De Steenbok en de Agaat

Hildegard von Bingen

De Agaat ontstaat uit het zand van een waterstroom, die zich van het oosten naar het zuiden uitstrekt. 

Hij is warm en vurig; niettemin heeft hij meer kracht van de lucht en het water dan van het vuur. 

Want wanneer het water van deze rivier afneemt, zodat het strand er droog bijligt, dan wordt een deel van het zand door de zonnegloed en de zuiverheid van de lucht overgoten en zo wordt dit tot een glinsterende steen. 

Zodra dan weer hoog water ontstaat, spoelt het de steen uit het zand en draagt hem naar andere landen. 

Als een spin of ook een slang hun gif over een mens uitgegoten hebben, echter zo dat het nog niet in zijn lichaam is doorgedrongen, dan verwarme hij de Agaat krachtig in de zon of boven een verwarmde steen en legge zo deze verwarmde steen op de betreffende pijnlijke plek, en de steen zal het gif wegnemen.

De nacht wordt het langste, de dag het kortste. In de noordelijke landen blijft de zon een tijdlang onzichtbaar, de goden van de duisternis heersen en zullen trachten het licht van zijn terugkeer te weerhouden. 

Daarom zwegen de mensen in de nacht van 21 op 22 december; het was het tijdstip waarop de goden vergaderden en over het lot van de mensen beschikten. In angstige spanningen wachtten zij op de uitslag en wilden door gebeden en gezangen die oppermachtige goden gunstig stemmen; aan de andere kant werd er door veel lawaai geprobeerd de duistere machten verre te houden, zodat zij ervan verzekerd zouden zijn dat de goden van het licht hun Opperheer opnieuw zouden laten heersen over heel de natuur. 

Deze is in de Steenboktijd aan de duisternis ontsnapt; de Boogschutter heeft het sombere lichaam van zijn paard overwonnen en zijn pijl op de horizon afgeschoten en net voordat hij plaatsmaakt voor zijn opvolger spat die pijl uiteen in lichtende vlammen: het licht zal wederkeren, opnieuw heeft het over het duister gezegevierd, de mensen kunnen gerust zijn, zij zullen door dit licht niet worden verlaten. 

Daarom barsten deze bij het vernemen van deze beslissing in gejuich uit, zingen lofzangen op het licht, prevelen ritualen, doen beloften, die zij niet kunnen houden. Een explosie van emoties begeleidt de wederkomst van het licht, terwijl de kleinere goden, de minder bedeelden, moeten zorgen dat de laatste herinneringen aan duisternis en tegenstand gaan verdwijnen. 

De aarde moet vruchtbaar worden, maar is dat nog niet; hij moet intens zwart zijn, opdat hij straks opnieuw kleurrijk zal worden door de zielen van planten en bomen. 

Harde zwoegers zijn het, die in stilte, voorbijgezien door de lovenden en juichenden, de aarde voor de ontvangst van het terugkerende licht in gereedheid brengen. Zij dragen de slippen van de Opperheer, brengen orde, herstellen het ritme, begeleiden zijn terugkomst, zoals de aardmannetjes zich tot het uiterste uitsloven om de planten en bomen in gereedheid te brengen voor hun groei en bloei. 

De Steenbokmens is dan ook een echt aardmannetje. Meestal vallen ze niet op, doen ze hun werk in de schaduw van de groten dezer aarde of de groten binnen hun eigen kring en rimpelen ze hun voorhoofd bij de wanorde, die deze kunnen scheppen; maar zij bewonderen het licht, de grootheid, de roem en de autoriteit. 

In hun schaduw valt altijd wel een straaltje licht op deze Steenbokmens, die zo gekleurd en uit hun grauwe isolement worden getrokken. Een nijvere bij is hij, altijd bereid duf werk te doen, altijd gereed om op het geroep van de autoritairen toe te snellen, en altijd in de nabijheid van de werkvelden. 

Maar hij is geen gemeenschapsmens, ook geen figuur die graag in het volle licht staat, maar zou wel door noeste vlijt een goede plaats willen veroveren. Daarom werkt hij zo hard. Hij gaat ten onder aan vlijt! 

Hij meent dat de hemel via werken wordt verdiend, maar kan zich zo onder dit werk bedelven, dat het psychisch zijn graf wordt. Als de aardmannetjes in de donkere aarde zoekt hij minutieus de kleine obstakels op en werkt geduldig voort, trouw aan het licht, maar soms volkomen verstoken van dat licht en dit doet hem geen goed, want een Steenbok is ook een mens van de bergen, van de hoogten, die uitzicht bieden op het landschap, een mens die van top naar top moet springen, over een afgrond heen, dan wel zich vastklampt aan steile rotsen, waar niemand anders kan komen, noch wil staan. 

Ja, de Steenbok is in zijn hart een eenzaam mens; iemand die verborgen diepe gedachten heeft, soms goede kwaliteiten bezit, maar er niet in slaagt deze aan zijn medemensen te verkopen. Hij is eerzuchtig, maar dikwijls te bescheiden om deze eerzucht ten volle te bevredigen. Dan kan hij jaloers worden op degenen die in de maatschappij, of in hun streven slagen en wordt hij kleinzielig. 

Laat een Steenbok nooit aan zijn lot over, hij zal gaan tobben. 

Laat hij nooit geïsoleerd worden van vrienden, kennissen of een ideaal, hij zal zichzelf een graf graven en ook dat minutieus doen. 

Veelal ziet hij alles nogal somber in. Dat kan ook niet anders als hij uitsluitend de rots ziet, waaraan hij zich vast wil klampen. Hij moet opzien, de verten schouwen en vooral, die sprong over de afgrond wagen. 

Daarvoor moet hij echter een moment zijn "rots" loslaten en dat is een waagstuk, een moment van bodemloosheid en ongewisheid. Dat haat hij en vreest hij. Hij is ordelijk, soms dogmatisch en vormelijk. Hij kan moeilijk van een eens genomen standpunt afwijken, noch moeilijker iemand loslaten, in wie hij zijn "leider" ziet. 

Hoewel hij in zijn hart een eenling is, is hij toch niet zo individueel; daar is altijd die rots, of datgene of diegene die zulk een rots in zijn leven vertegenwoordigt en dit kunnen zijn werk, zijn positie, zijn levenskameraad of zijn baas zijn, maar iets om zich aan vast te klemmen moet er zijn. 

Deze "rots" kleurt, maakt en breekt hem. 

Daarom is de agaat zo duidelijk de juiste steen voor hem. Er zijn veelsoortige agaten, van allerlei kleuren, en men zegt dat het vanaf de oudheid tot nu de meest gevonden steen is. Uit hem werden de mooiste kunstvoorwerpen, maar ook de meest banale dingen geslepen, dit hing af van de slijper. 

Begrijp je de aanwijzing, Steenbok? 

Toen men het kunstmatige kleurproces ontdekte werd het nog doller, men kon hem op allerlei stenen laten lijken, er de meest gewenste kleuren aan geven. Maar de agaat kan ook, als individuele steen, wonderschoon zijn, een lust voor het oog en vooral rustgevend. 

Als dienaar van het licht is zijn kristallen ziel natuurlijk trigonaal (3). Zijn hardheid ligt rond de 2, zacht en naar binnen gekeerd, zoals het getal aanduidt. 

Overal vindt men Steenbokmensen, die helpen de arbeid te verrichten; overal vindt men agaten, de veel voorkomende, eenvoudige steen, maar ook de steen met verrassingen, waarin men nooit de schoonheid zou vermoeden, die bij het slijpen vrijkomt. Dat slijpen doet het'm! Ook bij de Steenbokmens. 

Bij het doormidden zagen, splijten doet hij niet, ontdekt men zijn kern. Voor de Steenbokmens krijgt hij de meeste betekenis als hij een doorschijnend kwartshart heeft, een lichtend centrum, dat bemoedigt deze vaak zwartgallige mens, zodat hij niet altijd met zijn blik naar de grond zal lopen, of zich uitput om zijn eigen graf met een theelepeltje te graven. Laat het Steenboktype eraan denken, dat zijn dier een schepsel van de bergen is, eenzaam aftekenend tegen de horizon, omstraald door het avondlicht, een imposante figuur, die bij zijn bewonderaars een uitroep van verrassing ontlokt. 

Steenbokken zijn er eigenlijk altijd wel op uit om in een goed blaadje te komen bij degenen voor wie zij werken of die zij bewonderen. Die bewondering is soms hun enige "licht", een dwaallicht. 

Ze lijden gauw aan een minderwaardigheidscomplex, waarachter zij hun miskenning verbergen. Voelen zij zich sterk miskend dan worden ze recalcitrant en komen de hoorns te voorschijn, een bokkepruik wordt voor de dag gehaald en er is geen land met hen te bezeilen. Helaas denkt hij vaak, dat het bereiken van uiterlijke macht en eer en roem, àlles is in dit leven. 

Zo kan hij verstarren in uiterlijke vormen, in de ceremoniën van een geloof, in de hiërarchiale graden van een sekte, om tenslotte te bemerken dat anderen van hem gebruik maakten om naar boven te klimmen. Ziet hij dit in, dan wordt hij dwars, wil plotseling niet meer meewerken en vervalt in melancholie of verbittering. 

Dat is de Steenbok, die zich in de zwarte aarde begraven heeft en de hoop op de wederkeer van het licht heeft verloren, omdat hij het niet meer kan geloven. Zo is hij als de grauwe bruinzwarte agaat, zonder enige andere kleur, zonder lichtend kwartshart, een steen uit gekristalliseerde aarde. 

Neen, de agaat moet kleur hebben. Dan is hij de leraar bij uitstek voor de Steenbok. Hij moet een unieke tekening hebben, en vooral een lichtende kern. 

Deze agaat beschermt tegen zorgelijkheid; Steenbokmensen maken zich dikwijls te veel zorgen over de dingen die zij onder hun beheer hebben en dit kan hen tot een obsessie worden, want hij gedoogt niet dat iets hem uit de hand loopt, alles moet binnen de regels en de perken blijven. 

Verborgen klachten, opgezouten spanningen, opgekropte miskenning, dit alles neemt de agaat weg, maar wel de rustige, natuurlijk gekleurde agaat. Zoek een steen die je mooi vindt, tobberige Steenbok, maar wel een lichtende. 

Een agaat geneest koorts, maar vooral de doorschijnende en de mosagaat, waarin de natuur haar vrede heeft gelegd. 

Het is goed voor de Steenbok om het mineralenspel van de mosagaat te bestuderen, want zijn gedachten zullen daardoor worden verstrooid, hij zal er landschappen, bomen en merkwaardige planten in zien en zo zal zijn wereld groter worden, en hij zal de verten zien die hij zo nodig heeft. 

De naam van deze steen komt van de rivier de Achatas op Sicilië, waar destijds veel agaten werden gevonden. Hun schoonheid was al in de verre oudheid bekend en men gebruikte hen tegen het venijn van spinnen en schorpioenen. 

Hij beschermt tegen gif, ook tegen giftige gedachten en dus eveneens tegen het zelfvernietigende gif van de wrok. Koud van nature, weert de agaat de bliksem af (Steenbokken houden niet van onvoorziene bliksemschichten) en bedaart de stormen (hij houdt ook niet van ruzies, vooral niet met autoriteiten) en verkoelt een driftige natuur. 

De meest werkzame agaat is die, welke donker van uiterlijk is, maar een lichtend hart heeft; hier is weer de tegenstelling zwart-wit, of donker en licht bepalend. Deze steen heeft de kracht om zijn drager te helpen de aardse moeilijkheden te overwinnen, hem moedig en vooral optimist te maken en hem te verzekeren van de tijdelijkheid van zijn beproeving. 

Tegenstanden worden erdoor gereduceerd, bezien vanuit de ogen van de agaatdrager. Het lichtende kwartshart van een mooi getekende agaat is als een lichtend, opgewekt hart, dat gelooft in het geestelijke licht. 

Dit heeft de Steenbokmens nodig, nodiger dan wie ook! 

Een mooie agaat heeft de hemelse gave om het hart te verlichten (in twee betekenissen) en de mens welsprekender te maken, alsof hij spreekt uit een gerust, vredig hart. Bovendien bevordert hij de kuisheid. Dat is sprekend de Steenbok! 

Kuisheid kan zijn: preutsheid, gereserveerdheid, kleinzieligheid, maar ook een serene overgave aan het grote Licht en dit is wat de agaat opwekt. 

Men vertelt dat de adelaar een agaat in zijn nest legde om zijn jongen tegen vijandige vogels te beschermen als hijzelf op jacht ging. 

Therapeutisch werkt de steen ook tegen doofheid (Oost-Indisch doof zijn) en tegen allerlei pijnen, vooral die van reumatische of nerveuze aard. 

Hij versterkt de wil en maakt individueler, indien hij uitgesproken sterke kleuren heeft. Agaten zijn stenen die men moet breken om hun schoonheid te ontdekken, het zijn stenen voor de gesloten, in zichzelf gekeerde mens. 

Koop nooit een agaat met een gat in het midden, d.w.z. een plak van een geode waarvan het kwartshart gebroken is. Voor de Steenbok is deze steen niet goed. Zoek een kleurige, grillig getekende, onordelijke steen, die je uit je starheid haalt, die je doet glimlachen om zijn verrassende kleuren en strepen en die je hart troost door zijn lichtglans, daar waar de Opperheer van het Licht zijn stralen er doorheen zendt. Een steen om voor het raam te zetten, of voor een lamp, zodat iedereen zijn dienstbaarheid aan het licht kan zien en zich erover kan verheugen. 

Als sieraad gedragen moet hij uit zichzelf lichten door zijn kleurenrijkdom, dan zal hij je geluk brengen, Steenbok!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene