Hoofdstuk X

Het gnostieke Licht trok met Esclarmonde mee naar Montségur en liet Pamiers achter als een dode stad, in wiens hart de leeuw  van Montfort een zetel had gevonden. 

Carcassonne, als vesting van Simon de Montfort borg nog steeds zijn oude heer, Raymon-Roger van Carcassonne, binnen zijn muren en slechts node verliet Simon de stad, daar hij beangst was deze zo geliefde ridder alleen te laten op een plaats, waar de wrok en haat, tegen hem (Simon) nog verkapt broeide. 

Slechts voor een gevecht, voor een verovering verliet hij Carcassonne, doch haastte zich steeds weer terug te keren. vol vrees de mogelijke gebeurtenissen tegemoet ziende. 

Nooit liet hij zijn edele en waardevolle gevangene zonder een kundig cipier achter. Zo was, tijdens de schermutselingen om Pamiers, de bisschop van Côteaux de bewaker van Raymon-Roger geweest. 

Deze zuchtte, onkundig van de beroeringen in de buiten hem, in de donkere ondergrondse cel van de slottoren van het kasteel en zijn ondermijnd gestel had van deze jonge, krachtige man een uitgeteerde ziekelijke zwakkeling gemaakt. 

Doch in hem leefde nog een onverzettelijke wil, een onuitblusbare hoop op de uiteindelijke overwinning van de bevriende edelen. 

Tenslotte vond de dood hem in zijn kerker en het nieuws verspreidde zich in Carcassonne dat Raymon-Roger gestorven was aan dysenterie. 

Maar het volk hechtte geen geloof aan deze doodsoorzaak: Simon de Montfort is de moordenaar van onze burggraaf, zo zeiden zij, hij vergiftigde hem. 

De praatjes hielden aan. 5 jaren later nog hoorde paus  Innocentius III de berichten omtrent de moord op Raymon- Roger. Doch deze keurde de daad van Simon goed en zweeg. Raymon-Roger werd opgebaard in St.Nazair, zijn gelaat bedekt door een doek. 

Men had hem op een prachtige verhoging gelegd en van overal kwam het volk om voor hem te bidden. 

De toeloop en de verborgen dreiging, die van de enorme massa van dit volk uitging, verontrustten Simon echter zo hevig dat hij haastig het lijk liet wegnemen; men heeft er nimmer meer iets van gevonden. 

In deze tijd stierf ook de oude Gaucéli, de Kathaarse patriarch en Guilhabert de Castres volgde hem op. 

Geleidelijk aan werden de overwonnen kastelen door Simon de Montfort met een royaal gebaar geschonken aan zijn veldheren, zijn familieleden of vrienden. 

Zo bevonden zich op alle overwonnen burchten bevriende kasteelheren, die hem waarschuwden wanneer eventueel gevaar dreigde. Prouille, de kleine onaanzienlijke vlek met het niet al te sterke kasteel, kreeg de eer de zetel te worden van Dominicus. 

Het kasteel was oorspronkelijk het bezit van het huis Armens, een familie die afstamde van de Bulgaarse Paulicianen uit de 9de eeuw: nu hadden zij, door het gnostieke bloed van hun voor-ouders gedreven, het Kathaarse geloof aangenomen. 

Hun bezit was een Kathaars brandpunt geworden. 

Iedere avond waren er bijeenkomsten, waar dona Turca, een dochter van de Armens, predikte. 

Het kasteel van Prouille, eens bewoond door Auda de Prouille, wordt eigendom van Dominicus en hij maakt er direct een  klooster van voor zijn monniken. 

Wanneer men nu in deze omgeving door het Franse land rijdt wordt men door bordjes attent gemaakt op Prouille, het heiligdom der dominicanen en het monsterklooster, gigantisch, praalzuchtig en majestueus, verheft zijn torens tot ver boven de omringende bomen en de hoge muren die het beschermen. 

Zo voert er een weg langs Fanjeaux, waar het vakantieoord der dominicanen ingericht is, tot aan Prouille, het klooster, De gehele omgeving ademt de sfeer van Dominici: de bevolking komt naar het klooster en neemt een ogenblik rust op de banken, die voor  het imposante gebouw opgesteld zijn, om er te mediteren, te keuvelen of te breien. Zo vertoeven zij steeds weer opnieuw in de vibratie van de grote verdelger Dominicus; zo ademen zij elke   dag opnieuw de etherwolken in die uitgaan van deze magisch in stand gehouden vesting. 

Er heerst doodse stilte rondom het klooster: zijn witte muren, beschenen door de zomerse zon, verblinden bijna de blik en zelfs de bomen durven amper met hun bladeren ruisen; een haastige broeder komt uit de geopende deuren, waarachter het portaal, verdronken in de geur van wierook en kruiden, ongestoord dromen droomt. Geen onheilige voet zal het betreden; geen luide stem zal de stilte verstoren; het is er koel en onaards. Achter de donkere deuren, die uitkomen in het voorportaal ligt het geheim. Het geheim van een magie, die zonder ophouden beoefend wordt. 

  Het klooster ligt even achter de oude heuvel, waar vroeger het kasteel op lag. Van deze heuvel heeft men een Calvarieberg gemaakt. Tussen de bomen ziet men het reusachtige crucifix schemeren en de tuin rondom is bedeplaats voor de monniken.  Zo is geheel Prouille geworden tot een bolwerk van de Dominicanen. Zo beukt men dag in dag uit, door bidstonden en aanhoudend gemediteer, op het krachtveld dat eens door de Armens opgebouwd werd. 

En nog is dit krachtveld niet dood. Nog spreekt het tot hem of haar in wie de gnostieke vibratie leeft. 

Nooit zal men er in slagen een gnostiek krachtveld te verdelgen, hoezeer men het ook volbouwt met uiterlijke vormen van een machtige religie, hoezeer men ook de bezoekende mensen tracht  te boeien door overdonderende bewijzen van uiterlijke vroomheid. 

Een gnostiek krachtveld IS. Het is zonder vorm en zonder wereldse oogstrelingen. 

Het krachtveld Is en Staat voor hem of haar die deel heeft aan de Broederschap van de Paraclet. 

Daarom is het onmogelijk een eens gevestigd brandpunt te verdelgen; en daarom is het dat de Paraclet steeds opnieuw vol vreugde en moed de gebeurtenissen in het wereldse veld tegentreedt. 

Er is geen hand die zijn Werken ongedaan kan maken, want de Paraclet zelf treedt als beschermer op.  


Alle kleinere plaatsen vielen in handen van de leeuw van  Montfort. Het was onmogelijk de zwakkere kastelen te verdedigen tegen een overmacht, zo overweldigend. 

Saissac werd geschonken aan Bourchard Marli, een neef van Simon. Saissac als verzamelplaats van de Kathaarse gemeen-schappen uit die omgeving had afgedaan. Bertrand de Saissac, als een vooraanstaand wijs man, leraar van vele adellijke kinderen,  was een toevlucht voor de Katharen uit geheel Frankrijk en zijn kasteel stond open voor rijk en arm.  

Avond aan avond deelde hij hen de wijsheden mede die   regelrecht kwamen uit de Bron, het gnostieke Vuur, dat hem inspireerde. Daar hielden zij hun bijeenkomsten, hun meditaties, daar keerden zij in tot zichzelve. 

Is het te verwonderen dat ook Saissac nu nog de zuiverheid. en de ongereptheid kent die eens het kenmerk der Katharen was? 

Het is een typisch plaatsje. 

De bezoeker wordt getroffen door de oude straatjes, die allen nog de bekende historische namen dragen; door de poortjes, die  steeds weer verrassingen achter zich bergen en door de plotselinge watervallen die men midden in het dorpje tegenkomt. Saissac droomt nog steeds Het is een dorp dat, onberoerd door de wreedheden der wereld, verzonken ligt in een historische sluimer. 

Ziet, de gezichten der mensen zijn hier anders; ingetogener, rustiger, wijzer.    

Men komt er typen tegen die frapperen door hun voornaamheid, door hun gelaatsstraling en door hun uiterste vriendelijkheid. Natuurlijk kent men er de geschiedenis van het kasteel. 

Het kasteel is Saissac. 

Rondom 't kasteel liggen de tuinen van de diverse leden der dorpsgemeenschap; nijvere handen hebben nu van de kasteeltuin een verscheidenheid van bloemen- en groentetuinen gemaakt. 

Over een klein, romantisch bruggetje kan men over de bruisende beek komen tot ver in de oude kasteeltuin, over een smal weggetje dat geleidelijk aan omhoog voert en een fantastisch uitzicht geeft over de omgeving, waarin het kasteel domineert.  

Bourchard de Marli, als onrechtmatig eigenaar van het kasteel van Saissac, had geen oog voor de zuiverheid, de schoonheid van zijn omgeving. Zijn hart was vervuld van eerzucht, van wraakzucht en dorst naar bezit. 

Geschaard aan de zijde van Montfort dacht hij dat niets en niemand hem durfde te weerstaan en hij liet een welgevallig oog vallen op de sterke torens van Cap-Aret. Doch de oude Pierre-Roger van Cap-Aret, een kundig en moedig veldheer was een tegenstander om beducht voor te zijn. Hij lokte de ijdele Bourchard in een valstrik. Deze viel in handen van de ridders en men nam hem gevangen. 

De blijde mare deed snel de ronde en overal voelden de edelen zich gesterkt door deze overwinning van Pierre-Roger en er ontstond een algemeen verweer tegen Montfort. Améric de Montreal viel Montfort af, daarna volgde Lombers, daarna Castres. Heel de Midi ontsnapte aan de handen van Montfort: slechts enkele zwakke slottorens bleven hem over.  

Montfort zelf, in beslag genomen door de onrusten binnen de muren van Carcassonne kon slechts met lede ogen toezien hoe  het ene kasteel na het andere hem ontviel. 

Hij riep, ten einde raad, de hulp in van Gui, abt van Vaux-Cernay, degene die later als ooggetuige alle tochten van Montfort zal op tekenen voor het nageslacht. 

Gui was een tweede Almaric. Vol enthousiasme wierp hij zich op zijn taak. Riep God en alle heiligen aan en kondigde een  nieuwe kruistocht aan. Doch ook hij kon niet verhinderen dat wederom meer dan veertig slottorens Montfort afzwoeren. 

Montfort kon slechts wachten op twee dingen: de aankomst van zijn vrouw Alix aan het hoofd van een groot kruisleger uit het noorden en op de terugkomst van zijn afgezant naar Rome, Robert de Mauvoisin. 

Inmiddels kwam ook de koning van Aragon ten tonele, hiertoe aangezet door de dood van zijn neef, de burggraaf van Carcassonne. Deze jonge koning, een voornaam en edel ridder, was zeer bekend aan de hoven van de Midi, vanwege zijn   muzikale gaven. 

Ook op het moment van de verloren macht van Simon de Montfort kwamen de troubadours in het geweer. Zij trokken van hof tot hof, bezongen de heilige strijd: moedigden de edelen aan en bezielden hen.  

Zo wachtte Frankrijk in spanning op de dingen die komen zouden: het kruisleger, optrekkend langs de Rhône vorderde slechts langzaam. Van deze duizenden vagebonden, hunkerend naar brood en spelen, zouden de levens van vele onschuldigen en heiligen afhangen. 

Op de Franse burchten maakte men zich klaar ten strijde, wetende dat de laatste wapenkreet nog niet geklonken had en hopende op uitkomst voor vele honderden Kathaarse voorgangers, die onbevreesd hun weg gingen. 

Bezield door de roep: Redt de zielen die hongerende zijn en redt hen te allen tijde, gingen deze heilige Katharen ieder huns weegs, doende wat hun handen, hun harten en hun hoofden vonden dat gedaan moest worden.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene