Hoofdstuk 8

In de eerste Hemel bevindt zich het levensbeginsel. 

Daar verenigt zich positief en negatief op een onaardse wijze om binnen het universum het hogere levensbeginsel te brengen. 

Indien deze eerste Hemel afwezig zou. zijn, zou er slechts het biologische voortplantingsproces bestaan, waarbinnen de dood aanwezig is. 

De dauw wekt ten leven op en bezit juist die elektromagnetische trilling die het biologische leven zijn uithoudingsvermogen schenkt.

De mens kent de biologische voortplanting en experimenteert daarmede, doch hij kent niet de levens-essentie die vanuit de eerste Hemel het universum doortrekt, opdat dit niet ontijdig de dood toe zal vallen. 

De eerste Hemel kent het voortdurende scheppingsproces dat de dood opheft, hoewel hij aanwezig is. 

Vanuit deze eerste Hemel wordt het stervens- en geboorteproces der sterren geleid, ontstaat materie en antimaterie. 

Het verliezen van de binding met de zeven hemelen doet gebrek aan levensenergie ontstaan, het gebrek aan onaardse lichtkracht, waardoor de dood alleenheerser wordt en er geen geboorte meer op volgt. 

Wanneer Henoch de eerste Hemel heeft aanschouwd voeren de wijze mannen hem naar de tweede Hemel. 

De tweede Hemel is de sfeer der begeerten. 

Zij, die sterk uit hun begeertekracht leven, en bovendien de binding met de eerste Hemel hebben verloren, zij vervallen tot lichtloze begeerte, uitgaande van hun biologische wilskracht. 

Zij worden tot duisternis, en de Lichtzonen, die het lichtende levensbeginsel van de eerste Hemel hebben genegeerd, bevinden zich in deze tweede Hemel. 

Zij volgden de drang van hun begeerte instinctief, als een lichtloos schepsel, hoewel zij voorheen eeuwigheidswezens, lichtdragende schepselen waren. 

Zij behoorden tot de "engelen", de wezens der hemelen  die de zeven sferen doorreizen, als vrije lichtkernen. 

Na hun indaling in de chaos, de stof, werden zij echter geketend aan de tweede Hemel, hun vrijheid is hun ontnomen, hun levens-beginsel uitgewist. 

Zij zijn uitgewist uit het Boek des Levens, als u deze beeldspraak nu verstaat. 

Het Levensbeginsel dat hen aan de eeuwigheid verbindt, is weg-genomen, is hen ontvloden, omdat zij zichzelf losmaakten uit de eerste hemel, en de biologische levensstaat wensten in te gaan. 

Daarom ziet Henoch in deze tweede Hemel engelen met een donker aanschijn gelijk de duisternis der aarde. 

Hun ontbreekt het licht der aarde, die zijnstoestand die op de nacht, of de dood volgt. 

Zij bezitten slechts het wezen van de nacht. 

En daarom kennen zij het Leven, het Licht, de opgang en de Nieuwe Dageraad niet meer. 

U kunt dat spiritueel in deze zin verstaan, dat zij het inzicht des Lichts, en zelfs de gewaarwording van het Licht hebben verloren.

Zij worden geboeid en bewaakt. En zij hebben binding met hen, die in de vijfde Hemel verkeren. 

Deze duistere "engelen" zijn slechts de navolgers van de leiders, zij hebben niet zelfstandig gehandeld, zijn slechts hun instinctieve  drang gevolgd. 

Hun straf is zwaar, omdat zij het Licht niet meer kennen. 

Zij klagen, omdat zij zich het Licht herinneren, maar het niet meer kunnen onderkennen.

Hun klagen is een weeklacht, een voortdurend heimwee, doch zij kunnen zelfstandig de Weg-Terug niet wedervinden. 

Zij zijn als een instinctieve kudde volgzamen ingedaald en zij zullen als een volgzame schare een trede op de ladder der hoogten moeten opklimmen. 

Voor hen zijn de leiders, de middelaars en zij behoren tot de schare der luiaards, die gevangen en bewaakt worden en die weeklagen, hoewel zij zich niet kunnen bewegen en niet willen bewegen. 

Zij ontvangen geen enkele verlossingsmogelijkheid, zij zijn tot wachten gedoemd. 

Zij zullen moeten wachten totdat zij die aan de vijfde Hemel zijn gebonden het initiatief nemen tot Terugkeer. 

Deze zeven hemelen of sferen vormen een spiegelbeeld, een reflex van het leven op aarde, waar de zeven hoofdzonden, of de zeven misvormde hemelsferen de aardse mensheid teisteren. 

De eerste Hemel is gelijk aan het levensbeginsel der natuur, indien dit in binding staat met de dauw, of het etherische levensbeginsel der Bovennatuur. 

De tweede Hemel is gelijk aan de sfeer der massale begeerten, de luiaards, die niet zelfstandig denken, slechts hun begeerten volgen en daarvoor onverschillig wie of wat volgen willen. 

Zij bezitten geen lichtkracht, maar zijn daarvoor afhankelijk van hen, die tot de vijfde Hemel behoren, omdat zij zich die zo gewenst hebben. 

Zij daalden aan de hand van de vijfde Hemel, gebondenen neder, onder leiding van de intelligentia, en zij zijn aan hen gebonden voor hun terugkeer. 

Deze duisteren engelen zijn niet de ziele-individuen, waarop de verlossing wordt gefundeerd, maar zij vormen de massa, de substantie of materie die medebeweegt. 

Zoals men de aarde-mensheid in zeven stromen kan indelen, zo kan men de gevallen Lichtzonen eveneens in zeven stromen indelen. 

Maar zij worden gerangschikt onder de positief ingestelden en de negatief ingestelden. 

De positieven nemen de leiding, de negatieven volgen.

In de eerste Hemel is dit positief-negatief principe nog in harmonie, valt men daaronder uit dan wordt men of de positief ingestelde of de negatief ingestelde. 

Dit verbroken principe brachten de Lichtzonen binnen de natuur, waar de harmonie op natuurwetmatige wijze in stand werd gehouden door het man-vrouw principe. 

Het man-vrouw principe is zuiver biologisch, ongoddelijk. 

De vermenging van de Lichtzonen met het principe der biologische natuur deed ook bij de Lichtzonen de mannelijke en de vrouwelijke vorm ontstaan. 

Hun eigen goddelijke, of hemelse natuur ligt echter daarboven verheven. 

In het Henoch-boek en andere overleveringen staat b.v.: 

"de engelen zagen uit hun hemel neder op de aarde en zagen dat de vrouwen der mensen schoon waren. 

Toen ontwaakte hun begeerte." 

Op het tijdstip van de val bevonden deze engelen zich in de eerste Hemel. 

Zij werden geobsedeerd door het levensbeginsel-principe, waarna de begeerte in hen ontwaakt.  

Beide principes zijn de levensbasis der biologische wet. 

Men kan echter duidelijk lezen dat de wil het uitgangspunt vormt voor elke handeling. 

"Zij volgden hun eigen wil." 

De vrije wil is de basis voor de val, maar ook voor de terugkeer. 

Binnen deze tweede Hemel is deze vrije wil hun ontnomen en daarom kùnnen zij niet terugkeren. 

Zoals de slaafse massa geen eigen wil bezit, zo bezit ook de door begeerte gedreven Lichtzoon geen eigen wil. 

Hij staat dan tegenover een individuum, een ziele-mens, gelijk Henoch, als een machteloze en kan hem slechts smeken hem tot voorspraak te zijn. 

Zij kennen geen andere vorm van bevrijding meer en zulk een vorm zou hen ook niet aanspreken; zij kennen slechts de bemiddelende vorm. 

U kunt dat op aarde goed herkennen. 

Er zijn zoekende mensen, Lichtzonen, die beslist niet zelfstandig willen terugkeren. 

De wil daartoe ontbreekt hen. 

Zij zijn veroordeeld tot wachten, een pijnlijk wachten, afhankelijk van hen, die hen voorgaan. 

Daarom zijn zij, die zelfstandig arbeiden een weg gegaan, die altijd waardevoller is dan zij, die de slaafsheid prefereren, doch hun verantwoordelijkheid is veel groter en hun risico's zijn enorm. 

Hen is de vrije wil niet ontnomen, maar zij zullen deze moeten omwenden, zij moeten waarlijk een inspanning volbrengen. 

Daarom hebben deze zelfstandige Lichtzonen het altijd veel moeilijker dan de willoze slachtoffers. 

Hoewel beiden lijden. 

De één omdat hij hunkert en niet kan, en de ander omdat hij kan, maar niet doet. 

En zij zijn beiden met elkander verbonden. 

Men kan de slaafse willoze Lichtzoon niet de zelfstandigheid inpraten, want hij bezit de capaciteit niet. 

Maar men kan evenmin de zelfstandige Lichtzoon de Daad in-praten, want zijn wil leeft nog binnen de ongehoorzaamheid. 

Het mediamieke schouwen van de zeven hemelen mag dan een boeiend spel zijn voor de onwetenden, voor de wetenden heeft dit spel totaal geen nut. 

De zelfstandige Lichtzoon heeft hieraan geen behoefte, maar de slaafse Lichtzoon wil hierdoor wel eens zijn lijden en zijn wacht-tijd trachten te vergeten. 

Hij meent dikwijls dat hij hierdoor terugkeert binnen de aloude Hemelen, hoewel hij weldra zal bemerken dat hij zichzelf bedriegt. 

De zelfstandige Lichtzoon, of de Henoch-mens, die in alle sferen toegang heeft, staat vreemd tegenover de slaafse volgeling. 

Zij naderen elkander niet. 

Zoals het antwoord van Henoch kenbaar maakt: "Wie ben ik, een sterfelijk mens, dat ik voor engelen zou kunnen bidden?" 

Henoch behoort niet tot de gevallen engelen, maar hij behoort tot de ongevallen Lichtzonen, die bemoeienis met de aarde-mensheid houden. 

Hij staat volkomen buiten dit proces van de zondeval.

Hij is sterfelijk, hoewel hij het eeuwigheidsprincipe mededraagt. 

Hij kan op aarde leven en eveneens de zeven hemelen betreden. 

Maar hij blijft zich bewegen binnen de zeven sferen, omdat God dit van hem verlangt. 

Zijn tijd om buiten de zevenheid te treden is pas gekomen na het voltooien van zijn opdracht, zoals wij later zullen zien. 

In de tweede Hemel doen de geboeide engelen ook geen enkele poging om zelfstandig God te loven, om zich "om te wenden", zij blijven geboeid en klagen. 

Het is deze voortdurende verzuchting, die hen geketend houdt. 

Zij omringen zich met weeklagen en komen niet tot een verbreking daarvan. 

De tendens van een massa, in de religie en in de maatschappij is altijd een zuchten, een vragen, een geweeklaag. 

De massa is nimmer bevredigd, omdat zij het bevredigingselement mist. Een massa moet altijd gevoed worden, maar zij voedt nooit uit zichzelf. 

Wie tot de massa behoort, op welk gebied ook, wordt opgeslokt door het geweeklaag dat iemand in de boeien kan slaan. 

De massa schept niet, zij plant zich voort. 

Slechts de koninklijke mens, de Lichtzoon, die het levensbeginsel in zich omdraagt kan scheppen. 

En hij deed dat dan ook, waardoor hij een volgzame massa misleidde, en zelf geboeid werd aan de vijfde Hemel. 

Het is echter niet zo dat de volgelingen van de Lichtzonen-leiders geen schuld zouden hebben aan hun val. 

Op het moment van de indaling verrieden zij hun vrije wil. 

Een vrije wil bezat iedere Lichtzoon. 

Men is, spiritueel bezien, uitsluitend gehoorzaamheid verschuldigd aan de grote God. 

Want zij die ongehoorzaam waren aan God, maar gehoorzaam aan hun leiders, worden niettemin gestraft. 

De emotionele onmacht van een Lichtzoon, waarbij hij zegt: "Ik wil wel, maar ik kan niet", is het gevolg van de zondeval en van zijn onophoudelijke slaafsheid. 

Hij, die zich losmaakt van de slaafse massa, voedt zijn wils-kracht, waaruit zijn zelfstandige "vrije wil" geboren kan worden. 

Het "slaafse wachten" op hen die aan de "vijfde Hemel" zijn ge-bonden, schenkt de Lichtzoon geen enkele Lichtkracht. 

Maar aan iedere Lichtzoon zal het woord worden bevestigd: "Gaat heen en zoek de uwen."  

Geen Lichtzoon kan alleen terugkeren in de hemelen, want hij is verbonden met zijn mede-Lichtzonen. 

En vooral de positief gerichte mensen of Lichtzonen beseffen dat, intuïtief, als een herinnering aan het oer-verleden, daarom bekommeren zij zich om een massa, of om hun naasten. 

De positief-gerichten en de negatief-gerichten zijn onomstotelijk met elkander verbonden en zij zullen dus eensgezind moeten terugkeren. 

Wanneer echter de negatieve positief wordt en de positieve negatief, ofwel: wanneer de man tot vrouw geworden zal zijn en de vrouw tot man dan is de wet vervuld. 

U kent misschien dit woord uit het apocriefe Thomas-evangelie.

De negatieve Lichtzoon moet zijn wilskracht terugvinden, voordat hij de vrije wil tot verlossing kan bezitten. 

De positieve Lichtzoon moet de devotie van zijn wil bewerken voordat hij Gods wil kan ontvangen. 

De versterking van de negativiteit, zowel als van de positiviteit belemmert de verlossing, of de terugkeer in de vrijheid der hemelen. 

Om de oer-zevenheid te leren kennen moet de Lichtzoon allereerst afstand nemen van de verbroken zevenheid in dit universum. 

Henoch ziet vooral het resultaat van de zondeval der Lichtzonen, die een gevolg had in de hemelen en op de aarde. 

Er zijn enkele levensbeginselen die de gevallen Lichtzoon echter niet heeft kunnen  aantasten. 

Dat ziet men tot op deze dag. 

De Lichtzoon experimenteert, maar hij kan slechts tot aan een zekere grens gaan. 

Hij kan niet aan het levensbeginsel uit de eerste Hemel komen; zou hij dit kunnen, dan wordt de dood, in welke vorm ook het einde. 

Dit kan u te denken geven in deze tijd van atoomsplitsing. 

Zodra de ontaarde Lichtzoon echter op het punt staat zich aan het eeuwigdurende leven te vergrijpen, wordt hem een "halt" toe-geroepen. 

En de genade Gods schenkt een nieuw begin, een her-schepping op de restanten van een oude wereld. 

Zoals men zegt dat de "Elohim op de restanten aarde en hemel herschiepen." 

Deze woorden vormen voor de horizontaal gerichte mens een mysterie, een intellectueel probleem. 

Voor de wetende Lichtzoon kunnen zij slechts een bewijs vormen voor de Wet Gods, die altijd herstelt, herschept, en het Leven bewaart!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene