De zevende dag

Toen ik na acht uur ontwaakte en mij snel had aangekleed, wilde ik mij weer naar de toren begeven. Maar er waren zoveel donkere gangen in de muur, dat ik lange tijd ronddoolde, voordat ik de uitgang had gevonden. Dit gebeurde de anderen ook; tot wij tenslotte toch in het onderste gewelf weer bij elkander kwamen. 

Daar werden ons geheel gele pijen alsmede onze Gulden Vliezen gegeven. 

Hier deelde de Jonkvrouw ons mede, dat wij nu Ridders van den Gouden Steen waren, wat wij tot dusver niet wisten. 

Nadat wij ons klaar gemaakt en ontbeten hadden, vereerde de Oude ieder van ons met een stuk goud. 

Op de ene zijde stonden de woorden: 

AR.NAT.MI. (Ars naturae ministra) 

Op de andere zijde: 

TEM.NA.F. (Temporis natura filia) 

Hij vermaande ons om niet tegen de zin van deze woorden te zondigen. Daarna gingen wij naar buiten naar de zee. 

Daar lagen onze schepen zo voortreffelijk uitgerust, dat het haast niet mogelijk leek, dat deze dingen eerst nu hierheen gebracht zouden zijn. 

Er waren twaalf schepen, zes voor ons en zes voor de Oude, die met niets dan goed uitgeruste soldaten bezet waren. Hijzelf echter kwam bij ons, toen wij allen reeds bij elkander waren. 

In het eerste schip namen de muzikanten plaats, waarvan de Oude een groot aantal tot zijn beschikking had. Zij voeren als tijdverdrijf voor ons uit. 

Onze vlaggen toonden de twaalf hemeltekenen; ons schip voerde het teken van de Weegschaal. Het bezat o.a. een prachtige klok, die alle minuten aangaf. De zee was zo stil dat het een genot was om te varen. Maar het beste waren de woorden van de Oude, die ons met wonderlijke verhalen de tijd dermate deed verstrijken, dat ik mijn leven lang met hem zou hebben willen varen. 

Ondertussen bewogen de schepen zich snel voorwaarts. Eer wij twee uren hadden gevaren, zei de kapitein tegen ons, dat hij de gehele zee met schepen bedekt zag, die ons ongetwijfeld tegemoet voeren. En zo was het! 

Toen wij uit de zee door de reeds vermelde rivierengte in het meer aankwamen, werden wij de vijfhonderd schepen gewaar, waarvan er één straalde door het goud en de edelgesteenten. 

Daarin zaten de koning en de koningin samen met vele hooggeboren heren, dames en jonkvrouwen. 

Zodra men ons gewaar werd, liet men alle kanonnen afvuren, daarbij weerklonk zulk een geluid van trommels en trompetten, dat alle schepen ervan trilden. Nadat wij naderbij gekomen waren, omringden zij onze schepen en voeren met gelijke snelheid. 

Op verzoek van de koning hield Atlas een korte, fraaie toespraak tot ons, waarin hij ons welkom heette met de wens, dat het geschenk voor de koning gereedgekomen mocht zijn. 

Mijn andere kameraden verwonderden zich niet weinig, dat de koning reeds was opgestaan. Zij meenden niet anders dan dat zij hem eerst moesten wekken. 

Wij lieten hen aan hun verbazing over en deden alsof dit voor ons onverklaarbaar was. 

Na de toespraak van Atlas trad onze Oude naar voren en antwoordde hem breedvoerig, waarbij hij de koning en de koningin al het geluk en veel nakomelingen toewenste. Dan overhandigde hij hen een sierlijk klein kistje. Wat er in was, weet ik echter niet. 

Het werd aan Cupido, die tussen beiden heen en weer ging, in bewaring gegeven. Daarna werden weer vreugdeschoten afgevuurd. 

Wij voeren daarop een poos rustig voort tot wij eindelijk bij de andere oever aankwamen. Dit was in de nabijheid van de poort, waardoor ik eerst binnengekomen was. Op deze plaats wachtte wederom een grote menigte van koninklijke hofbedienden met enige honderden paarden. Zodra ons schip was geland en wij aan land waren gegaan, boden ons de koning en de koningin met grote vriendelijkheid allen de hand. Dan moesten wij de paarden bestijgen. 

Hier moet ik de lezer vriendelijk verzoeken het volgende niet toe te schrijven aan eigen roem of uit trots mijnerzijds, doch te willen vertrouwen dat ik zonder de noodzakelijkheid over de mij toegedachte eer zou zwijgen. 

Wij werden achtereenvolgens onder de heren ingedeeld, onze Oude echter en ikzelf, onwaardige, moesten naast de koning rijden. leder van ons droeg een sneeuwwitte vlag met een rood kruis erop. 

Ik werd wegens mijn leeftijd gevraagd, want wij beiden hadden grijze haren en baarden. Mijn kentekens had ik aan mijn hoed bevestigt, wat de jonge koning spoedig opmerkte en vroeg of ik degene was, die de tekens onder de poort kon oplossen. 

Ik antwoordde zeer onderdanig met "Ja". 

Hij echter lachte en verklaarde dat ik voortaan geen ceremonie meer in acht behoefde te nemen, want ik was zijn vader. Dan vroeg hij mij nog, waarmee ik hen had opgelost. Ik antwoordde: "Met water en zout." Dat verbaasde hem en hij vroeg wie mij op dat idee had gebracht. Ik vertelde hem, hoe het gegaan was met mijn brood, de duif en de raaf. Dit beviel hem en hij zei uitdrukkelijk, dat God mij een heel bijzonder geluk moest hebben toegedacht. 

Zo kwamen wij aan de eerste poort, waar de wachter met het blauwe kleed stond. Hij overhandigde mij een smeekbede met het nederige verzoek, dat ik de trouw die hij mij op de eerste dag had bewezen, zou mogen gedenken. 

Eerst vroeg ik de koning hoe het toch met deze wachter was gesteld. Hij antwoordde mij vriendelijk, dat deze een voortreffelijk en beroemd astroloog was, die reeds bij zijn Heer en Vader in hoog aanzien had gestaan. Enige tijd geleden had hij echter een zonde begaan jegens Vrouwe Venus, doordat hij haar op haar rustbed had aanschouwd. 

Daarom werd hem de straf opgelegd zolang de eerste poort te bewaken tot hem iemand daarvan verlossen zou. 

Ik vroeg hoe hij dan te verlossen zou zijn. 

De koning antwoordde: "Daardoor, dat iemand gevonden wordt, die even zwaar gezondigd heeft als hij. Deze moet dan zijn plaats innemen en de poort bewaken, waarna hij vrij zou zijn." 

Dat ging mij zeer aan het hart, want mijn geweten zei mij dat ik eenzelfde zonde had begaan; doch ik zweeg en overhandigde zijn smeekbede. 

Zodra hij deze had gelezen, schrok hij hevig, en met hem ook de koningin en haar jonkvrouwen en nog een koningin, waarover ik al bij het ophangen van de gewichten heb gesproken. 

Zij vroeg hem nu wat deze brief te betekenen had. Hij liet echter niets merken en stak de brief bij zich en begon over andere dingen te praten tot wij tegen drie uur in het slot aankwamen. 

Toen wij waren afgestegen en de koning tot in de reeds bekende zaal hadden begeleid, verzocht de koning de oude Atlas in een kleine kamer bij hem te komen en toonde hem daar de brief. 

Deze talmde niet lang en reed naar de wachter om nog meer te vernemen over deze zaak. 

Daarna gingen de jonge koning met zijn gemalin, de heren, de dames en de jonkvrouwen zitten. Toen begon onze jonkvrouw onze betoonde vlijt, onze moeiten en ons werk zeer te prijzen en verzocht ons koninklijk te belonen en haar toe te staan haar ambt verder voort te zetten. 

Daarna stond ook de Oude op en verklaarde de juistheid van alles wat zij naar voren had gebracht. Het was daarom goed en billijk wanneer wij geëerd zouden worden. 

Hierna moesten wij ons een ogenblik terugtrekken. 

Er werd besloten, dat wij ieder een wens mochten uitspreken, die ons zou worden toegestaan. Er was niet aan te twijfelen dat een verstandige ook een verstandige wens zou uitspreken. 

Hierover zouden wij tot na de avondmaaltijd nadenken. 

Ondertussen begonnen de koning en de koningin met elkander een soort schaakspel te spelen, doch met andere dan de gewone figuren, nl. met deugden en ondeugden die tegen elkander streden. 

Men kon duidelijk zien met welke listen de ondeugden de deugd belaagden en hoe deze zich daar tegenover opstelde. 

Dit ging zo galant en kunstig toe, dat wij wensten ook zo'n spel te bezitten. 

Ondertussen kwam Atlas terug en bracht in het geheim verslag uit. Ik bloosde aan alle kanten, want mijn geweten liet mij geen rust. 

Hierna verzocht de koning mij het smeekschrift zelf te lezen. De inhoud was ongeveer als volgt: Ten eerste wenste hij de koning geluk, en dat zijn nakomelingschap zich zou vermeerderen. 

Daarna wees hij erop dat de dag thans aangebroken was, waarop hij volgens de koninklijke belofte van zijn ambt zou worden bevrijd, want Venus was door één van zijn gasten ontdekt geworden. Deze waarneming kon hem niet misleiden. 

Daarom moest Zijne Koninklijke Majesteit een scherp en vlijtig onderzoek instellen om uit te vinden dat zijn ontdekking op waarheid berustte. Wanneer dit echter niet het geval zou zijn wilde hij zijn leven lang bij de poort blijven. 

Hij verzocht daarom zeer onderdanig hem op lijfs- en levensgevaar aan het avondmaal van heden te laten deelnemen, dan zou hij zeker de dader zelf ontdekken om alles tot het gewenste einde te brengen. 

Dit was uitvoerig en in een goede vorm gesteld; ik kon zijn talent herkennen, maar mij was het te scherpzinnig. Hoe wenste ik het nooit te hebben gezien! Ik bedacht dat hij misschien wel door mijn wens geholpen zou kunnen worden. Daarom vroeg ik aan de koning, of er geen andere mogelijk zou zijn hem te bevrijden. 

"Neen", antwoordde de koning, "want deze dingen hebben hun bijzondere strekking. Toch kunnen wij zijn wens van het avondmaal wel inwilligen." En hij zond een dienaar om hem te halen. 

Ondertussen werden er tafels in een zaal toebereid, waarin wij tevoren nog niet waren geweest; deze was zo volmaakt en zo gelegen dat het mij niet mogelijk is, hem ook maar in eniger mate te beschrijven. 

Hier werden wij met bijzondere pracht en ceremonie heengeleid. Cupido was deze keer niet aanwezig, omdat hij, naar mij verteld werd, zeer ontstemd was over de smaad die men zijn moeder had aangedaan. Mijn daad en de overhandigde smeekbrief waren, zo scheen mij, de oorzaak van veel droefheid. Want de koning vond het bedenkelijk zijn gasten te ondervragen, hoofdzakelijk daarom, omdat daardoor degenen die hiervan niets wisten het te weten zouden komen. 

Hij liet het dus aan de wachter over, die ondertussen reeds was aangekomen, om scherp op te letten, en gedroeg zichzelf zo opgewekt mogelijk. 

Aan tafel werd het weer vrolijker en men onderhield zich met allerlei aangename en nuttige gesprekken. Hoe het onthaal en de andere ceremoniën zijn geweest is overbodig om te zeggen. Want voor de lezer is het niet nodig en voor mijn doel niet heilzaam. 

Alleen dit: alles was overmatig mooi; wij werden meer door het genot van kunst en menselijke bedrevenheid dan door drank overvoerd. Dit was de laatste en heerlijkste maaltijd, waarbij ik aanwezig was. Na het banket werden de tafels snel afgeruimd en werden enige fraaie zetels in een kring opgesteld. Waarop wij, evenals de koning en de koningin, de beide Ouden, de vrouwen en jonkvrouwen plaats namen. 

Dan opende een knappe knaap het reeds vermelde prachtige boekje, waarop Atlas zich in het midden plaatste en sprak: 

"Zijne Koninklijke Majesteit had niet vergeten wat wij voor hem hadden gedaan, en hoe vlijtig wij ons van onze taak hadden gekweten. Wij zouden daarom als beloning allen tot "Ridders van de Gouden Steen" worden benoemd. 

Daarom was het nodig, dat wij van nu aan niet alleen in een juiste verhouding zouden staan tegenover Zijne Koninklijke Majesteit en hem gehoorzaam waren, maar ons aan de volgende voorschriften zouden houden. 

Zo zou dan Zijne Koninklijke Majesteit weten, hoe hij zich tegen zijn bondgenoten te gedragen had. Hierop liet hij door een knaap de volgende artikelen voorlezen: 

1.  "Heren Ridders, gij moet zweren, dat gij uw orde aan geen duivel of geest, doch altijd aan God, uw Schepper en zijn dienares, de natuur, zult opdragen. 

2.  Dat gij alle hoererij, ontucht, onreinheid zult haten en met zulke ondeugden uw orde niet zult bezoedelen. 

3.  Dat gij met uw gaven ieder, die deze waard is en deze nodig heeft, te hulp zult komen. 

4.  Dat gij deze eer niet voor wereldse pronk zult begeren en niet tot vermeerdering van uw aanzien zult gebruiken. 

5.  Dat gij niet langer zult willen leven dan God het hebben wil." 

Om dit laatste artikel moesten wij lachen; en het kan er ook wel voor de grap aan toegevoegd zijn. Wij beloofden dit alles op de scepter van de koning. 

Hierop werden wij met de gebruikelijke plechtigheid tot ridders geslagen en ingewijd en werden, buiten de andere voorrechten die wij verkregen, boven Onwetendheid, Armoede en Ziekte geplaatst om daarmede te handelen naar ons goeddunken. Dit alles werd later in een kleine kapel, waarheen wij in optocht werden gebracht, bevestigd, en God daarvoor dank gebracht. 

Daar heb ik ter ere Gods mijn Gulden Vlies en hoed opgehangen en ter eeuwige herinnering achtergelaten. 

En omdat iedereen zijn naam daar moest opschrijven, schreef ik het volgende: 

SUMMA SCIENTIA NIHIL SCIRE 

FR. CHRISTIANUS ROSENCREUTZ, 

EQUES AUREI LAPIDIS; 

ANNO 1459. 

leder schreef iets anders, ieder dat wat hem goeddunkte. Hierop werden wij weer naar de zaal gebracht, waar wij gingen zitten. 

Wij werden vermaand om ons op onze wens te bezinnen; de koning had zich met de zijnen naar de kamer begeven om daar onze wensen aan te horen. Nu werd ieder afzonderlijk binnengeroepen, zodat ik van niemand zijn wens vernam. 

Ik dacht dat ik tot eer van mijn orde, het beste een oprechte deugd kon tonen en vond niets verdienstelijker dan te doen wat voor mij zo moeilijk was en dankbaarheid te tonen. 

Daarom, al had ik mij liever iets anders gewenst, overwon ik mijzelf en besloot, met gevaar voor mijzelf, de wachter, mijn weldoener, te bevrijden. Toen ik in de kamer binnengeroepen werd, vroeg men mij eerst, of ik, omdat ik de smeekbrief gelezen had, niets van de dader gemerkt of iemand had verdacht. 

Hierop begon ik onverschrokken mee te delen, hoe alles was gegaan en hoe ik uit onwetendheid op die plaats was gekomen. Ik bood mijzelf aan als boetedoening voor alles wat ik had misdaan. 

De koning en de anderen heren verwonderden zich ten zeerste over deze onverwachte bekentenis en verzochten mij even te verwijderen. 

Zodra ik weer teruggeroepen was, verklaarde Atlas mij: "Het was voor Zijne Koninklijke Majesteit zeer pijnlijk dat juist mij, die hij boven de anderen liefhad, dit ongeluk was overkomen. Daar het echter onmogelijk zou zijn om de oude gebruiken te negeren, wisten zij geen ander oordeel uit te spreken, dan dat deze wachter vrij zou moeten komen en dat ik zijn plaats zou moeten innemen. 

Zij wilden voor mij hopen dat spoedig een ander zich zou vergrijpen, zodat ik weer naar huis zou kunnen gaan. Maar er zou toch niet op een beëindiging van de zaak te hopen zijn vóór het bruiloftsfeest van hun aanstaande zoon. 

Dit vonnis had mij bijna het leven gekost; hoe was ik door mijn praatzieke mond mijn eigen vijand geworden. Waarom had ik niet kunnen zwijgen? Doch ik vatte moed en omdat ik meende: "het moet", vertelde ik hoe deze wachter mij een teken had gegeven en mij daardoor bij de anderen had aanbevolen. 

Door deze hulp had ik de proef op de weegschaal doorstaan en was ik alle genoten eer en vreugde deelachtig geworden; daarom leek het mij gepast om mij tegenover mijn weldoener dankbaar te tonen. 

Omdat er niets aan te veranderen viel, dankte ik voor het oordeel en wilde ook gaarne iets onaangenaams doen terwille van hem die mij in zulk een opzicht behulpzaam was geweest. 

Wanneer echter door de toegestane wens iets te bewerkstelligen zou zijn, wenste ik, dat ik spoedig naar huis mocht terugkeren. Zo zou de wachter door mij, ik echter door mijn wens worden bevrijd. 

Mij werd ten antwoord gegeven: "Zover strekte zich het wensen niet uit, anders had ik ook de vrijheid voor de poortwachter kunnen wensen. Het had Zijne Koninklijke Majesteit echter bevallen, dat ik mij zo goed in hun uitspraak had geschikt. Zij maakten zich echter ongerust, dat ik nog niet wist in welk een ellendige toestand ik mij door mijn nieuwsgierigheid had gebracht. 

Nu werd de goede man vrijgesproken, en ik moest mij treurig te moede verwijderen. Daarna werden ook alle anderen in het kabinet ontboden; zij kwamen allen vrolijk weer naar buiten, wat mij nog bedroefder maakte. Want ik dacht reeds dat ik mijn leven bij de poort zou beëindigen. Ik tobde over wat ik nu zou moeten doen en hoe ik de tijd zou moeten doorbrengen. 

Tenslotte dacht ik dat ik toch reeds oud was en dat ik waarschijnlijk natuurlijkerwijze slechts nog enige jaren had te leven. 

Zo zouden melancholie en leed mij nog eerder doen sterven en was mijn poort wachten voorbij. Misschien kon ik ook door een vredige slaap spoedig een einde aan mijn leven maken. 

Dergelijke gedachten gingen in mij om. Soms speet het mij dat ik zulke prachtige dingen gezien had en daar nu van was beroofd. Dan weer verheugde ik mij erover dat ik voor mijn einde aan alle vreugden had deelgenomen en niet schandelijk had moeten vertrekken. 

Dit was dan de laatste en ergste schok die ik moest ondergaan. Gedurende al deze gedachten waren de anderen gereed gekomen, en nu, nadat zij afscheid van de koning en de heren hadden genomen, werd een ieder naar zijn kamer gebracht. 

Ik, arme man, had echter niemand die mij de weg wees en moest mij bovendien nog laten bespotten. Opdat ik zeker zou zijn van mijn toekomstige functie moest ik de ring, die mijn voorganger gedragen had, aan mijn vinger steken. Tenslotte vermaande de koning mij, aangezien dit de laatste maal zou zijn dat ik hem in deze gedaante zou aanschouwen, dat ik moest handelen overeenkomstig mijn roeping en beantwoordend aan mijn orde. 

Hierna omarmde en kuste hij mij, waaruit ik begreep dat ik de volgende morgen aan de poort zou moeten zitten. Nadat zij allen nog een poosje vriendelijk met mij hadden gepraat en mij tenslotte de hand hadden gereikt en in Gods hoede hadden aanbevolen, werd ik door de beide Ouden, de Heer van de Toren en Atlas, in een prachtig vertrek gebracht. 

Daarin stonden drie bedden, en ieder van ons legde zich op één daarvan neer. Zo brachten wij nog bijna twee ...........  


Hier ontbreken twee kwart-velletjes en hij (de schrijver) die meende, dat hij de volgende morgen poortwachter zou moeten zijn, is thuis gekomen.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene