Hoofdstuk III

C.R.C. is de mens die tot de ontdekking komt dat alle kennis niet tot de verlossing leidt. 

"De som van alle weten is, dat ik niets weet", zijn de woorden van de alchemist. Allen, die zich in zijn gezelschap aan het hof van de jonge koning bevinden, zijn dienaren en aanhangers van Jonkvrouwe Alchymia. Zij zijn alchemisten die naarstig gezocht hebben naar de hermetische Wijsheid: "Zo Boven, zo Beneden." 

Door het gehele geschrift heen treffen wij symbolische getallen aan, heenwijzende naar alchemische formules, aanduidingen en kennis. Alchymia, onder wier heerschappij deze kandidaten leven, prijst hun vastberadenheid, hun moed en hun kennis aan, opdat zij van de koning een beloning zullen ontvangen. 

Waarlijk, de ijverige alchemist is een volhardend mens, een zoeker, en een verstandig man. Daarom zegt de koning: Het is eerlijk en billijk dat u geëerd wordt en daarom kunt u allen een wens uitspreken. Deze wens zal worden ingewilligd, want het is ontwijfelbaar, dat verstandigen een verstandige wens kenbaar zullen maken. 

Daar waar verstandigen ijver en bekwaamheid aan de dag leggen kan de wijsheid echter nog ver weg zijn. Wanneer de horizontaal zoekende alchemist, zich baserende op het verstand, de oplossing van het geheimenis der harmonie wil forceren, komt hij terecht in de afgrond van de uiterlijke hoogmoed. Zijn ijver wil hij beloond zien, zijn kennis moet geëerd worden. 

Het gehele gezelschap gedraagt zich totaal anders dan C.R.C., die zich niet op zijn gemak gevoelt, omdat hij wéét dat hij dezelfde "zonde" heeft begaan als de poortwachter. 

De ware kandidaat weet wanneer hij een grens is gepasseerd en er een scheiding komt tussen hem en al die strevers op het schijnbaar zelfde Pad. Deze scheidingslijn wordt getrokken tussen verstand en wijsheid. 

De poortwachter die zich in hoogmoed en astrologische, d.w.z. saturnale gebonden waan, aan zijn werk vastklemt, wendt alle streken en listen van het arrogante verstand aan om tot hoger aanzien te komen. 

De wijsheid die C.R.C. bezielt, als gave van de ziel, schrijft hij neer in de woorden: "De som van alle weten is niets te weten." Op dat moment dringt het tot de kandidaat door, dat zijn alchemische onderzoek geleid heeft tot een nieuw begin, een overgang van alles weten tot niets weten. 

Wel, in deze woorden ligt ook voor de kandidaat de overwinning besloten. Men gaat van de top van het weten over tot de diepte van het niet-weten. Op de top van de logische rede aangekomen krijgt de mens uitzicht over de omgeving en dan kan hij twee dingen doen: de sprong over de afgrond wagen die hem van het zieleland scheidt, of zich arrogant en waanwijs blijven ophouden op de top van zijn berg der kennis, totdat nieuwkomers hem daarvan verdringen en het dal van de vergetelheid injagen. 

De top van de berg waarop alle vorm sterft, is gelijk aan de schone zaal waarbinnen zich de alchemisten en C.R.C. bevinden. Zij zijn binnengekomen aan het hof van de "jonge koning", en nu valt de beslissing. Men kan feestvieren, zichzelf bedwelmen door het genot van de roem, maar de poortwachter nodigt zichzelf uit om degene uit het gezelschap te kiezen die de plaats aan de poort waardig zal zijn. 

In de ogen van al deze "verstandigen" is hij die Venus beschouwt, een binding met Venus maakt, een "zondaar", iemand die buiten het licht staat. 

Wel, hij die op nieuwe wijze het hart verbindt met de waardige Saturnus, is waarlijk degene die zich buiten het "valse licht", het zodiakaal astrale licht heeft geplaatst. Hij is de "zondaar" aan het hof van de oude koning. 

Evenals C.R.C. gevoelt deze kandidaat zich niet meer thuis in het gezelschap van de zelfgenoegzamen, maar hij gevoelt zich "schuldig", een uitvaller. De wijze Saturnus, de poortwachter die op het punt staat de volledige vrijheid binnen te gaan, is in dit gezelschap een ongeziene, want een "wijze" Saturnus, die zijn lood omzet in goud, is als de Christus. 

En allen, die op het toppunt van hun kennis staan, vernemen liever de Waarheid niet. Zij zouden graag door willen gaan met hun onderzoekingen, zich verbergende achter hun ijver en hun horizontale formules. 

Alchymia, de jonkvrouw, verzoekt de koning het genot van haar ambt te laten voortduren. De alchemie, als leerstelling en als interessante bezigheid moet blijven bestaan, ten eerste om de laffen een masker te verschaffen, en ten tweede om de ernstige zoekers een verlossingsmogelijkheid te schenken. 

De worsteling van C.R.C, zo vlak voor de ontknoping staande, en in het vooruitzicht van de schijnbaar nederige opdracht als poortwachter, is gelijk aan de strijd van Jezus Christus in Gethsémané. Het is het ogenblik vóór de algehele omzetting. De kandidaat, C.R.C., wilde dat hij nooit het bericht van de poortwachter gelezen had. Daarom vraagt hij de koning of er geen andere mogelijkheid voor diens bevrijding is dan een plaatsvervanger. 

"Neen," antwoordt deze, "want al deze dingen hebben een speciale bedoeling." In het laatste ogenblik hoop de kandidaat toch nog de omzetting te kunnen vermijden, want hij, die de leer kent, het Pad doorgrondt, weet wat hij bezit en zijn kennis is een veilige haven, waarbinnen hij zich amuseren kan, zonder de praktijk aan den lijve te moeten ondervinden. Men kan jaren naar de top van inzicht en kennis heenleven, men kan steeds dichter de Bron van Waarheid benaderen, totdat men ervaart dat de ijle grens is bereikt. 

Men kan niet meer leren, meer kennis vergaren, want alle spirituele kennis leidt de kandidaat slechts tot deze ene oplossing: de taak van de Poortwachter. Het overnemen van de arbeid van de poortwachter is gelijk aan het "openen van de poorten des Hemels." 

Iemand die tot de waarheid van de alchemische wijsheid is gekomen, zal dan ook de consequenties van zijn onderzoekingen moeten aanvaarden, de leer in praktijk moeten brengen, wil hij ontdekken of hij gelijk heeft. Zo is het met C.R.C. 

Zijn ervaringen in de zes dagen voerden hem tot de grens van het weten. Zelfs de cijfersymboliek duidt daarop. Hij gaat vanuit de aarde op tot de hemelen. Daarom komt men zo dikwijls de getallen acht en tien tegen. 

Acht is het getal van de poort-doorschrijding, tien is het getal van de vereniging van aarde en hemel, van tijdelijkheid en eeuwigheid. De naam van de jonkvrouw Alchymia verhult het getal 55 en dit getal is zuiver alchemisch en heeft niets met modern kabbalisme te maken. 

Het is het getal waarin tweemaal 5 besloten ligt, alsmede het getal 10. Tweemaal 5 wil zeggen: de 5 planeten van de hemel en de 5 elementen van de aarde. Voegt men deze beide tezamen, dan ontstaat de vereniging van hemel en aarde, aangeduid door het getal 10. Deze aanduiding komt men veelvuldig in de alchemische geschriften tegen. 

Alle alchemisten citeren eerbiedig de Hermetische Wijsheid (leringen van Hermes Tresmegistos) en zij houden zich aan zijn wet der gelijkheid. Immers, en men zal dit kunnen beredeneren: slechts deze hermetische wet sluit de harmonie in. Natuur en geest zijn niet te scheiden! 

Men kan nooit zeggen: "Ik ben Gods openbaring", zonder dat men in diezelfde woorden de eenheid met de schepping bevestigt. Wanneer er in de Heilige Taal staat dat wij het "evenbeeld Gods zijn", dan zijn deze woorden slechts op hermetische wijze te verklaren. Het evenbeeld Gods zijn is een oeroude alchemisch-gnostieke overtuiging. De mens, als reine schepping van het universum, bewaart in zich een vaag beeld van het goddelijke, omdat God zijn stempel op de Oerschepping heeft gezet. 

Het evenbeeld Gods is in de mens aan het vervagen, hij kan niet meer putten uit de reine beeltenis, daarom zal hij de eenheid van "het Boven en het Beneden" moeten herstellen, uiterlijk en innerlijk. 

Deze twee levensvelden kunnen nooit van elkander gescheiden worden, omdat dit heelal leeft door de bezieling vanuit de goddelijke Bron. Deze bezieling kan worden afgezwakt, de trillingen worden verlangzaamd, niettemin blijft de ene Bron van alle Zijn: de Motor in het goddelijke Al. 

Men moet zich altijd baseren op de vereniging van water en zout. Het kostbare hemelse zout, de basis van de edele Mercurius en het hoge Sulfur dat vanuit de kosmos tot de mens komt, dat hij inademt en dat hem reinigt, hem schept, en hem vormt tot die concrete substantie, die de alchemisten "de eerste materia", de chaos noemden. 

De innerlijke alchemie kan niet slagen, wanneer de kandidaat de aanwezigheid van dit hemelse zout in zichzelf negeert, dus wanneer de vaste chaotische substantie, het organische wezen vol van giften is, en het zout zich niet kan vormen, omdat allerlei chemische werkingen, (zich uitdrukkende in tegenwerkende handelingen, gedachten en emoties), de wording van het zout tegenhouden. 

Er zijn twee aanzichten in het handelingsleven van de kandidaat: een reiniging van het zout, d.w.z. de natuurgeboren mens, èn een rein houden van het water: de ziel. De voltooiing der alchemie spreekt immers over een drie-eenheid, gevormd door lichaam, ziel en geest. 

Men kan niet zijn lichaam vergiftigen en het water tegelijkertijd rein houden. De samenstelling van water en zout moet aan zekere voorwaarden voldoen. Zoals de landman weet, heeft regenwater bij onweer een helende werkzaamheid. Deze werkzaamheid is te danken aan het hemelse zout, dat de chemie niet kan samenstellen. De dauw, die de veerkracht der natuur herstelt, brengt de heilzame werking van water en zout op de gepijnigde natuur over. 

Iedere alchemisch gnostieke kandidaat behoort de geheimen der natuur te doorvorsen en te onderzoeken. Religie drukt zich uit in de Kennis der verborgen wetten. Zodra een kandidaat op weg is om het geheim van de ziele-opgang te ontdekken, ontwaakt zijn belangstelling voor de geheime werkingen van de natuur, die spreken van de verborgen werkingen Gods. Maar hoe men ook zoekt, hoe men ook leest en hoeveel inzicht men ook verkrijgt, tenslotte belandt men bij die machtige onzichtbare Bron van alle zijn en van alle niet-zijn. 

God, de stralende Oerbron van het eeuwige Leven. Daarom is de God-lovende alchemist tevens de ontdekker der Waarheid. God, de harmonieuze, ondoorgrondelijke motor van al het zichtbare en onzichtbare Zijn, kan men niet buiten zijn eigen schepping plaatsen. Slechts de arrogantie van het verstand komt op deze mateloze domheid. 

Het doorvorsen en herontdekken van de Waarheid, kan men slechts praktiseren wanneer God-in-de-mens levend aanwezig is! Daarmee is tevens gezegd dat zij, die de intuïtie inschakelen bij hun onderzoek de Bron zullen bereiken. 

Zo moet men zich ook wenden tot het geheimenis in het Scheikundig Huwelijk van C.R.C. Verstandelijke benadering, gewapend met formules der alchemie geven enigszins een idee van de bedoeling, maar blijven steken bij de onthutsende ontknoping in het laatste hoofdstuk. Want de verstandelijke onderzoeker, zelfs al noemt hij zich een alchemist, d.w.z. een onderzoeker der chemische elementen, blijft de astroloog, de gevangene van de giftige elementen en hun planeten. 

De kundige astroloog werpt zijn kennis niet overboord, maar waant zich een alweter binnen de begrensde saturnale ring. 

Slechts de intuïtieve alchemist, astroloog of astrosoof, is bereid zichzelf en zijn kennis te doorsteken en de minste te worden. Dan komt het ogenblik waarop, in nederigheid neerknielende, de waarheid van de woorden van C.R.C. aan hem bewezen worden: "De som van alle weten is dat ik niets weet." 

Om dit te ervaren moet men eerst de verleiding van het "weten" kennen, zoals de gevallen ziel de ervaring van het valse licht moet bezitten om nooit meer te vallen. Daarom mag men de kandidaat nooit weerhouden van enig onderzoek, want zolang de drang tot weten in hem leeft, moet hij verder onderzoeken, totdat hij intuïtief ervaart: hetgeen ik weet overtreft alle horizontale kennis. 

Beseft hij dit, dan dwingt hij zichzelf de volgende fase in, die van de realisatie. Temidden van die ervaringen zal hij aan zichzelf bewijzen of hetgeen hij weet waarlijk alle horizontale kennis overtreft en hem voeren kan over de grenzen tussen verstand en wijsheid heen. 

Dat is het achtvoudige Pad, dat door alle verstandigen "het Pad van de dood" wordt genoemd. 

Waarlijk het is het Pad van de dood van het intellect en de opstanding van de intuïtieve Wijsheid. Het gaat er slechts om, kandidaat, of je waarlijk het rijk van de horizontale kennis moe bent, of je hier smart ondervindt, en of je verlicht wordt door het intuïtieve goddelijke herkennen, want dan is de volgende stap niet zwaar, maar slechts een noodgedwongen overgave aan de aanvaarding van het niet-zijn. 

In dit niet-zijn naar de oude mens, naar de oude wet, vindt je het grote Zijn binnen de absolute wet van Harmonie. 

Zouden wij bij machte zijn je deze eenvoudige Waarheid in te etsen, in je bloed, in je hart, wij zouden het niet laten! 

Nu hopen wij slechts dat je begrijpen zult.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene