Hoofdstuk 9

"Nu gebeurde het echter, dat de mensenkinderen in die dagen zich vermeerderd hadden, en hen mooie en aantrekkelijke dochters geboren waren, en dat de engelen, de zonen van de hemel, hen aanschouwd hadden en hen begeerden, en zo sprak de ene tot de andere: "Kom, wij zullen ons vrouwen zoeken uit het geslacht der mensen en kinderen verwekken." Dan sprak Sannhasai, hun leider, tot hen: "Ik ben bevreesd, dat gij wellicht door deze daad zult omkomen, en ik alleen voor zulk een vergrijp zal moeten boeten ......" 


Op dit tijdstip bevonden zich deze "engelen" in de eerste Hemel. 

Zij werden geïntrigeerd door het voortbrengingsprincipe van de natuur, waardoor de begeerte in hen werd opgewekt. 

Zowel "engelen" als mensen bestaan door middel van een samenspel der vier elementen: lucht, water, vuur en aarde, hoewel het aarde-principe bij de wezens uit de hemelen latent aanwezig is.

Door een opwekken van de begeerte wordt dit aarde-element tot reactie gedwongen, waarna het aards-menselijke in de "hemel-wezens" actief wordt. 

In de beschrijving van de afdalingsplannen van de "engelen", kan men herkennen hoe alles begonnen is met de wil, want "zij volgden hun eigen wil". 

De wil is het begin van de "zondeval" geweest en zal ook de "terugkeer" bevestigen. Daar waar de wil van het hemelse wezen zich verzet tegen de wil van de Allerhoogste, is het begin van anarchie aanwezig. 

Indien deze zelfde wil zich verzet tegen de geestloze heerschappij op aarde, is hier een anarchie tegen de geesteloosheid ingezet. 

Anarchie is: het zich afzonderen van het grote geheel en zijn eigen wil door zetten, volkomen ontoegankelijk blijken voor beïnvloeding, onverschillig van welke zijde deze zal komen. 

In onze moderne tijd, waarin anarchie verantwoordelijk is voor velerlei soorten van chaos, ook in ons eigen natuurlijke organisme, zal de houding van deze "engelen" begrip ontmoeten. 

Binnen de tweede Hemel, zoals beschreven in het Boek Henoch, is de vrije wil, die verantwoordelijk is voor val en opstanding, hen ontnomen. Zij zijn gevallen, maar kunnen niet terugkeren tot hun plaatsen.

De door begeerte gedreven Lichtwezens straffen zichzelf, doordat zij hun terugkeer door willoosheid versperren.

Ook in een, van autoriteiten afhankelijke massa, die slechts op aanwijzingen van leiders en meesters leeft, zien we hetzelfde gebeuren. 

De vrije wil is machteloos geworden.

Er rest hen dan niets anders, zoals ook in de tweede Hemel bij deze "gevallen engelen" te zien is, dan een individuum met een vrije wil, zoals Henoch, om voorspraak te smeken. 

Zij zien geen andere vorm van bevrijding dan de buiten hen staande middelaar. 

Ook op aarde is deze machteloosheid goed te herkennen. 

Er zijn tallozen, die er vast van overtuigd zijn, dat zij uit zichzelf niets kunnen en zich in opperste wanhoop tot middelaars wenden, aan wier hand zij mogelijkerwijs uit de narigheid hopen te komen. 

Deze willozen zijn veroordeeld tot een inactief wachten, volkomen afhankelijk van degenen, die hen voorgaan. 

De weg van de vrije wil is altijd riskanter dan de weg van de slaafsen, maar hij is ook directer en waardevoller. 

Ervaringen, die rijpen, kunnen anderen niet voor ons verzamelen.

Indien de vrije wil nog in de zoekende mens aanwezig is, dan moeten zij daar mede beginnen en zijn gerichtheid, indien nodig, dus ompolen. 

Dat kost inspanning. Een bijna vergeten woord in een tijd waarin gemakzucht en nabootsing hoogtij vieren. 

Daarom hebben de mensen met de vrije wil het veel moeilijker dan de slaven. Hoewel beiden lijden. 

De eerste, omdat hij tot alles in staat is, maar alles veelal nalaat, de tweede omdat hij hunkert, maar zich machteloos gevoelt. 

Toch zijn beiden met elkander verbonden.

Het is onmogelijk de afhankelijke onafhankelijkheid aan te praten, maar het is even onmogelijk de onafhankelijke een omturning van zijn vrije wil aan te praten. 

De afhankelijken proberen hun lijdzame wachten te vergeten door zich te laten boeien door schone, dikwijls mediamieke, vergezichten van anderen, de onafhankelijken hebben daaraan geen behoefte. 

Zij roepen altijd om feiten, daden, praktijk.

Helaas vergetende, dat juist zij de praktizerenden behoren te zijn.

De afhankelijken willen bedrogen worden, opdat zij zichzelf vergeten kunnen, de onafhankelijken kunnen zichzelf meestal niet vergeten, daar zij hun capaciteiten min of meer kennen. 

De zelfstandige, zelfbewuste mens, degene die heel goed weet waar de belemmering in de terugkeer ligt, kan moeilijk begrip opbrengen voor de slaafse, om hulp smekende mens.  

Tussen hem en de ander ligt een afgrond.

Hetzelfde ziet men in de verhouding tussen Henoch en de "ge-vallen engelen", die niets meer kunnen dan smeken, en zelfs zo ver gaan, dat zij "een sterfelijk mens" om voorspraak bidden. 

"Wie ben ik, een sterfelijk mens, dat ik voor engelen zou kunnen bidden?" 

Tussen Henoch, de uitverkoren man Gods en de "gevallen engelen" ligt een afgrond, een totaal existentie verschil. 

Henoch is géén gevallen "engel", maar behoort tot de ongevallen Lichtzonen, die bemoeienis houden met de aarde-mensheid.  

Hij staat buiten het proces rond de "zondeval" .

Hij is sterfelijk, hoewel hij het eeuwigheidsprincipe meedraagt; hij kan op aarde leven, maar eveneens de zeven hemelen binnengaan.

Zolang hij binnen deze zevenheid beweegt, kan hij zowel in de zeven sferen als op aarde contact houden met de daar levende schepselen. Het moment om de begrenzing van deze zevenheid te verbreken komt pas na het volbrengen van zijn opdracht. 

In deze tweede Hemel doen de geboeide engelen ook geen enkele poging om individueel God te loven, om zich van binnenuit "om te wenden"; zij blijven geboeid en beklagen zich. 

Het is deze voortdurende verzuchting, die hen geketend houdt; zij omringen zich met lichtloosheid en komen niet tot een doorbraak. 

Dezelfde gedragingen zien we in een religieus of sociaal afhankelijke massa. 

Zij bestaat door het vragen, het smeken, het weeklagen. 

Een massa wordt nimmer bevredigd, omdat daarin het element "vrede" ontbreekt. 

De massa moet men voeden, zij voedt zichzelf niet.

Wie tot een massa behoort, onverschillig op welk gebied, wordt opgeslokt door het geweeklaag, dat iemand tot een machteloos geketende kan maken. 

De menigte schept niet, zij plant zich voort. 

Dit is een heel belangrijke signatuur, omdat het verschil tussen scheppen en voortplanten ligt in een individueel aanwezig levens-beginsel: het leven scheppen uit het z.g. levenloze. 

De "engelen" beschikken over een scheppend element.

Zij, die in staat zijn te scheppen, krijgen volgelingen, discipelen, slaven, nullen, die zich, terwille van HET leven, aan hem vast-klampen. 

De "gevallen engelen", begiftigd met dit principe, misleiden de-genen, die van hen afhankelijk werden, en zo werden zij geboeid in de vijfde Hemel. 

De hemel, die de zelfstandigen herbergt, degenen die met de vijfpuntige ster deden hetgeen hen goeddunkte: zij maakten deze tot een Ster des Lichts of een Wedergeboortester, dan wel tot een teken van satan, toen zij hem met de punt naar beneden draaiden. 

Men kan echter nooit stellen dat zij, die de volgelingen van de Lichtzoon leiders kunnen worden genoemd, schuldeloos zijn aan de indaling of val. 

Het gesprek tussen hen en Sannhasai zegt genoeg. 

Zij werden gewaarschuwd, maar zij gingen bewust en wilsgericht op de weg-naar-beneden verder, nadat zij eerst "een eed zwoeren dat zij van hun opdracht niet zouden afdwalen". 

Hierdoor ligt er, sinds eeuwen, een volksvloek op de eed.

Het is de eerste, in de mensheidsgeschiedenis bekende, eed die gebroken werd en daardoor tot een nog immer doorwerkende vervloeking werd. 

Op het moment dat de "engelen" deze belofte verbraken, verrieden zij hun vrije wil, waardoor deze zich tegen hen keerde. 

Een vrije wil is een gave Gods.

Een verraden vrije wil wordt tot een vloek van de demon.

Deze oerbelofte is een aangelegenheid tussen het licht, of de alomtegenwoordige Schepper en zijn "engelen", niet zozeer een kwestie tussen Sannhasai en zijn leiders. 

De eerstgeborene heeft rekenschap af te leggen voor zijn Vader.

De zoon des Lichts heeft verantwoording af te leggen tegenover het Licht. De machteloosheid waarin vele "gevallen lichtzonen" momenteel verkeren en waarbij zij zeggen: "Ik wil wel, maar ik kan niet", is een verstrekkend gevolg van een verraad van de vrije wil, ontstaan bij de "zondeval", bij zijn bewust doorbreken van de grens tussen licht en duister. 

Het herbelevendigen van de vrije wil is daarom de allereerste taak voor een "gevallen Lichtzoon", want zonder deze vrije wil kan wedergeboorte in het Licht niet plaatsvinden. 

En dat is toch het doel van degenen die uit het Licht kwamen?

1970 - 2018, copyright Henk en Mia Leene