Hoofdstuk XIII

Nu wij door middel van de voorgaande twee hoofdstukken ons verdiept hebben in de strijd tegen het Katharisme en daardoor het spirituele wat op de achtergrond gekomen is, zullen wij in dit artikel ons grotendeels hij het spirituele gedeelte houden, dat door middel van de historie tot ons gekomen is. 

Zo langzamerhand bent u bekend geworden met het grootste gedeelte van de van de Franse historie betreffende de Kathaarse broederschap en u zult gelezen hebben dat door middel van dit Katharisme het voornaamste deel van het Franse volk bekend geworden is met de Gnostieke Idee.  

Nu zult u verstaan dat door de handen der inquisiteurs zo goed  als alle overgebleven oorspronkelijke literatuur der Katharen vernietigd is. Enkele boekwerken, enkele gezangen en enkele door hen gebruikte bijbelse gedeelten worden achter slot en grendel bewaard in Rome. 

Rome's heilige Augustinus heeft beslag kunnen leggen op  diverse oorspronkelijke geschriften en deze naar de kluizen van de Paus getransporteerd, terwijl de wereld slechts door middel van Augustinus' pen kennis maakte met de leringen die hierin werden neergeschreven. 

Monéta, één der vroegste kerkvaders, heeft 500 bladzijden van  hun geschriften overgenomen, zodat de mensheid toch op de hoogte kwam van hun voornaamste leerstellingen. 

Een zeer bekend schrijver der Katharen was Tétricus, beter  bekend onder zijn eigen naam: Guillaume de Nevers. Hij was   een kanunnik die in de historie van de Katharen een belangrijke onderwijzende rol heeft gespeeld. 

Men vindt onder hen echter zovele grote geesten; zovele bisschoppen die leven en werken in dienst van de Paraclet   stelden dat het niet mogelijk is de kwaliteiten van de één af te wegen tegen de voortreffelijkheden van de ander. 

Het is in een oud boek, geschreven door een Dominicaan (uit 1600) dat wij de grootste grief opgetekend vinden die de toenmalige katholieke kerk had tegen het Katharisme. Hoewel de Waldenzen tezelfdertijd opkwamen, onder de energieke leiding van Valdo en later Peter de Bruys en enkele anderen, zag men het Katharisme toch aan voor "Het Grote Gevaar". De Waldenzen werden slechts mede om zeep geholpen, "omdat dat in één   moeite doorging". 

Niet zozeer het verwerpen van de sacramentele katholieke reglementen, niet zozeer het verwerpen van de huwelijksnormen, niet zozeer het verwerpen van het Oude Testament als zijnde goddelijk, hadden de katholieke tegenstanders tegen hen, doch veel meer en wel in de eerste plaats het schijnbaar "zonder   leiding zijn", het één zijn in de groep. Het constant doorgaan niettegenstaande barbaarse tegenmaatregelen, zonder dat men beslag kon leggen op een leider, hoewel vele leiders de brandstapel opgevoerd werden. 

Wij hebben dit uit de mond van een dominicaan vernomen, sprekende in het jaar 1600 en vastgelegd op oud handgeschept papier. Na zovele historische geschriften doorgenomen te hebben van de hand van vele uiteenlopende schrijvers, woorden gekomen uit verschillende religieuze kampen, is het zeer merkwaardig tenslotte de geschriften in handen te krijgen van een man, die niet (zoals hij zelf zegt) direct bevangen wordt door medelijden en afschuw wanneer hij de gruwelen leest die de historici hebben vermeld met betrekking tot de inquisitie van de Katharen. 

De dominicaan kan zich voorstellen dat de lezers der historische geschriften zulk een emotie ondergaan, doch hij put zich op de navolgende bladzijden uit in excuses, als u het zo wilt verstaan,   en in het waarom van de vervolgingen. Wij hebben u geconfronteerd met de vele brandstapels, die werden opgericht; wij hebben u geconfronteerd met de meest fanatieke vervolgingen   die ondernomen werden, berichten die tot ons gekomen zijn  vanuit de tijd der middeleeuwen. 

Pierre de Vaux-Cernay, de schrijvende monnik die de meeste kruistochten vergezelde en die, gezien zijn berichten een zeer nauwgezet monnik was, naast een fanatiek katholiek, vertelt ons de meest afgrijselijke bijzonderheden betreffende de overwinningen op de burchten (Minerve, Lavaur, Penne en nog andere). Hoewel hij alles vertelt en niets overslaat, zingt hij naast deze bewijzen van de angst voor het gnosticisme, toch de lof van de bisschoppen en legaten, die steeds voorop gingen bij elke afslachting. 

Natuurlijk, dat kon hij niet laten. 

Hoewel onze dominicaan uit 1600 alle eer laat aan de berichten van Vaux-Cernay, gezien hij een ooggetuige was, nam hij diens gruwelberichten niet over, slechts de lofzangen betreffende de verdelgers. 

Zo'n grote angst hadden de katholieke leiders voor de Katharen, dat zij openlijk toegeven door middel van het dominicaans geschrift dat, zou de kerk niet te vuur en te zwaard ingegrepen hebben, de gehele wereld door dit geloof geïnfecteerd was geworden! 

Het was een leer die reeds eeuwen tevoren in diverse wereldcontinenten was verspreid, in Afrika door de Manicheeën, later verspreid tot in Egypte en overgenomen door de Paulicianen; naast hen gingen de Priscillianen, de Marcionieten. 

Wij spreken nu nog slechts van de eerste eeuwen na Christus. Tenslotte is het gehele vasteland van Europa overspoeld met Gnostici, onder welke groepsnaam men hen ook wil rangschikken. 

Waar de kerk ook zijn wachtposten uitzette, overal doken zij achter hun ruggen op. In elk tijdsbestek: tijdens de woelige politieke jaren, tijdens de landverhuizingen, tijdens de invasies van de Vikingen, te allen tijde waren er Gnostici die zich met hen verplaatsten om in een land, waar de leer nog niet bekend was, deze leer te verspreiden. 

Het was niet mogelijk deze gnostieke golf tegen te houden. De Pausen uit die tijd zonden hun afgezanten naar keizers en koningen, naar sultans en hoofdmannen der barbaren om hen te waarschuwen tegen de ketterij. Doch tevergeefs! 

De sultans en de vrijgevochten leiders der verspreide volkeren stoorden zich niet aan de Paus en de keizers en koningen deden schijnbaar hun best de pauselijke raad op te volgen, doch, vooral de Slavische machthebbers, lieten de Gnostici oogluikend toe. 

Zij konden geen kwaad van hen spreken, noch onrecht van hen ontdekken. 

Zo kwam langzaam maar zeker een Gnostiek geloof in Europa zijn voorboden uitzetten. 

In Bulgarije noemde men hen in de tijden der middeleeuwen: Bogomielen, in Italië: Patarenen, in de Slavische landen sprak  men van Manicheeën, of ook wel Paulicianen en in Frankrijk   wist men voor hen nog geen naam te bedenken en noemde men  ze Ûf Manicheeën (de eerstkomenden) Ûf Albigenzen, omdat zij rond Albi veelvuldig aangetroffen werden totdat men overging op de naam Catharen. 

En gaat men de idee van dit middeleeuwse geloof na, dan kan  men onophoudelijk doorvorsen totdat men vastgelopen is in de schaarse berichten van het begin onzer jaartelling. Reeds voor Christus' verschijnen waren er gnostieke Boodschappers. En de grote lijn in hun leer is steeds weer terug te vinden. De schakeringen van de diverse bijkomstigheden deed hen zich verdelen in groepen, die door de tezelfdertijd levende mensheid met diverse namen aangeduid werden. Zo kwamen de Katharen voort uit een zeer oud Gnostiek geslacht; predikten zij leerstellingen die reeds lang voor hen gepredikt werden. 

Doch de kerk, met het verschijnen van de eerste Katharen in Frankrijk, had reeds tol betaald met de ervaringen in de overige landen en was op haar hoede. 

Daarom viel men direct aan. 

Zouden ook de grote Europese landen ten offer vallen dan was er niets meer dat een gnostieke vloedgolf in de weg stond. Reeds vermoedde men, dat er verbindingen bestonden tussen de Patarenen in Italië, de Bogomielen in Bulgarije en de   Manicheeën in Afrika; reeds vermoedde men dat er Priscillianen overgestoken waren naar het Europese vasteland om te onderzoeken in hoeverre bloed en bodem daar geschikt zouden zijn voor een Gnostieke injectie. 

Doch pas Paus Innocentius III, een fanatiek, een intelligent en   een eerzuchtig man, begreep hoe groot het gevaar wel was dat de wereld bedreigde. Bezien vanuit het roomse standpunt.  

Daarom was hij het die naast de kruistochten naar Jeruzalem, de Albigenser kruistochten predikte. Nog weten de historici niet of hij of Dominicus op het grandioze idee gekomen is, doch het is zeker dat de massale uitroeiing plaats vond door middel van het samengaan van deze twee grote roomse geesten, in dienst staande van hun geloof. Direct onder invloed staande van een wereld-leider die grote fanatieke geesten nodig heeft om een gnostiek gevaar te onderdrukken. 

Dominicus was groot in zijn eigen genre: hij ging rond als een devoot man, barrevoets, slechts een stok sierde zijn hand en hij predikte als één die bezield werd door de geest.  

Vanzelfsprekend! 

De geest van de wereldheerser zelf, als tegenpool van de  gnostieke geest, had hem gevangen en inspireerde hem. 

Innocentius was groot door zijn macht; groot door zijn niets ontziende heerschappij, die hij op alle fronten bewees. 

Koningen noch keizers, zo zij rooms waren en dat waren bijna allen, ontkwamen aan zijn invloed. Hij dreigde met banvloeken. excommunicatie en desnoods zette hij de ene koning tegen de andere op, zodat een bloedige oorlog ontstond, waarin zijn religieuze leiders wel zorgden voor het sneuvelen van vele gnostici. 

Het is tekenend voor deze man dat de laatste woorden op zijn sterfbed waren: "Zwaard, zwaard, verlaat de schede". En deze woorden werden uitgesproken vele jaren nadat de bloedige kruistochten in de Midi reeds beëindigd waren, doch in een tijd waarin het Gnosticisme zijn kop weer begon op te steken en de roomse prelaten jammerklacht op jammerklacht stuurden naar de reeds stervende Innocentius III. 

De ridders uit de Midi maakten veelal voor het eerst kennis met  de gnostieke leer tijdens hun kruistochten naar Palestina. Daar leefden oude wijsgeren, die leringen verkondigden die van leraar op leraar overgedragen waren. 

De ridders keerden huiswaarts met geheel nieuwe zienswijzen omtrent de Bijbelboeken; geheel nieuwe zienswijzen omtrent de politiek der kerk; en zij zochten in hun land aansluiting met gnostieke Boodschappers. En deze kwamen; zij snelden de vaak onuitgesproken verlangens tegemoet. 

Zo groeide het katharisme.

De Waldenzen leefden naast het Katharisme als een flauwe afspiegeling van de Katharen zelf. Peter Valdo, hun grote leider, werd verbrand; zijn opvolger was minder groot en wijzigde de leer naar eigen inzichten; ook hij werd gegrepen; zijn opvolger was weer minder groot dan hij en deed nog meer water bij de wijn, probeerde zelfs een compromis te sluiten met de kerk, hetgeen  niet lukte door het protest van zijn volgelingen, totdat ook hem   het zwijgen opgelegd werd. Zo stierf het oorspronkelijk gnostieke Waldenzendom de dood van de ondergang in de tredmolen van toegestane religiën. Nu rest slechts nog, als enige herinnering aan een gnostiek verleden: haar naam. 

Nicetas, de grote Katharenleider kwam juist op tijd in Frankrijk om er een basis te leggen. Daarna was het net met meer noodzakelijk om te reizen. 

Waren er niet andere wegen om contact met de verspreide Boodschappers te houden? 

Zo bewees het Katharisme, dat het stand kon houden. eeuwenlang, niettegenstaande vele leiders verbrand werden. Want de Ene Leider, direct staande onder de gnostieke Vlam, hield ongezien contact met allen die, gerijpt door hun bloedsstaat, hun leven in dienst hadden gesteld van de Gnosis.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene