Hoofdstuk I

Aan het einde van de l0de en in het begin van de 11de eeuw kwamen de eerste Katharen vanuit Italië naar Frankrijk en begonnen hun leerstellingen te verkondigen in een land, waar de religieuze heerschappij in handen van de rooms-katholieke kerk lag. Doch vele mensen, begiftigd met een zelfstandig denken en uit hun lethargie en slaafse volgzaamheid van een dogma gewekt door de geestelijke twijfel, wendden zich tot een andere uitdrukkingsvorm voor het belijden van hun geloof. Zij onder-zochten vele andere oudere broederschappen, zoals de Priscillianen, de Paulicianen, de Manicheëen, en herkenden in al deze leren dezelfde grote lijn. Toen zij zich voldoende losgemaakt hadden van het strakke dogma der kerken werden zij, vanzelfsprekend niet door toeval, daar dit in het gnostieke denken niet bestaat, in kennis gebracht met eenzelfde broederschap die in hun eigen land, in het nu, de Gnosis beleed. Zo werden langzamerhand vele zoekers naar de innerlijke waarheid opgenomen in de gemeenschap der Katharen (Het woord Kathaar komt van Catharos).

In de Europese landen gaf Italië de toon aan. Verspreid over al haar provinciën predikten daar de Katharen onder leiding van grote zielen, die hun gehele leven aan het uitdragen van de oude gnostiek wijdden. 

Na Italië kwam Frankrijk aan de beurt. 

Girard de Monteforte, als één der grote leiders van de Italiaanse Kathaarse gemeenschappen, stuurde velen van zijn trouwste volgelingen heen om Frankrijk te bewerken.

Stromen van missionarissen, die de Kathaarse leer in het geheim beleden, mannen en vrouwen, gingen de grens over. Zij hadden allen het aards bezit afgezworen en zich slechts in dienst gesteld van hun overtuiging. In de aanvang was het verbreiden een eenvoudige 

opgave, want de kerk, nog niet te zeer verontrust, had nog niet haar tegenmaatregelen getroffen tot behoud van haar organisatie. Nog niet. 

De Italianen verspreidden zich over geheel Frankrijk en gingen van huis tot huis. Het waren mensen van een zeer voorname levenswandel; mensen die zich hadden afgekeerd van alle wereldse belangen, waardoor zij door de bevolking weldra werden geliefd en vereerd. 

In de 5de eeuw had Frankrijk het Priscillianisme gekend, een leer vol van de gnostieke elementen, en zij, die in hun hart nog de herinnering droegen aan deze oude gemeenschap, herkenden in de nieuwe Kathaarse leer dezelfde gnostiek. Vol overgave sloten zij zich bij deze gnostieken aan en verkochten have en goed om zich, geheel los van enige aardse band, te kunnen wijden aan het herstel van de gnosis (Kennis des harten, eerste wijsheid). 

In de Champagne had in de 4de eeuw een man gewoond, die vele jaren een nieuwe leer trachtte te verspreiden, doch die zeer op zijn hoede moest zijn voor de vervolgingen der kerk, zijn naam was Fortunatas en hij had bezien vanuit het standpunt der kerk, een misdaad op zijn geweten. Hij was een Manicheeër uit Afrika, uit Hippone. 

Overijld had hij deze stad moeten verlaten, zonder afscheid te kunnen nemen van de vele Manicheëen die hier woonden, want de kerk zocht hem, omdat hij zonder enige vorm van proces Augustinus uit de Manichese gelederen had verwijderd.

Na de ontdekking dat deze Augustinus zijn opname in de broederschap gebruikte om in het geheim de kerk tegen haar op te zetten, maakte Fortunatas korte metten met de verrader. 

Augustinus heeft door zijn latere werken dan ook bewezen, dat hij een werkelijke verrader van deze gnostieke sekte was geweest. Leest u er zijn werken maar op na, die hij geschreven heeft ten nadele van de Manicheëen. Eerst één der hunnen, keerde hij zich daarna fel tegen hen, gewapend met hun eigen leer, die hij valselijk aanhaalde en naar zijn eigen hand zette. In onze tijd nog worden door vele historici de vermeldingen van Augustinus over 

de Manicheëen voor uniek en zeldzaam gehouden. 

In de Gascogne begonnen de Katharen met een groots opgezette campagne, waarin Toulouse de hoofdzetel werd, vanwaar zij zich snel uitbreidden ten zuiden van de Loire, in de Perigord, in het bisdom Limoges en in de buurt van Poitiers. 

In de Champagne werd de trotse en sterke burcht Mont-Aime (later Montwimer) hun hoofdzetel. Hier had Fortunatas vele bekende persoonlijk-heden als leden van het Manichees-Katharisme bevestigd. 

In Reims is hun aantal in de laatste jaren van de l0de eeuw niet te overzien en zo onrustbarend snel stijgt hun aantal dat de bisschop van Reims persoonlijk en openlijk zich fel tegen hen keert en in het openbaar zijn (niet bepaald vleiende) mening over de Katharen verkondigt. Nog is echter de lont niet in het kruitvat gestoken. 

De grote meerderheid der edelen, heersers op hun markante en romantische burchten, verklaren zich fideel aan de Katharen. De kerk verliest steeds meer volgelingen en het volk, in zijn primitieve aanhankelijkheid, keert zich op haar manier tegen de kerkelijke leiders. 

De bisschoppen worden onrustig en maken melding van het teruglopen van het aantal hunner gemeenteleden. 

Er worden concilies belegd, pamfletten verspreid, strenge maatregelen tegen allen die zich bij de Katharen aansluiten aangekondigd. 

Tot in 1119, tijdens een concilie te Toulouse, door Paus Soliste II zelf bevel wordt gegeven om snel zeer strenge represailles tegen de Katharen te ondernemen. Nu is het moment aangebroken om de vervolging tegen deze gnostieke sekte in te zetten. 

Alle gemoederen die in het geheim de onrustbarende groei der Katharen met afgunst en afschuw waarnamen, barstten nu los in een felle woede, zich uitende in de vervolgingsmethoden. Er ontstaan twee partijen, de Katholieken en de Katharen. 

De edelen werpen zich met hun soldaten in de gevechten om de kastelen en ook de kerk roept mensen tezamen in dienst van 'God en kerk'. In dienst van 'God en kerk' is alles getolereerd. Daarom krijgen de militaire leiders carte blanche en kunnen zij hun drang tot vechten, hun begeerte tot plunderen en hun sadistische dorst botvieren op de leden van Kathaarse groepen. 


Doch heden zijn er velen, die deze oude sekte recht willen laten wedervaren in de historie en de mensheid bekend willen maken met de ware feiten. 

Een zwarte bladzijde in de kerkhistorie.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene