Hoofdstuk I

De zevende dag uit het Scheikundig Huwelijk van C.R.C is de dag waarop het innerlijke geheimenis openbaar wordt gemaakt. Het laatste hoofdstuk bevat de oplossing van een alchemisch mysterie, dat zowel in de kosmos als in de mens besloten ligt. 

Benadert men dit slot vanuit een occult standpunt dan dringt men nooit door tot de oplossing die - oppervlakkig gezien - een nederlaag voor de kandidaat lijkt te zijn. 

Zodra men echter de alchemische sleutel in handen neemt, wordt het mysterie tot een duidelijke beeltenis, die al het verborgene verklaart. 

De zevende dag is de zaterdag, de dag van Saturnus, de dag die aan de poortwachter wordt opgedragen. Op die dag, zo staat er geschreven, ontwaakt C.R.C om acht uur in de morgen. 

Op de Saturnusdag, de zevende dag, wordt de openbaring aan de kandidaat voltrokken, waarna aan het einde van die dag de poortwachter verlost wordt van zijn taak. 

Het "ontwaken" om acht uur 's morgens heeft betrekking op het herontwaken van het diepe inzicht, dat C.R.C. gedurende al de dagen heeft vergezeld. Wanneer men een middeleeuws alchemisch geheimenis wil ontsluieren moet men er rekening mee houden dat ook schijnbare tegenstellingen een bepaalde bedoeling hebben. 

De oplossing ligt altijd in de benadering: bezit men de sleutel dan bestaat er geen tegenspraak. 

Op deze zevende dag wordt C.R.C. in het geel gekleed, de kleur van Mercurius, die op deze dag zijn arbeid als spirituele middelaar moet verrichten, gelijk hij - bezien in de arbeid van de zeven Gemeenten in Asia *) - de heilige zevenklank via de keel moet helpen uitdragen. 

Wanneer de kandidaat op deze zevende dag zijn taak gaat verrichten dan kan hij er zeker van zijn, dat hij geplaatst zal worden voor de realiteit en de consequenties van de harmonie van het teken Acht, d.w.z. de werkelijkheid van de offerande aan de Poort, of in de Poort. 

Daarom is het begrijpelijk dat deze kandidaten een stuk goud ontvangen, een gulden ziele-herinnering, waarin met door ervaring geschreven letters deze tekst zal staan: 

"De wetenschap der oorspronkelijke Natuur dienen, waarvan de natuur een tijdelijke dochter is." 

Deze beide regels bevestigen het hermetische "zo boven - zo beneden." 

De tijdelijke onbedorven natuur is een weerkaatsing van de Godsnatuur, en de tijdelijke mens is een weerspiegeling van deze tijdelijke natuur, terwijl de herrezen ziel een afspiegeling zal zijn van de Godsnatuur. Het hermetische "zo boven - zo beneden" kan men op alle mogelijke wijzen uitleggen en het ook verlagen tot een zuiver horizontale zienswijze, waarbij de staande 8 tot een lemniscaat wordt ∞ . 

De diepte van het oergeheimenis is niet te peilen met de aardse zintuigen en blijft verborgen voor het begrensde denken. 

De overeenkomst tussen "het boven en het beneden" is de stuwkracht die achter de alchemische omzetting drijft. Deze stimulans en alles doortrillende waarheid is voor de alchemist als een onzichtbaar vuur, of een onzichtbaar licht dat hem aanzet tot volharding. 

Eens - zo weet hij - moet de Bron van alle Eenheid worden bereikt vanuit de diepten van mijzelf. De eenheid die tussen het Boven en het Beneden heerst moet in mij haar bekroning vinden. 

Tegen de betekenis van deze woorden mag geen enkele kandidaat zondigen, want ontkent men deze eenheid, dan rukt men de ziel los van haar oorsprong en ook het tijdelijke wezen verwijdert zich dan van de tijdelijke natuur. 

De harmonie, waardoor het evenwicht tussen God en ziel wederom wordt hersteld, gaat slechts uit van de wet der gelijkheid. 

Ontkent men de gelijkheid, de polarisatie, dan belandt men direct in de disharmonie, de ongelijkheid. 

Er is geen tussenfase. De twaalf schepen waarop C.R.C. en de zijnen zich begeven, dragen de twaalf tekenen des hemels. 

De "Oude", d.w.z. het ervaringsrijpe wezen dat uit het bloedsbewustzijn spreekt, bezit daarvan zes schepen, d.w.z. hij bezit de som van de verwerkelijking der eerste zes zodiakale sferen; deze gebieden zijn volkomen bewust doorwandeld en worden beheerst door de "Oude", de wetende. (In de Tarot moet men zes fasen, kaarten, verwerkelijkt hebben om een serieuze kandidaat te zijn). 

De tweede helft van de twaalf schepen worden aan C.R.C. en de zijnen toebedeeld, terwijl het schip van C.R.C. het zodiakale teken van de Weegschaal in zijn vlag draagt. 

De waarlijk absoluut spirituele weg begint in de aeon van de Weegschaal, daar waar de kandidaat zijn keus gaat uitdragen. 

De Weegschaal test de kandidaat in zijn innerlijke gerichtheid. Na deze keuze is er geen terug meer op de ingeslagen weg en hij doorloopt de volgende fasen met een volkomen ziel-bewuste instelling. 

Degene die het alchemische proces waarlijk kan volbrengen en dit wil bewijzen, declareert zich in de zevende fase, op een levensschip met het teken van de Weegschaal, dat hem positief de consequenties van de acht zaligsprekingen of het achtvoudige Pad binnenvoert. 

Deze Weegschaal-episode wordt het begin van de zes zielenrealisaties binnen het gnostieke of alchemische aanzicht der twaalf aeonen-fasen. 

Het is dus begrijpelijk dat C.R.C. als geroepene, ontwaakt zijnde op de zevende Dag, in het zevende uur, na acht uur geslapen te hebben, het schip met de Weegschaal bevaart, waarop, zoals hij zegt, een prachtige klok, "een heerlijke klok" staat, die iedere minuut aanwees. Deze vermelding is geen onbenulligheid, maar zij verwijst naar de oorspronkelijke kosmische twaalfvoudige klok of kosmische tijdrekening, die bekend wordt op "de volle dag des Heren", zoals Appolonius van Tyana zegt. 

Nu komt het op elke minuut aan, want tijdens het "ontwaken van de ziel" gaat de wijzer naar boven draaien en het "Beneden" wordt opgericht om het" Boven " te ontmoeten. 

Op het dieptepunt van de indaling heeft de tijdelijke mens voldoende bewustzijn verkregen om zich nu over te geven aan een ziele-leven. Deze innerlijke beweging, die men van de oorspronkelijke "klok" of het wiel kan aflezen, is waarlijk "heerlijk" te noemen. Weldra zien C.R.C. en de zijnen vijfhonderd schepen op zich toekomen, waarvan de koning en de koningin er één bevoeren. 

Het getal 500 is terug te leiden tot het getal vijf en heeft in de alchemie de betekenis van de beheersing van de vijf elementen en is op de zevende dag een heenwijzing naar de vervolmaking van de vijf elementen der oorspronkelijke natuur. 

Het bevaren van 500 schepen wil zeggen, het beheersen van de werkingen van hemel en aarde, door middel van de elementen. De alchemie kent vijf elementen: aarde, vuur, lucht, water en ether. Het vijfde element is de ether, waarop slechts de gevleugelden omhoog kunnen stijgen. De vijf planeten: Mercurius, Venus, Mars, Jupiter en Saturnus worden geleid door de koning en de koningin, de zon en de maan. 

Dat is de alchemische uitleg, die natuurlijk weer terug te leiden is tot een innerlijke verwerkelijking. Wanneer de kandidaat het schip "de Weegschaal" bevaart, dan gaat hij de "Hemelse" of "Bovenste" werking van de planeten tegemoet. 

Dit is ook te herkennen in de aeonengang van de Pistis Sophia. (zie: Het gnostieke evangelie van de Pistis Sophia van Valentinus) 

Zij verwerkt de werkingen der planeten nu op een andere, innerlijke wijze. Deze planeten worden bezield door de gezamenlijke levenstrilling van de zon en de maan, de koning en de koningin. Men kan zeggen dat de zeven scheppingsdagen in de mens een schepping completeren, waarop de ziel zich kan baseren. 

De achtste dag is de eerste dag van ziele-bewustwording, zoals de achtste fase een ziele-belevenis is, en de poort-doorgang een herboren worden in een ander levensveld symboliseert. 

Misschien is het bevreemdend om een overeenkomst te zien tussen het Scheikundig Huwelijk, het gnostieke evangelie van de Pistis Sophia, het Scheppingsverhaal, de Zaligsprekingen, het Openbaringenboek en de twaalf uren van Appolonius van Tyana, maar deze onmiskenbare eenheid in al deze grote en mysterieuze werken vormt de sleutel tot het geheimenis van de Bron. 

De oerwaarheid licht door velerlei werken, herkent men die waarheid dan worden deze werken tot één, vloeien harmonisch in één, in de overweldigende grootsheid van de machtige eenheid van de Oerbron. 

Binnen de Waarheid vindt men immers geen tegenstellingen? 

De splinters der waarheid moeten toch aanéén te voegen zijn tot een volmaakt geheel? De alchemisten kwamen voort uit de vervolging van de middeleeuwse gnostieken. 

Het Scheikundig Huwelijk van C.R.C. is een poging om het aloude, vervolgde gnosticisme op nieuwe, nu alchemische wijze, de wereld in te zenden. Wanneer men de afbeeldingen kent van het alchemische middeleeuwse boekje: "Das Chemische Lustgärtlein", dan kan men bemerken dat al deze symbolen in nauw verband staan met het Scheikundig Huwelijk, waarin van dezelfde symbolentaal gebruik wordt gemaakt. 

Men kan, zo men het hermetische woord "Zo boven - zo beneden" in zijn diepten wil doorgronden, de kosmische werkingen van deze natuur niet negeren. Achter deze natuur werkt zo een onmetelijke Wijsheid, dat de Bron daarvan voor de mens niet te bevatten is. Het wonderbaarlijke evenwicht, waarnaar de mens wederom terug moet keren, en dat de alchemisten door hun formules aanduidden, is de kracht, waardoor de oerharmonie tot de natuur komt. 

Het Scheikundig Huwelijk, het woord zegt het al, vormt het evenwicht tussen de elementen, de verbintenis der elementen, d.w.z. het huwelijk waarin de demonen der disharmonie sterven en de harmonie van het evenwicht ontstaat. 

De "Oude" in het geschrift van Andreae **) is degene, die C.R.C. terzijde staat, en op wiens raad hij kan bouwen, want uit de wijsheid van de Oude komt de herinnering voort die hem de woorden op het stuk goud steeds opnieuw in gedachten brengt. 

"De wetenschap van de Oorspronkelijke Natuur dienen" en: "deze natuur is de tijdelijke dochter....... 

Spiritueel bezien gaat C.R.C. met het betreden van zijn Weegschaalschip de weg tot de hemel beginnen. Hij is doorgedrongen tot de kennis van het eigen zelf door middel van de werkingen van de eerste zes aanzichten van de planeten of hemeldemonen en nu gaat hij zich bewust worden van de reinigende werkingen der zes planeten, werkingen die hem in zijn zielenontplooiing kunnen bijstaan. Beheerst men de eigenschap van de Weegschaal, dan beschikt men over de kennis van de innerlijke harmonie. 

Heerst men over de demonen der disharmonie, dan vindt men de oplossing, waar zelfs "de koning", d.w.z. de levenstrilling van deze natuur, geen antwoord op vindt. Hoewel C.R.C. met betrekking tot zichzelf over "een onwaardige" spreekt, gezien zijn nauwelijks ontwaakte zielenbewustzijn, bezit hij de sleutel tot het geheimenis, omdat hij met zijn herboren ziele-zintuigen de bedekking van deze natuur kan doorboren.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene