verzacht je, Gemini, en helpt je herinneren aan Castor met de lier, hij die de harmonie van de kosmos kan weergeven, een kunstzinnige boodschapper, die tegelijk een lichtdrager is. 

Draag je steen, en je zult rust vinden, onrustige mens.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene