Hoofdstuk XIV

Nadat Simon de Montfort enkele nederlagen geleden had aan de voet van sterk verdedigde kastelen, richtte hij zijn blik op Penne, het plaatsje in de Agenais, dat echter een machtig kasteel bezat en geheel bewoond werd door aanhangers der Katharen. Het kasteel zelf lag enorm hoog, gebouwd op onverzettelijke rotsen. Het was eenmaal door Richard Leeuwenhart versterkt geworden en de verdediging kon aan alle eisen voldoen. 

De burcht zelf bezat een molen, een oven en smidsen. 

Alfaro, de leenheer, had proviand, machines, hout en ijzer naar het kasteel laten brengen, zodat een langdurige belegering van de kruisvaarders onverschrokken tegemoet kon worden gezien, 

De commandant van Penne werd Hugo van Alfar, een bekwaam veldheer en hij sloot zich in de burcht op met drie luitenants en 400 ridders uit de bossen in de omgeving. 

Daar hij om zich heen de wreedheden van Montfort gezien had   en hij eenzelfde deel vreesde voor de burgerij van Penne, liet hij alle burgers vertrekken, stak de burcht in brand en trok zich terug in de citadel. 

En daar, hoog boven alles en allen verheven wachtte hij rustig op de leider der kruistocht. 

Montfort kwam op zondag 3 juni van het jaar 1212 en sloeg zijn kamp op; daarna beklom hij de berg naar de burcht. 

De drie luitenants van Alfar daalden van hun verheven stelling af en kwamen hem tegemoet. Toen, op de geblakerde stenen van  de burcht ontbrandde de strijd. 

De kruissoldaten werden teruggeslagen.

Rondom de bloedige verwikkelingen lagen de scholen der Katharen, verlaten, in diep stilzwijgen. Allen hadden zich terug-getrokken in de omliggende bossen. Zo zou Simon nimmer een Kathaar in handen krijgen, terwijl toch de werkzaamheden in de Agenais, gedurende de strijd van Penne door konden gaan. 

Diep in de nacht, wanneer het legerkamp sliep trokken de Kathaarse leraren hun leerlingen aan. Onderwezen de kinderen der scholen en vertelden op hun zo sobere, eenvoudige wijze van de Leer der Liefde. 

Tegen de ochtendschemering, wanneer de eerste tekenen van leven in het kamp weer zichtbaar waren, was de rust in de omgeving weergekeerd en ving de bloedige strijd opnieuw aan. 

Zo zag de dag de strijd der ridders, terwijl de nacht de werken van de Paraclet in haar zwart fluwelen bescherming nam. 

Drie maanden lang werden des daags de gevechten gevoerd. Steeds opnieuw werden de belegeraars teruggeslagen. De monniken deden hun uiterste best de stormlopers aan te moedigen, te dreigen met hun god en gebod, doch de soldaten werden door de vrees zo overmand, dat zij zelfs op de meest energieke aanvuringen van de geestelijke leiders niet ingingen. 

De ridders van Penne, des nachts gesteund door de innerlijke bemoediging, die hen tot in het bloed geëtst werd, vreesden niets. Zij kenden het doel waarvoor zij vochten; zij kenden de  geestelijke doelstellingen van hun leermeesters Katharen en  wisten dat deze verheven mensen alles in het werk stelden om zoveel mogelijk zielen te redden uit de modderpoel van het   aardse leven. 

En deze mensen, gedreven door een innerlijke geestkracht, waren de offers van het leven der ridders dubbel en dwars waard. Deze ridders, in wezen gewone, eerzuchtige en vaak dynamische strijdlustige persoonlijkheden, hadden toch een innerlijke rust verkregen die zij naar waarde wisten te schatten. 

Was eerst hun hele leven en streven gericht op de ridderlijke  strijd zelf, op de schermutselingen van man tot man, nu hadden deze schermutselingen een achtergrond. 

Nu verdedigden zij met hun zwaard en met inzet van hun leven hun geestelijke leidsmannen, hun vrouwen, die zich in dienst van het Kathaarse leven hadden gesteld en hun kinderen die nog onderwezen werden in deze leer der Gnosis. 

Zij begrepen wonderwel dat tijd goud waard was; dat het slechts de tijd was die zij moesten dwingen langzamer te gaan; dat het de tijd was die elke minuut mede kon helpen om een nieuwe ziel veilig te stellen voor de handen van de wereldheerser. 

Zo streed in de middeleeuwen ieder zijn eigen strijd, hoewel ridders en Katharen zich geheel aan elkaar aanpasten en er tussen hen een onzichtbare band van wederzijds begrip was gegroeid. 

Zij, die met het zwaard streden misten de spirituele kwaliteiten voor de zware opgaaf die een leven, geheel gewijd aan de geest  van de Trooster stelde, doch datgene wat zij te geven hadden, gaven zij met volle handen en in volle overgave, met een innerlijke blijheid. Zo stonden ook deze mensen in dienst van het heilige Werk, dat mede voor een groot deel door hun opofferingsgezindheid zo lang doorgang mocht vinden en zovele mensen in de gehele wereld bereikte. 

Wij weten dat zelfs nog in onze tijd vele mensen ontroerd en innerlijk aangeraakt worden door het voorbeeld van deze middeleeuwse Katharen, zodat wij rustig kunnen zeggen dat de Geest die zij toen vertegenwoordigden en door welke zij zonder enige belemmering spraken, nu nog voortleeft in een wereld, die geheel in beslag wordt genomen door de tegenpartij, de wereldheerser. 

De ridderlijke verdedigers van Penne vernamen alras dat Simon zijn broer Gui te hulp wilde roepen, die zijn tijd inmiddels onledig maakte door Montségur aan te vallen. Een aanval die afgeslagen werd. 

Des nachts verlieten een honderdtal ridders de citadel en trokken naar het land van Thabor om Gui de Montfort onderweg te verrassen en zijn leger uit te dunnen. 

Doch Simon riep al zijn manschappen te hulp: hij kreeg versterkingen uit Carcassonne; Gui kwam met de rest van zijn manschappen en al zijn oorlogsmachines. 

Zo werd Penne omringd door oorlogstuig en door verse manschappen en hoog op de muren van de citadel stonden de moedige ridders van Penne, vermoeid, doch onvervaard. 

Zij zagen de honderden pelgrims zich samen trekken voor de zwartgeblakerde muren van de burcht. Zij zagen de ontelbare zwartrokken tussen hen doorlopen, het crucifix in de gevouwen handen en hun monden prevelden onophoudelijk de Latijnse formules: hun fanatieke blikken boorden zich in de ogen der kruisvaarders en zo, met hernieuwde ijver, werd Penne aangevallen. 

Hugo d'Alfar zag zijn mannen strijden met de moed der wanhoop: doch na elke man die zij afsloegen kwamen er twee terug: de stormloop hield niet op, steeds opnieuw waren er nieuwe soldaten. verse manschappen, gekomen van heinde en ver. Bedelaars en losgeslagenen der maatschappij, om voor een handvol goudstukken te moorden, waar zij maar konden. 

Toen kwam de dag waarop Alfar zich genoodzaakt zag de citadel over te geven. Hij daalde af tot in het legerkamp en stelde Montfort voor Penne aan hem over te dragen, wanneer de verdedigende ridders vrijuit mochten gaan. Montfort stemde toe.

Zo trokken de ridders, onder leiding van hun moedige aanvoerder Huga van Alfar weg uit Penne, en trokken de omliggende bossen in, sloten zich aan bij de andere burchten, die nog op de komst van Montfort wachtten en begeleidden de Katharen naar andere oorden, waar zij nog een ogenblik veilig konden spreken over de Gnosis en het doel. 

Heden ten dage is Penne wederom leidinggevend. Wederom kunnen wij spreken van een citadel, die zich verheft hoog boven de omgeving en waar zich een groep verdedigers heeft terug-getrokken. Nu zijn het alleen de dienaren van de wereldheerser  die binnen de muren van hun enorme Kathedraal dagelijks spiritueel zich voorbereiden, zich bezinnen op een geestelijke strijd, tussen de Paraclet en de wereldheerser. Een strijd die toch nimmer komen zal, daar de Paraclet nimmer strijdt. 

Een strijd echter die leeft in de harten van hen, die zich uit angst voor machtsverlies wapenen met de geestelijke wapenrusting die onzichtbaar, maar duidelijk voelbaar en waarneembaar voor hen die weten waarom het gaat geconstateerd wordt in de gebieden waar Wereldgod en Gnosis tezamen werkzaam zijn of geweest zijn.  

Onvermoeibaar waren de Katharen bezig geweest in Penne: tientallen jaren hadden zij hun uiterste best gedaan om het wezen der Gnosis te verankeren in het land van de Agenais, om bloed en bodem te doortrekken van het spirituele bloed der Trooster. En zij hadden succes. 

Nog zijn de dienaren der wereldheerser bezig om te trachten deze gnostieke bodem te reinigen van deze "ketterij". 

In het dorp Penne is de burgerij wederom ingeslapen onder de onophoudelijke slaapliederen die de monniken der burcht over hun geesten uitstorten. 

In rijen trekken zij bij feestdagen nu naar de oude ruïne van Penne; trekken als dode wezens langs de opgestelde kruisen: betreden de berg die tot een namaak-Golgotha geworden is en  hun tot wezenloze maskers geworden gezichten worden in deemoed opgeheven tot de smartelijke levensgrote crucifix, die   zo suggestief is, dat de sentimentelen en mystieken wel onder de indruk moeten komen van het door leed doorploegde gelaat van  de stenen zoon Gods. 

Zo wordt deze massa, staande op een oude Katharenplaats,  zonder eigen medeweten ontdaan van elke bevrijdingsmogelijkheid die zich misschien nog in hun micros zou   bevinden. Zij wordt ontdaan van alle nog overgebleven lichtether, die wellicht bij velen nog aanwezig is. 

En geladen met deze Lichtether verdwijnen de monniken  wederom achter hun muren en trachten zich te goed te doen aan  de ethervoeding die hun gereikt is. 

Het is een grote tragedie die zich heden ten dage afspeelt op de eens zo gewijde grond van Penne. 

Wanneer u een ogenblik toeft, in stilzwijgen in het gras dat nu tussen de ruïnen groeit, wanneer u uw ogen sluit voor de aanblik van de zo lijdende godenzoon en zijn eveneens lijdende moeder aan de andere kant, kunt u innerlijk doorvoelen hoe twee machten hier werkzaam zijn. 

Wanneer u zich afsluit voor de werking van de wereldheerser, die in ieder gnostiek mens een onzegbaar wee zal oproepen, kunt u  als van verre de stem van de Gnosis nog vernemen, die zingend   en vol liefde op u afkomt: die een onzegbare Liefde tot u overdraagt en die u aanraakt op de plaats waar uw atoom des harten nog werkzaam is. Dan deren u de uiterlijke kentekenen van de veroveraar van Penne niet meer. 

Dan weet u, tot in alle vezels van uw wezen dat een eenmaal door de Gnosis gewijde grond, nimmer meer te ontwijden is. En u  voelt zich, u weet zich rijker dan allen die dagelijks Penne   trachten te ontwijden, door de Kennis die voortleeft tot in eeuwigheid. Een Kennis die bezit genomen heeft van uw bloed   en die u eenmaal zal maken tot een Bevrijde, tot een onafhankelijke Ziel, die vrijuit kan gaan om de Algnosis te loven voor de onzegbare Wijsheid waarmede zij deze wereld zal leiden tot de uiteindelijke Zegepraal.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene