Hoofdstuk V

Indien men de wens die C.R.C. ten opzichte van de poortwachter uitspreekt, nauwgezet leest, zal men bemerken dat hij aan velerlei emoties ten prooi valt. 

Hij wil dankbaarheid tonen, omdat hij meent dat zulk een deugd zijn Orde zal eren. Dankbaarheid is op deze zevende dag - op het moment van de beslissing - waarlijk de moeilijkste deugd. Dankbaarheid - met het risico van zelfofferande verbonden - kan slechts die kandidaat bezitten, die een "sprong in het niets" waagt en geen enkele binding meer heeft met de arrogantie van het ego. Op de bodem van deze emotie leeft echter nog de flauwe hoop van het ik, dat door de wens alleen de grote omwending mogelijk ook zou kunnen geschieden. 

Als dan het lot zijn loop neemt en C.R.C. - terwille van zijn Orde een deugd tonende - in de oprechtheid van zijn ziel spreekt, waardoor hij het gevaar voor het ego vergeet en zichzelf aanbiedt als plaatsvervanger, wordt de omzetting een feit. Iedere overweging - zo vlak voor het besluit staande - wordt volkomen weggevaagd door de zielekracht die de laatste resten van het ego ver-ast. 

Dit gebeurt als het ware "buiten de kandidaat" om. 

De enige inspanning is "de wens" die, (hoewel men een andere deugd zou verlangen), "dankbaarheid" boven alles stelt. In dit ogenblik zet de kandidaat zijn schrede op de weg-omhoog, zijn ziele-kracht trekt hem mee, komt hem "twee schreden" tegemoet, gelijk er ook van de Christuskracht geschreven staat. 

In de situatie van C.R.C. staat zijn ego "met de rug tegen de muur", zoals men dit van iedere kandidaat op de achtvoudige weg kan zeggen. Hij ziet geen uitweg meer, en daarom gaat hij voorwaarts. Hij wordt gedwongen voort te gaan. 

De koning zegt dat C.R.C. hopelijk weer snel naar huis kan gaan, "dit zal echter niet kunnen gebeuren voor de bruiloft van zijn toekomstige zoon heeft plaats gevonden." 

Wederom die heenwijzing naar de keten der zielen. Iedere poortwachter moet wachten op de koningszoon, die door de poort gaat. Ook hier weer die treffende vermenging van zielenreacties en ego-overwegingen: "Dit oordeel had mij bijna het leven gekost, hoe dom was ik", en direct daarop gaat C.R.C. voort met het verder vertellen over zijn "zonde" . 

Vanuit zijn ego-standpunt bezien begeeft hij zich zo nog verder op de weg, waarvan zijn ego betreurt die te hebben blootgelegd. Men staat hier voor de ver-assing van het lood en de ervaringen in het stervensvuur van het lagere ego. 

Eenmaal in dit vuur binnengegaan kan de kandidaat niets anders meer doen dan zich daaraan onderwerpen, want het vuur is te machtig en het schroeit die laatste resten van het ego weg. 

Na alle ervaringen voorafgaande aan dit proces is de verwerkelijking van deze lood-omzetting eigenlijk zo eenvoudig. Er zijn geen geheimen meer, geen felle strijd, slechts dat laatste verzet, dat echter volkomen wordt uitgedaan door de ziele-omvatting, die de kandidaat verder drijft. 

Het ego meent: "Dit vonnis kost mij het leven en alles wat ik heb gedaan was nutteloos", niettemin gaat de vuurdoop door. 

Noodgedwongen worden de ziel en het ego, C.R.C. en de oude Saturnus in hetzelfde vuur geplaatst. Daarin sterft hij, denkt de oude mens, en hij is treurig te moede. 

De alchemist beschrijft duidelijk hoezeer de uiterlijke alchemische ervaringen aan het geestesoog van de kandidaat voorbij trekken en hoezeer er in het oude denken van de kandidaat vreugde is, omdat hij zoveel kennis bijeengegaard heeft, zoveel schoons heeft gezien. 

Het ambt van poortwachter is en blijft een minderwaardig ambt en hij hoopt daar op alle mogelijke manieren onderuit te komen, niettegenstaande zijn innerlijke wezen zich al met zijn toekomstige werk heeft verenigd. 

Het tijdelijke denken is niet bij machte zich de taak van poortwachter "in te denken" en blijft spelen met de straf: poortwachter te moeten zijn. Het ziet nog niet de glans achter de poort, noch de grootsheid van de "offerande" waartoe het zich door het drijven der ziel heeft laten verleiden. 

"Dit was de laatste en grootste schok, die ik doorstaan moest." 

Wederom dit besef van "noodgedwongen moeten lijden", die tegenstelling tussen het "ik ben" en "ik verval tot niets". 

Het verkrijgen van kennis, inzicht en waarheid kost inspanning, offeranden en moeiten, maar de allergrootste schok komt wanneer de kandidaat plotseling beseft dat zelfs zijn lijden en inspanningen reduceren tot niets. 

Het zijn de flarden van gedachten, die op het stervensmoment van het "ik" door de mens heentrekken. De twee: Saturnus en de ziel glijden al in elkander over, het oude denken ebt langzaam weg. Het individu wordt geboren in de werkingen van het ziele-vuur, want C.R.C. heeft niemand die hem de weg wijst, zo zegt hij. Hij is volkomen alleen, met slechts de ring van zijn voorganger aan zijn vinger. 

Hij heeft de ring van Saturnus overgedragen gekregen, de machtige beschermende ring van: "tot hiertoe en niet verder." 

De ring van zijn waardigheid als heerser der zodiakale begrenzing. Niets anders dan deze "ring" bezit hij en dit betekent tegelijkertijd "alles" bezitten. 

Niemand bezit deze ring dan hij, die de zodiakale ring beheerst en daarom het teken van zijn overwinning aan de hand draagt. Met deze ring aan zijn hand is C.R.C. de individuele overwinnaar, het autonome individuum geworden, dat in zichzelf alleen, eenzaam is, maar dat een onderdeel vormt van die machtige universele keten, waarbij de koningszonen elkander aflossen, elkander bijstaan, elkander geleiden door de "reis der zeven dagen". 

Als dan de koning uit de nood-wereld afscheid neemt van C.R.C., de ontstegen ziel, die zelfstandig is geworden en geen onderdaan meer is van een middelend rijk, heeft C.R.C. een grens overschreden. 

Zo glijdt de zevende dag achter C.R.C. weg, met het beeld van de jonge koning, die een middelaar voor de ziel was en met al die andere figuren, die er toe bijdroegen dat de ziel haar weg binnen de noodorde of de chaos, vond. 

Er blijven met C.R.C. slechts twee figuren over, die met hem inslapen: Atlas en de Oude. Het verbond tussen lichaam - ervaren ziel - en geest komt tot stand in het moment waarop de kandidaat volkomen in de overgave staat: zich ter ruste begeeft. Dat is het einde van alle weerstand. 

Atlas, de tijdelijke wereld, die wijs geworden is in zijn ervaringen; de Oude, de ervaringsbewuste, die de levensweg der zeven dagen met C.R.C. geweest is; en de lichtziel zelve die met hen versmelt in de harmonie der eenheid. 

Tevoren is het lood gesmolten, de ring aan de vinger is het teken van de bezegeling van de driebond. Nu is C.R.C. waarlijk Thuis gekomen, hetgeen zijn ego niet kon vermoeden, en het versmade ambt van poortwachter zal blijken een ontwaken te zijn in de volle glorie van het Lichtland. 

Sommige uitleggers van het Scheikundig Huwelijk zien deze zevende dag als een grote vergeving en zij menen dat C.R.C. de taak van poortwachter niet op zich behoeft te nemen. Dit is de begrensde opvatting van het ego, dat met de "vergeving" speelt en het poortwachters-ambt miskent. 

In het aIchemisch proces is er geen sprake van "vergeving", maar slechts van ver-assing, en een ondergaan van Saturnus (het lood), waarna de "ziel" huiswaarts keert. Duidelijk is er te lezen dat C.R.C. Saturnus verlost, doordat hij zichzelf in zijn plaats wilde stellen, beter gezegd: zielgedrongen in zijn plaats moest stellen. 

Op dat moment is het proces voltrokken. Er is geen vervolg binnen de begrenzing der zodiakale wereld, omdat alle verdere ervaringen buiten het begripsvermogen van het ego liggen. De plaats van poortwachter aan het hof van de koning kan niet ledig blijven, maar moet altijd ingenomen worden door een "uitverkorene", die alle werkingen van de zodiakale ring beheerst. De wacht van Saturnus moet in handen zijn van hem, die de oorspronkelijke natuur bezit, en daardoor de "tijdelijke natuur" binnen die saturnale ring, tegen het machtige alles verbrandende Licht kan beschermen. 

Medische gezien kan slechts het lood van Saturnus de mens beschermen tegen de onaardse stralingen der mysterie-planeten. Indien, in de opzet van het verhaal, C.R.C. de plaats van de poortwachter niet zou behoeven in te nemen, hoewel de poortwachter reeds is bevrijd, omdat men gehoor moest geven aan de "oude gebruiken", zou er dus op dat moment géén poortwachter zijn. 

Hij, die op deze wijze de tekst uitlegt, kent de alchemie niet. 

Of de poort blijft dicht en er stroomt geen Licht meer toe, òf de poort is onachtzaam wijd geopend, met alle nadelige gevolgen van dien, zoals wij die kunnen constateren in vele occulte experimenten, waarbij lichamelijke deformaties ontstaan. 

Zou de kandidaat, of C.R.C. niet ondergaan, niet omgezet worden, dan behoefde hij geen afscheid te nemen van de koning, want hij zou deze beslist op de één of andere dag wederom ontmoeten. De poortwachter wordt uitgenodigd aan de dis, hij wordt opgenomen in de broederkring, en aan het eind van het verhaal is hij "vrij" om heen te gaan, vrij om zichzelf te verwijderen, op te lossen tot stof, zoals het oude lichaam zich oplost. 

Zelfs de toegevoegde regels: "En hij, die meende dat hij morgen poortwachter zou moeten zijn, is thuisgekomen", zijn een wijsheid voor de alchemist, maar een aanleiding tot strijd voor de onwetende. Poortwachter worden is gelijk aan Thuiskomen, dat is de apotheose van de tegenstellingen die één worden. 

Er ligt de onthutsende tegenstelling van de alchemie in besloten: de lage Saturnus en de reine ziel die thuiskomen. 

Hierop slaan al die alchemische beeldspraken, die men tegenkomt in uitspraken tussen Saturnus en de alchemist: "Ik ben de laagste, hoewel ik de hoogste ben." En: "Ik ben het meest minderwaardige metaal, hoewel ik het rijkste ben." 

Het is begrijpelijk dat de strevende mens de gedachte van "genade" in deze laatste regels meent terug te vinden. "Genade" is voor de dogmatische, binnen de zodiakale begrenzing denkende mens, altijd een "kwijtschelding" . 

"Jezus stierf voor onze zonden." 

Genade betekent voor de alchemist de mogelijkheid tot zieleverlossing door middel van de tijdelijke natuur. De eerste genade is een vorm van secondaire hulp, van onzelfstandigheid. De tweede vorm van genade is een autonome alchemische arbeid. 

De dogmatische christen accepteert de laatste genadevorm niet, maar deze is wel de basis voor de gnostieke opvatting. 

De eerste genade-ontvangenis is de weg van de minste weerstand, de gemakkelijke weg, waarbij een autoritair wezen, een autoritair lichaam de kandidaat binnen zijn bescherming houdt. De tweede genade-ontvangenis is geen feit, dat reeds geschied is, maar een werkzaamheid, die verworven moet worden. 

Genade is als oerkracht aanwezig, maar de kandidaat moet deze oerkracht opwekken. Binnen deze tijdelijke natuur ligt de genade als een hulp des hemels opgetast, maar zij komt pas tot activiteit, wanneer de kandidaat de trilling des hemels gaat aanwenden. 

De trillingen der tijdelijk natuur kennen slechts een "tijdelijke" genade, die altijd door mensen wordt geschonken en daarom nimmer waarlijk zegenrijk kan zijn. Het is evenzo met de "vergeving". De tijdelijke natuur behoeft niets vergeven te worden, zij is zoals zij geschapen is. 

De ziel ontvangt pas vergiffenis wanneer zij is thuisgekomen. 

In verband hiermede kan men het bijbelse verhaal van de "verloren zoon" nalezen. 

Het niet nader vermelden (in het geschrift van Andreae) dat C.R.C. daadwerkelijk aan de poort staat, slaat op de omwending van Saturnus in Christus of het goud. 

Deze omzetting kan niet meer opgetekend worden, want zij is aan het begrip ontstegen en vormt de eind-bekroning van de alchemische arbeid. Het alchemische proces eindigt altijd met de omzetting of met de poortdoorschrijding. 

De grote genade, zoals de alchemist die onderkent, ligt in deze verwisseling van Saturnus en C.R.C. Tot dat alomvattende besef komt de kandidaat echter pas wanneer hij omgezet is. 

Alles wat hij tot op dat moment verstaat is vermengd met de werkingen van de oude persoonlijkheid. Tot aan de omzetting gaat Satanaël mee en bespeurt men zijn activiteit. 

Zoals het geschrift van Andreae merkwaardigerwijze eindigt in een - voor het ego - luchtledig, zo eindigt het alchemisch proces voor het ego eveneens in het onbereikbare niets. 

Moge de alchemische ontmoeting der tegengestelden de spirituele mens leiden tot de eenheid, waarin zich het hoogste vrijwillig bindt aan het laagste, opdat op deze wijze de Genade werkzaam blijft.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene