De twaalf namen Gods

Een van de oudste overleveringen is die van de twaalf grote namen Gods, die ieder een kracht aanduiden en vertegenwoordigd worden door twaalf edelstenen. 

Zeer frappant is, dat de betekenis van de goddelijke naam specifiek die kracht symboliseert, die eveneens in het zodiakale type van de betreffende edelsteen aanwezig is, als één van zijn sterkste zijden, dan wel als één van de gaven, die hij sterker zou moeten ontwikkelen om tot een harmonische mens te worden. 

De therapeutische, theologische, magische en morele betekenis van de edelstenen komt uit een versluierd verleden, waar hogepriesters nog edele, moreel hoogstaande figuren waren, die de magie met piëteit en gewetensvol beoefenden. 

De oudste vermeldingen van het ceremoniële gebruik van edelstenen komen uit Egypte, genoteerd in de papyri, waar zij genoemd worden als amuletten, rituele, magische, medicinale en offerstenen. 

Het karakter van de edelsteen bepaalde het doel waarvoor hij werd aangewend. Volgens de Kabbala, die beslist niet een exclusief Hebreeuws geschrift is, symboliseerden de twaalf stenen van de Rational of de borstlap van de Hogepriester, de twaalf goddelijke namen. Zulk een met stenen bezaaide priesterlijke borstIap werd eveneens gevonden bij de opgravingen onder de stenen van Stonehenge, wat bewijst dat dit gebruik van het dragen van twaalf edelstenen tijdens ceremoniële plechtigheden uit voor-christelijke tijden stamt en dus z.g. heidens is. 

In diverse hedendaagse religieuze gebruiken heeft men deze gewoonte nagevolgd, met soms hier en daar een herschikking van de stenen, maar de oudste vermeldingen zijn toch de meest waardevolle, daar zij het dichtste staan bij "de tijden toen de goden op aarde rondwandelden en de mensheid de betekenis van de stenen overdroegen." 

Volgens de Kabbala behoorden de volgende stenen bij de twaalf grote namen van God: 

  • Melek = Koning - Sarder of Sardonix 
  • Gomel = Beloner - Topaas 
  • Adar = Magnifique - Smaragd 
  • Eloah = Sterke God - Robijn 
  • Haïn = Oog of Fontein - Saffier 
  • Elchaï = Levende God - Jaspis 
  • Elohim = Sterke Goden - Carneool 
  • El = Kracht - Agaat 
  • laho = God - Amethist  
  • Ischgob = Verheven Vader - Chrysoliet  
  • Adonaï = Heer - Onyx 
  • Idovah = Ik ben die Ik ben - Edelberyl 

Deze namen hebben een spiritueel, religieuze betekenis, die als gave in de betrokken mens (hier twaalfvoudig in de Hogepriester) aanwezig zal zijn. 


De Sardonyx (soms Sarder) is de edelsteen van het Uiterlijke Geloof; de trilling maakt schijnbaar religieus en bevordert de offerande van uiterlijk bezit terwiIIe van de verheffing van of de sympathie voor het eigen zelf. 

Dit geloof wordt ook het materiële geloof genoemd. 

Het Weegschaal-type kan dit nalezen bij de behandeling van zijn teken en steen. De geschiedenis van Polycrates is hier frappant. De éénkleurige roodbruine Sarder wakkert deze neiging nog sterker aan dan de Sardonyx, die zijn witte strepen, zijn universele "blik" of het zich afwenden van eigenbaat, bezit. 

De benaming "koning" kan de Weegschaal ook ter harte nemen als: Koning over zichzelf worden en vooral over zijn zwakte: het meebewegen. 

Een waarachtige koning heerst door innerlijke gaven en niet door uiterlijk vertoon. 


De Topaas vertolkt de Onthechting, een gave die de Kreeft hard nodig heeft, want zijn vastklampen aan verleden, familie, kinderen, enz. bemoeilijkt zijn leven en kan hem tobberig en vooral bemoeiallerig en heerszuchtig maken, uitsluitend uit angst de grond onder zijn voeten te verliezen. 

De naam "beloner" leeft onbewust in de Kreeft, daar hij voor al zijn bemoeienissen graag dank, beloning of een compliment ontvangt. Dat verlangen naar een "beloning" dringt hem "goed" te doen. 

Wil hij waarlijk de "hoge beloner" zijn dan zou hij zijn geliefden, zijn herinneringen, zijn gewoonten los moeten laten, onthecht door het leven gaan en zichzelf en anderen de vrijheid van het experiment gunnen. 

Want slechts het levensexperiment maakt wijs. 


De Smaragd staat opnieuw voor Geloof, maar nu op een totaal ander niveau en wel het spirituele of Abstracte Geloof, een geloof dat geen uiterlijke bewijzen nodig heeft, noch ceremoniën. 

Dit Innerlijke Geloof is uniek en het is vanzelfsprekend dat daarvoor de Smaragd wordt genomen, daar hij de edelsteen is van de hoogste menselijke geloofsbelijdenis, het van binnenuit tot zich trekken van de geest. 

De Smaragd is de streefsteen van de Boogschutter, de mens die zoveel twijfelt, geïrriteerd wordt door allerlei uiterlijke belemmeringen. Hij kan zichzelf totaal daarvan genezen door een innerlijke Geloofszekerheid aan te wakkeren, die hem in beginsel zal worden aangereikt door de Edelopaal, maar die zijn bekroning vindt in de Smaragd. 

Niet voor niets staat deze eenmalige edelsteen voor de benaming "magnifique". Een mens die tot Smaragd geworden is heeft een "magnifique" aura, lichtend groen, als de middelaar tussen natuur en geest. 


De Robijn staat voor de Liefde, en wat voor liefde! 

De opofferende, niets vragende, zonder voorbehoud alles gevende liefde; de liefde van een Michaël die de draak verslaat, de liefde van een bezielde pionier, die zichzelf offert terwiIIe van zijn medemens. 

Ook hier spreekt de naam "sterke God" voor zichzelf. 

Iemand die zich zo kan "offeren" kent geen zwakke zijden, geen verleidingen, geen pervers dan wel geraffineerd ego. Aan hem kan niet worden getwijfeld. 

De Ram ziet hier zijn streefsteen en zijn streeffiguur. Een "voorganger" van de "kudde" die de beste kruiden zoekt, de wolven verre houdt, giftige planten afschermt met zijn eigen lichaam en zeker en onvervaard de weg naar de hoogten, waar de meest grazige weiden zijn, zoekt. 

Dit principe is in alle Rammen enigszins aanwezig, doch het moet veredeld, verspiritualiseerd worden. 


En dan de Saffier, de edelsteen van de Hoop, de edelsteen van de ontsluierende blik en van de altijd sproeiende fontein. 

De Waterman kent dat gevoel van "vergezichten die hem kond doen", hij kent dat gevoel van "een innerlijke fontein", maar hij vergist zich dikwijls in zijn vermeende gezichten en zijn vermeende fontein. 

De Saffier spiritualiseert hem, maakt hem scherper van blik, geeft hem onderscheid tussen schijn en werkelijkheid en bevordert die onvolprezen aanwezigheid van een gestadig stromende bron van levend water, waaruit hij zichzelf devoot (Saffier) en innerlijk rein (Saffier) kan houden. 

Een goddelijk oog en een goddelijke fontein zijn twee dingen, die de Waterman hevig begeerd, en die hij kan ontwikkelen, wanneer hij niet van het standpunt uitgaat, dat hij deze al zou bezitten. Want vermeend 'Hebben" vermindert het "Zijn". 


De Jaspis is een levendige steen, veranderlijk, kleurrijk, maar niet doorzichtig of gekristalliseerd. Hoe zou ook zulk een kleurrijke, levendige steen kristallen kunnen vormen, hij is druk bezig zichzelf als mineraal te vormen en brengt het volhardende geduld niet op voor een kristallisatie, een intense reiniging, tot in alle atomen. 

Hij staat voor het tweede aspect van het Geloof, het Mystieke Geloof, een geloofsbelijdenis die uitsluitend op het gevoel afgaat en die een aantrekkingskracht heeft voor de Vissen; een geloof dat exaltatie kan ontketenen, maar ook extase. 

Een geloof zonder rede en gebaseerd op theorieën die de Vissen niet doorgronden (ondoorzichtig), maar die zij op het gevoel aannemen. 

Hier is de Jaspis diepgeel, een warme, niettemin "redelijke" kleur, de kleur ook van een bewust, begrijpend hart. De toevoeging "levende God" moet de Vissen erop wijzen, dat zij niet slechts een "mee"levend mens moeten zijn, het "leven" zoekende in allerlei emoties, maar dat ze een levende "God" moeten worden, die gevoel en rede harmonisch verenigt en zichzelf beschouwt als een wezen uit Licht, dat nooit een sensueel aards gericht of dwepend schepsel zal worden. 

Bovendien: Goden bemoeien zich nooit met troebele wateren en als zij deze reinigen willen, behoren ze eerst zelf een "levende God" te zijn. 


De Carneool lijkt wat op de Sarder, maar is meer gelig-rood, heel zacht van tint, veel vleeskleurig, de kleur van Adam, toen God hem de adem inblies. 

De kleur ook van constant leven, van bezielde gelijkmatige kracht, een kleur die drift kalmeert, stormen bedwingt. Het is de steen van de Elohim, de goden die de aarde schiepen, en hij zou in ieder mens aanwezig moeten zijn. 

Hij wekt de lever (leven) tot nieuw leven, geneest suikerziekte (mensen die het "bittere" des levens niet verwerken kunnen) en wordt door de ouden de Adem of de Geur genoemd. 

Het is de steen die het dichtste staat bij de Sarder of Sardonyx, maar soms irriterend werkt op de Weegschaal, omdat hij aanzet tot "leven", tot de beslissing. 

Deze typen kunnen ook gaan leiden aan de ziekte van de spanning, suikerziekte, opgehoopte onvrede, die door de lever en de nieren verwerkt moet worden. 

De "geur van de ziel" moet weldadig zijn voor God. 

De Carneool is evenals de Sardonyx en de Chrysopraas een Chalcedoonsoort, en bezit de eigenschappen van deze familie: beschermend tegen geesteszwakte en zwaarmoedigheid. 

Het evenwicht bevorderend als de gewone Chalcedoon (grijsblauw) wordt gebruikt, positiviteit aanwakkerend als de Sardonyx of de Carneool worden benut. 

De Chrysopraas, als groene Chalcedoon, is lichtgevender, werkt tegen jaloezie (eigenschap van de Tweeling) en verzacht, de Tweeling een geur van sympathie gevend, hetgeen hij zo graag wenst. 

Maar dan ontneemt deze appelgroene Chalcedoon hem wel het geel-groene gif van de jaloezie en vervangt dit door dat innerlijke licht, waaraan deze Chalcedoon rijk is. 

De Carneool en de gewone blauwgrijze Chalcedoon missen dit, zij werken voornamelijk op een natuurlijk evenwicht, die echter aan het innerlijke Licht voorafgaat. 

De Elohim, de sterke Goden, schiepen de mens inclusief de ziel, die gelijk is aan prana, Atmoun, Atma, pneuma, en deze "ademende ziel" moet een heerlijke geur verspreiden. 

Weegschaalmensen zijn dol op geur! 


De Agaat behoort bij de "kracht" en staat voor "Heiligheid". 

Een Agaat is "heilig" als hij een lichtend kwartshart bezit. Als hij zichzelf draagt door het "licht", dan is hij één en al "kracht" en behoeft hij zich niet minder te achten dan alle andere edelstenen; ook de Steenbok behoeft dan niet te lijden aan minderwaardigheidscomplexen, noch zichzelf een plaats proberen te veroveren door zijn "werkheiliging", daar hij innerlijk iets bezit dat "heilig", "heel" is, en dat hem van binnenuit doorlopend zal steunen. 

Bij de Agaat behoort eenvoudig "kracht", niets meer, niets minder. Kracht om de bergen van de Steenbok te beklimmen, kracht om de afgronden te overzien, zonder duizelig te worden. Eenvoudig: kracht. Morele, geestelijke en individuele kracht, die uit hemzelf geboren wordt. 

Eenvoud tekent de Agaat en de Steenbok en bescheidenheid is zijn gave, indien deze niet ontaardt in pessimisme en een gevoel van miskenning. 

De waarachtige eenvoud wordt gekenmerkt door "Kracht" en "Heiligheid". 


En dan de Amethist, die niets anders dragen kan dan de naam "God". Drie letters: G = 3 + O = 7 + D = 4 samen 14, in de Tarot de kaart van de Wederbelichaming, de kaart van de geestelijke betekenis van het getal 5 (4+ 1). 

De Amethist staat dus voor God en zijn gave is de Ootmoed. 

Wel, Ram, hier kun je opnieuw je les leren: goddelijkheid, wederbelichaming van mens naar godheid, geschiedt door middel van de Ootmoed. 

De G is mannelijk, de O is geestelijk of eeuwigheid en de D is vrouwelijk. 

De Amethist maakt je ontvankelijker, minder doordrammerig in je verblindheid, en wijst je voortdurend op het innerlijke bezinnen. 

Het is de steen van de rijpende en rijpe ziel, van dat restantje goddelijkheid in de mens. 

Aan de naamsvermelding behoeft dan ook niets te worden toegevoegd; God is God. Eenheid in zichzelf, alles en allen verenigend. 

Hier is het geen "sterke" of "levende" god, neen, de betiteling "God" moet de Ram alles zeggen. Indien hij ootmoedigheid praktiseert kan hij uit dit woord "God" de kracht halen, die hij voor die totale innerlijke verandering nodig heeft. 

Van Ram tot lam. Geen zielige lam, maar het lam dat het symbool van Christus is, een godheid. 

Ootmoed is één van de aspecten die de hoge moed (nooit hoogmoed!) vertolken: hoge moed - moed - ootmoed (deemoed). 

Alles wat met "moed" te maken heeft trekt de Ram aan. Alleen de ootmoed is wat moeilijk te verwerkelijken, niet? 


De Chrysoliet schittert door een opvallende goudgroene kleur, het is alsof het groen gedragen wordt door een fel licht; heel anders dan het groen van de Smaragd dat vriendelijk, toegeeflijk werkt. 

Ook anders dan het appelgroen van de Chrysopraas, dat soms wat week is. 

De Chrysoliet is fel en balanceert op het randje van gifgroen, maar nog net behoudt hij zijn groene schoonheid, een wonderlijke steen. Een steen voor mensen die op het scherp van de snede van het levenszwaard lopen, voor typen die veel met minachting, achterdocht, bespotting hebben te maken, zo zij daar zelf niet aan lijden. 

Die felle kleur lijkt de tint van de kritiek van de Maagd; vlijmscherp analyseert hij, nooit is er twijfel mogelijk, hij gaat zijn gang, gevaren negerend, achterklap en gemurmureer trotserend. 

Zijn steen is als een groen klievend zwaard, gehanteerd door het licht, indien de Maagd een hoogstaand mens is. Dat groene licht straalt naar buiten, zelden naar binnen. 

Is het verwonderlijk dat de Chrysoliet staat voor Waakzaamheid? 

Daarnaast is zijn benaming: Verheven Vader. Een alles ziende, rechtvaardig kastijdende, enigszins arrogante Vader, die zijn positie niet graag ziet aangetast. 

Maar "Verheven Vader" kan ook de klank van eerbied bezitten, degene die men liefheeft en die men tegelijkertijd vereert. 

Maagden zijn individuen, laten zich vrijwel nooit verleiden om hun eens ingenomen positie (in familie, op het werk, in de maatschappij) te verlaten. Wordt hij aangevallen dan sneert dat felle groen-gouden licht over de belagers en menigeen zwijgt onthutst. 

Een koninklijke steen en een steen voor autoriteiten, de Chrysoliet, een steen die de kostbaarste schat "fel bewaakt", en waakzaam zijn "maagdelijkheid", zijn unieke karakter, rein houdt. 

Is de Maagd een leider van mensen, dan "waakt" hij vanuit de hoogten over hun welzijn, als een "Verheven Vader", rechtschapen, eerlijk, zonder compromissen. 

Heeft hij echter zijn innerlijke standing verraden dan wordt hij giftig, van een scherpte die geen enkele edelsteen benadert en die scherpte hanteert hij door zijn tong, dat unieke zwaard. 


De Onyx is een lagensteen, zeer eenvoudig, aangewend voor allerlei doeleinden. Iedereen kan vrij snel beschikken over Onyx, Onyxmarmer, maar de Sardonyx en de wit-zwarte Onyx zijn zeldzamer. 

Zo komt het, dat bij hem slechts de naam "Heer" staat. 

Iedereen kan "Here, Here" roepen. De naam komt men in het volksgebruik, in sociaal gebruik en in de taal van de welgestelden tegen. 

Het woord "Heer" zegt in feite niets. Soms plaatst men de Onyx bij de Steenbok, maar dan wordt geraden uitsluitend een witzwarte Onyx te nemen, daar het wit het zwart van de aarde en de depressie opheft. Hier ook weer die twee tegenstellingen van zwart naar wit, zoals de oude alchemie leert. 

De Onyx staat voor Onschuld en is in deze opsomming wit. Het wit van het afwijzen van het bewogen leven (Steenbok), dan wel het wit van het innerlijke verarbeiden van de levenskunst, die uit àlle kleuren bestaat. 

De naam "Heer" krijgt waarde wanneer hij op een magisch-bewuste toon wordt uitgesproken, dan bestaat er geen twijfel meer wie met deze "Heer" wordt bedoeld. 

Steenbokmensen hebben behoefte aan een "Heer". 

Moge het de Allerhoogste zijn! 


Dan tenslotte de Beryl, hier de goudkleurige Beryl, die het Leeuwentype versterkt in het "Ik ben die Ik ben". 

Het is de steen van de oud-testamentische godheid, die wil dat iedereen hem gehoorzaamt en die zijn luimen afreageert, zoals b.v. bij Abraham en zijn offer van Isaäc, dat tenslotte wordt herzien na het innerlijke lijden van Abraham; hetzelfde doen machtswellustige heersers als zij hun gevangenen voorhouden, dat ze moeten sterven, soms zelfs een pistool afschieten en hen daarna weer terugbrengen naar hun cel. 

De Leeuw behoort bij de Beryl, maar laat het dan de lichtblauwe Beryl zijn, die soms ook vermeld wordt in de rij van godenstenen, n.l. de Aquamarijn, die wat "water" en wat lieflijker straling aan de Leeuw toevoegt en het "Ik ben die Ik ben" wat verzacht. 

Het "Ik ben die Ik ben" is het toppunt van hoogmoed, maar ook van zelfverzekerdheid, uitgaande van de idee dat wat "Ik" doe welgedaan is. 

Het verlangt ook de onderworpenheid van de naasten, of van de "aanbidders en vereerders". 

Een Edelberyl neemt een verheven plaats in onder de Beryllen. Maar de Aquamarijn, die de levenskunst onderwijst, staat vlak onder hem, een heldere, zeer individuele, maar ook zachtaardige 

steen, althans in kleur. 

Het lichte, doorschijnende blauw vertelt van de bereidheid tot luisteren en ontvangen. Deze lhovah zou beter naar de gebeden en de ontstellende persoonlijke vertwijfeling van zijn "onderdanen" moeten luisteren, inplaats van hen aan te zetten tot arrogantie, strijd en bloederige offeranden. 

De Aquamarijn bekoelt de Leeuwen maakt hem helder van inzicht. 

In de reeks van edelstenen en goden namen lijkt de Hyacinth als edelsteen van de Stier te ontbreken, maar sommige versies vermelden deze prachtige roodbruine steen inplaats van de Carneool en dan bewerkt hij eigenlijk dezelfde eigenschappen, maar in spiritueler opzicht. 

Hij bezit de kracht om de bliksem af te leiden, de drift te bekoelen, maar doet dit niet door een beheersing via een natuurlijk evenwicht, de gelijkmatigheid vanuit een organisch-lichamelijke harmonie, maar brengt meer geestelijk evenwicht. Hij is dan ook, in tegenstelling tot de Carneool, helder doorschijnend, een sublieme kristalvorm. 

Een opgave voor de Stier die altijd eerst op het lichamelijk-materiële vlak begint. De Hyacinth (niet voor niets heeft hij de naam van de sterk geurende bloem) maakt, als hij tot poeder wordt verwreven, een viooltjesgeur vrij. 

Zijn ziel is welriekend. De Hyacinth laat de Stier niet meer briesend op zijn doel afgaan, maar bevrijdt hem van die gespannen bezetenheid of concentratie, die geen ruimte voor het "vrije ademhalen" laat. 

Hij is als de bruinrode Adam, een mens van vlees en bloed, inclusief een kristallijnen ziel, die hem altijd ten goede leidt. 

Volgens oude gegevens zag de borstlap van de hogepriester er als volgt uit: 

  • Sardonyx - materialistisch geloof; 
  • Robijn - liefde; 
  • Carneool - geur; 
  • Chrosoliet - waakzaamheid; 
  • Topaas - onthechting; 
  • Jaspis - mystiek geloof; 
  • Amethist - ootmoed; 
  • Chalcedoon - heiligheid; 
  • Smaragd - abstract geloof; 
  • Saffier - hoop; 
  • Witte Onyx - onschuld; 
  • Beryl - wetenschap. 

In de plaats van Carneool staat soms Hyacinth; 

voor Chalcedoon soms Chrysopraas 

en voor Onyx soms Agaat.


1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene