Hoofdstuk II

Aan het einde van de zevende dag spreekt Atlas, de gevangen natuurkracht, een rede uit en ontvangen de koning en de koningin een sierlijk kistje, dat door Cupido bewaard moet worden. 

Cupido, de samenbindende trilling die tussen de positieve en de negatieve pool van onze natuur heerst, krijgt het geschenk in bewaring, dat koning en koningin verbinden moet; Cupido, het restant oerkracht in de mens, is de enige die weet dat koning en koningin één moeten worden. *) 

Daarna volgt de zeer belangrijke passage, waarin C.R.C. zegt: "Onze Oude en ik, onwaardige, moesten naast de koning rijden." 

Zo men van de gedachte uitgaat dat C.R.C. en de Oude één en dezelfde persoon vormen, nl. de oude ervaringsrijpe kandidaat en de in hem jonge (hoewel ook oude) herboren ziel, dan is het te begrijpen dat zij beiden de uitverkoren plaats naast de koning mogen innemen. 

Onder leiding van de koning wordt C.R.C. tot aan het mysterie gevoerd, dat hij gaat oplossen. De positieve zonnetrilling, waar doorheen de geestelijke energie vibreert, leidt de kandidaat zijn komende fasen binnen. Het zo opnieuw ontwaakte denken, nu verlicht door de hogere levenstrilling van de ontwaakte zielekracht, beweegt zich spontaan buiten de grenzen van de natuurlijke mogelijkheden. 

Daar vindt het de Kennis die alle verstand te boven gaat. 

Het dragen van witte vlaggen met rode kruisen erop duidt op de kruisiging van het egocentrische wezen en het opgaan in een rein, alle kleuren omvattend levensveld, waarin het niet-zijn van het goddelijke wit heerst. 

Er wordt ook gesproken over de "jonge koning", hetgeen heenwijst naar een nieuw aanzicht van het zonnewezen. 

Dit zonnewezen, deze koning, zegt tot C.R.C. dat hij hem als zijn vader ziet. 

Inderdaad. De kandidaat die beschikt over de ziele-trilling wordt de Vader van het Al, de Vader en beheerser van de levenstrilling van deze natuur. Als dan aan C.R.C. gevraagd wordt of hij het teken onder de poort kan oplossen en deze antwoord: "Ja, met water en zout", is het duidelijk dat deze kandidaat de uitverkorene wordt, die de poortwachter kan vervangen. 

Om het geheimenis van dit antwoord te ontsluieren moet men de alchemische sleutel van het water en van het zout weten te hanteren. Het water is het ontvangende ziele-principe dat de geest of het etherische vuur absorbeert. 

Vanuit dat water gaat een hunkering uit. Deze hunkering - ook wel liefde genoemd - is een chemische beweging die in het water ontstaat als het door de disharmonie binnen de natuur-elementen beroofd wordt van zijn tegenkracht. 

Om een harmonische eenheid te verkrijgen, moeten twee tegengestelde elementen of krachten evenwichtig in beweging komen, op elkander afgestemd worden. Eén element is altijd onvolkomen, zo het alleen moet bewegen, aangezien zijn bewegen dan een roep vormt, waarop nog geen antwoord is. 

Zijn de twee wederom tot één geworden, dan zijn roep en antwoord, vraag en antwoord één geheel geworden. 

Hierin wordt alle geheimenis opgelost. 

De voortdurende beweging in deze natuur, een beweging die niet tot een absoluut einde komt, vindt zijn oorsprong in het vragen en het zoeken naar het antwoord, en de inhoud van het antwoord die de vraag niet kan bevredigen. 

Wanneer C.R.C. spreekt over "water", dan bedoelt hij de zuivere reine hunkering, die uit de watersubstantie (of het waterstofatoom) der ziel opstijgt. 

Rein water is symbool van de ontvankelijke ziel en wordt daarbij, alchemisch gezien, het minerale zout gevoegd dan heeft men vaste oermaterie, waarin alle gaven verborgen liggen, nl. de waterige en bezielde chaos die op de geest wacht, die boven deze vereniging van materia en ziel gaat zweven tot herschepping. Zout wordt in de alchemie het schoonste materiaal genoemd, omdat het de oermaterie is waaruit alles werd geschapen. 

In zout, het minerale zout, ligt de ziel van Mercurius en het zaad van sulfur. In dit zout vindt men dus de mogelijkheid tot omwending, (Mercurius) en het sulfur (het vuur), de levenstrilling die die omwending bevestigen kan. 

Voegt men daarbij het water dan verkrijgt men een zich omwenden naar een levensbeweging vanuit de ziel. De ware kandidaat, zegt de alchemist, bestaat uit het zout, d.w.z. de natuurlijke materie, de zuivere scheppingschaos waarin de ziel de geest tot zich roept. De oplossing van het teken onder de poort is dus te verkrijgen door een verbinding tussen water, de ziel en het zout, de tot inzicht gekomen natuurgeboren mens. 

Het zout lost zich op in het zielewater en zo worden de eerste twee tot één, waarna de twee tot de drie worden: de geest voegt zich bij hen. 

De oude alchemist kende het onderscheid tussen het hemelse zout en het aardse zout, maar hij spreekt slechts van een trillingsverschil. 

Het hemelse zout is, zo zegt hij, onzichtbaar, het bevindt zich als trilling in de kosmos en wordt door Astra, de hemel, bewogen. Dit is het kosmische zout, de oermaterie die nog niet tot zichtbare vorm kwam, maar waaruit de Schepper de chaos en de schepping en tenslotte de ziele-herschepping kan voortbrengen. 

Het zout van deze aarde is - door degeneratie - tot een zeer verlangzaamde trilling gekomen, maar het zout waarop de Heilige Taal wijst, is het hemelse zout, de oertrilling, die door de inwerking van water en zout tot een vaste vorm gevoerd kan worden, die in zich de kosmische resonantie bewaart en waarin de ziel, het water, waarlijk tot de vereniging met de geest kan komen. 

Zonder het geestelijke zout kan de wedergeboorte niet tot stand komen. De alchemische benadering van dit hemelse zout herinnert ons aan de Kathaarse **) opvatting, dat de morgendauw het schoonste water der schepping is, waarin de zuiverste mogelijkheden bewaard werden. De alchemist noemt de morgendauw de meest reine verbintenis van het kosmische zout en de kosmische ziel. 

Deze dauw brengt reiniging voor de vergiftigde natuur, het zijn haar ziele-tranen waardoor de etherische trilling tot de aarde wordt getrokken. 

De dauw wordt in vele gnostieke en alchemische geschriften bezongen en haar geheimenis wordt verborgen aangeduid. Op deze zevende dag spreekt C.R.C. over die oorsprong van alle vorm: water en zout. 

Wanneer de groep de poort nadert, verneemt C.R.C. dat de wachter zijn taak kreeg opgelegd, omdat hij Venus op haar rustbank had aanschouwd en hij zou slechts van zijn taak ontheven kunnen worden wanneer iemand dezelfde "zonde" zou begaan als hij. Zodra deze poortwachter C.R.C. naderbij ziet komen stelt hij hem de vraag of deze de door hem bewezen trouw wil gedenken. De poortwachter herkent C.R.C. direct. Hij ziet in hem de opvolger, degene die zijn taak vrijwillig gaat overnemen. 

Het ligt op de ervaringsweg van C.R.C. en van iedere kandidaat, om Venus, de regentes des harten, in de Venus-Weegschaal-aeon tot de orde te roepen. In de Weegschaal-aeon, of de Weegschaalfase verenigt Venus zich reeds door een abstracte verbintenis met Saturnus, de Poortwachter. 

De kandidaat die in de Weegschaal-aeon de keuze des harten doet (en de zieleweg kan slechts beginnen vanuit het vastbesloten hart, nietwaar?), brengt Venus, zijn hart, onder de naderbijkomende instraling van de Saturnus-kracht, van de hoge Saturnuskracht: Uranus (zoals deze in de Aquarius-aeon in kan stralen). 

In de zevende aeon zijnde, de zevende dag doorlevende, in de werkelijkheid van het zevende uur staande en uitziende naar de openbaring van het achtste uur, verbindt de kandidaat zich reeds met de Poortwachter en moet hij er rekening mee houden dat hij, gelijk deze poortwachter, pas bevrijd kan worden wanneer hij anderen trouw bewijst en hen de doorgang of het geheim van de poort overdraagt. 

In deze omschrijving van de taak en de verlossing van de poortwachter ligt eveneens besloten: de ziele-verlossing door middel van de bevrijding van anderen! Deze poortwachter is verre van egocentrisch. Hij wacht totdat er een gelijke komt, die zijn poortwachterstaak waardig is, want dan zal hij zelf vrij zijn. 

Hij wacht dus op de ander. Hij is verbonden met de ander. Er is geen sprake van een egocentrisch uitzien naar ziele-verlossing, geen streven van de ziel voor eigen belangen. 

Op de zevende dag, levende naar de openbaring van het achtste uur, wordt de kandidaat of C.R.C. aan de rots, de poort, of zijn mede-zielen gebonden. De enige die C.R.C. direct bij zijn binnenkomst herkende is Saturnus, de poortwachter, de wijze, die aan de poort staat, omdat hij zijn hart (Venus) verbonden heeft met een gigantische taak in ziele-dienaarschap. 

De poortwachter wordt omschreven als een beroemde en voortreffelijke astroloog, die reeds bij de oude koning in dienst was, doch die door zijn aanschouwing van Venus tot poortwachter werd benoemd. Niets tekent het wezen van Saturnus beter dan de aanduiding "voortreffelijke en beroemde astroloog". 

Hij, die de zodiakale, saturnale ring vereert en daardoor de verstening en verharding bevordert is de astroloog, de horizontale sterrenwichelaar, die zich door zijn arrogante kennis binnen de ommuring van Saturnus plaatst. 

Deze "astroloog" is zeer oud, de kennis en het misbruik van de astrologie is zo oud als de wereld, zo oud als de oude zonnekracht, de voorganger van de jonge koning. 

Toen deze Saturnus echter, na zoveel ervaring, kennis en levenstijdperken, tenslotte op de zevende dag van zijn ontwikkeling Venus tot zich trok, veranderde hij, werd hij de wijze hoeder, de poortwachter, die uitziet naar hen, die de Poort vermogen te hoeden, of te openen voor anderen. 

Geeft hij die taak over, draagt hij zijn poortwachters-wijsheid over aan een gelijke, dan is hij vrij, volkomen verlost van zijn ban, de saturnale ring springt, en kan hij over de afgrond tussen het oude en het nieuwe land heenspringen naar het hof van de jonge energieke koning. 

Men kan deze gebeurtenis ook in zijn eigen wezen terugvinden. Zodra de Cerberus, die in de kandidaat de Poort tot de Hemel bewaakt, zich kan overgeven, zich kan verenigen met de ziel, en de kandidaat als ingewijde herkent, dan springt de gevangenis uiteen. Men kan het ook zo zien: Aan het begin staande van de reis-door-de-dagen is Saturnus, de starre poortwachter, de onteerder, de overweldiger van Venus, van het hart. Op de zevende dag echter verbindt de kandidaat de hogere innerlijke Saturnuskracht met Venus, waardoor de taak van Poortwachter een taak der vrijheid wordt. 

Van welke kant men het ook benadert, via de astrosofie en de Pistis Sophia of via de alchemie: de taak van poortwachter overnemen ligt besloten in de natuurwet-leringen en kan op de eerste dag een saturnale autoritaire karikatuur worden, maar op de zevende dag is het de herschepping - de omzetting van Saturnus - in het reine materiaal van een hemelse levenssfeer. 

Doch slechts C.R.C., die de oplossing van het teken onder de poort kende, ziet de grootsheid van deze poortwachterstaak; alle anderen, die nog niet praktisch in de zevende dag of in de harmonie van de zevende aeon, de fase van overwinning staan, herkennen Saturnus niet in zijn grootsheid. 

Zij zien in hem slechts de vernederde astroloog, de miserabele, falende dienaar van de koning. De Saturnus (het lood - minderwaardige materie) die noch het zout noch het ziele-water bezit, is miserabel, zolang hij zijn misstap niet inziet, maar zich vergrijpt aan het hart. Vanuit deze verbintenis: het hart en de versteende, arrogante, zielloze materie komen de rampen der herhaalde "zondeval" voort. 

Iedere kandidaat die het innerlijke geheim van het water en het zout niet kent, niet ontdekt heeft op zijn reis door de eerste zes dagen of de eerste zes aeonen, is als degenen, die tot de dis van de koning zijn uitgenodigd, maar niet weten wat hen wacht, niet de oplossing van het geheim kennen. 

Zij menen dat zij een uitverkorene zijn en verwachten luister en praal, en zij beseffen niet dat het de "taak van de poortwachter is" die hen opgedragen wordt als een apotheose. Want zij - de vermeende uitverkorenen - begeren de poort niet voor de anderen te openen, maar zij wachten slechts op eigen roem en persoonlijke beloning. 

In het land van gnosis en alchemie is er geen beloning te verwachten. Slechts offerande wacht de uitverkorene, alsmede de smaad en de hoon van zijn metgezellen. Zou de ernstige kandidaat dit ten volle beseffen en daardoor alle op beloning, op eigenbelang, op eigen verlossing opgeven, dan komt de oplossing van het diepste geheimenis nader: dan helpt de poortwachter hem reeds op de eerste dag. 

Dit is het bewijs dat het Pad-der-ziel, de aeonengang, slechts begonnen kan worden op basis van volkomen belangeloosheid, zowel in de materie als in de zielesfeer. 

Indien de kandidaat deze belangeloosheid niet vermag uit te dragen, is de grote thuisweg voor hem nog niet waarlijk begonnen. Dan vermaakt hij zich met zelfbevrediging onder het mom van zielebevrediging en is het de ikziel, die loeit van begeerte welke nergens anders uit voortkomt dan uit de horizontale levensdrift. De vraag van het horizontale negatieve natuurprincipe en het opgaan in het horizontale, positieve antwoord vanuit de instinctieve natuurdrift. 

Vandaar dat iedere vorm van spiritueel streven, dat vermengd wordt met eigenbelang, tenslotte ontaard in de sexuele drift, die dikwijls tegennatuurlijk wordt. 

Het vuur, het spanningsveld tussen het ikcentrale principe en het kosmische geestprincipe van deze natuur, zet de kandidaat aan tot extremiteiten, verworden verbintenissen tussen de twee polen binnen deze natuur. 

Wanneer de poortwachter op de eerste dag de kandidaat bijstaat en dat betekent: wanneer de oude wijze Saturnus de zielemens herkent doordat deze de kreet of het gebed der ziel, de roep van het reine water dat zich vermengd heeft met het minerale zout, uitzendt, is het Begin goed en zal de kandidaat reeds het goede Einde vermoeden. 

De eerste dag van het Scheikundig Huwelijk is de basis waarop de volgende dagen zich baseren. Daarom is het bewuste eerste dag, evenals de eerste zielekreet, het eerste ziele-berouw, de voorwaarde tot de ziele-overwinning. 

Vanaf die tijd is Saturnus niet meer afschrikwekkend, maar hij is de geheimenisvolle, die wéét dat zijn tijd gekomen is.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene